Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7480

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
200.168.212/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtigingen uithuisplaatsing. Kinderen zijn in het pleeggezin ingegroeid. De hechtingsrelatie met de pleegouders is zwaarwegend en toekomstbepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.168.212/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere C/16/380722/JL RK 14-821)

beschikking van de familiekamer van 24 september 2015

inzake

1. [de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

2. [de moeder] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de moeder,

verzoekers in hoger beroep,

gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. A. Özmen, kantoorhoudend te Almere,

tegen

Samen Veilig Flevoland, voorheen Bureau Jeugdzorg Flevoland,

gevestigd te Almere,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 15 januari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 april 2015, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en opnieuw rechtdoende onder aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg alsnog af te wijzen,
althans een zodanige beslissing te nemen als het hof passend acht. Subsidiair verzoeken de ouders de GI te vervangen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 juli 2015, heeft de GI
het verzoek in hoger beroep van de ouders bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 18 mei 2015 een journaalbericht van 13 mei 2015 van mr. Özmen met bijlagen;

- op 19 juni 2015 een journaalbericht van 17 juni 2015 van mr. Özmen met bijlagen;

- op 6 juli 2015 een brief van 2 juli 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) met bijlage;

- op 7 augustus 2015 een journaalbericht van 7 augustus 2015 van mr. Özmen met bijlagen;

- op 19 augustus 2015 een journaalbericht van 19 augustus 2015 van mr. Özmen met bijlagen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2015 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en de heer [B] , tolk in de Arabisch / Irakese taal, die ter zitting van het hof de eed heeft afgelegd. Namens de GI is mevrouw
[C] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2008 in de gemeente [A] , (verder te noemen: [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] , geboren [in]
2010 in de gemeente [A] , (verder te noemen: [de minderjarige2] ).

3.2

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sedert 26 juni 2012 onder toezicht, laatstelijk verlengd bij de bestreden beschikking met ingang van 26 januari 2015 voor de duur van 11 maanden.
Met ingang van 27 december 2012 is er een machtiging uithuisplaatsing afgegeven, welke niet direct ten uitvoer is gelegd vanwege het feit dat de moeder met de kinderen naar België is vertrokken. Feitelijk zijn de kinderen eerst met ingang van mei 2013 uit huis geplaatst.
De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien telkens verlengd.

3.3

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven sinds maart 2014 (samen) in het huidige perpectiefbiedend pleeggezin.

3.4

Bij beschikking van 10 juni 2015 heeft de rechtbank het gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en is de voogdij opgedragen aan de GI.

4 De motivering van de beslissing

4.1

De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

4.2

De ouders kunnen zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet verenigen. Zij voeren hiertoe - kort gezegd - aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er gronden zijn om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen.
Mocht het hof beslissen dat uithuisplaatsing noodzakelijk is, menen de ouders dat Samen Veilig Flevoland dient te worden vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
De ouders geven ten slotte nog bezwaren aan tegen het pleeggezin waar de kinderen verblijven.

4.3

Het hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende vast
is komen te staan dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de ouders in een onveilige thuissituatie hebben geleefd. De ouders waren als opvoeders onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en hebben hen onvoldoende gestimuleerd. De kinderen hadden (hierdoor), toen zij uit huis geplaatst werden, beiden een achterstand op het gebied van taal en spraak en (met name) [de minderjarige1] vertoonde angstig gedrag. Voorts is gebleken dat de ouders hun mogelijkheden om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te kunnen opvoeden overschatten, zij bagatelliseren de problematiek van de kinderen en tonen onvoldoende probleeminzicht. Tijdens de begeleide omgangsmomenten is gebleken dat de ouders onvoldoende kunnen aansluiten bij de behoeften van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en zich onvoldoende bewust zijn van wat de kinderen nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen. De ouders blijven vanuit hun eigen behoeften reageren en kunnen zich niet verplaatsen in het belang van hun dochters. Adviezen vanuit de hulpverlening in dat verband beklijven niet, dan wel onvoldoende. Doordat de ouders de geconstateerde zorgen niet (h)erkennen en wantrouwen hebben ten opzichte van de hulpverlening, is er geen constructieve samenwerking met de hulpverlening tot stand gekomen.

Het hof acht het voorts van belang dat de moeder meerdere malen heeft aangegeven dat er in de relatie met de vader sprake is geweest van huiselijk geweld en dat zij ook meerdere malen naar een blijf-van-mijn-lijf huis gegaan. Inmiddels ontkent de moeder dat er sprake is geweest van huiselijk geweld.
Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat, ongeacht de vraag of het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, de meermalen geuite signalen van de moeder en haar vertrek naar een blijf-van-mijn-lijf huis op zich zelf al zeer zorgelijk zijn. De stelling van de ouders in dit verband dat de moeder slechts op voorspraak van de GI naar het blijf-van-mijn-lijf huis is gegaan omdat dat de enige wijze zou zijn waarop zij met de kinderen kon worden herenigd, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden. Met de rechtbank is het hof eveneens van oordeel dat het door de GI uitgevoerde gezins- en perspectiefonderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de ouders - ondanks de aanvankelijke positieve verandering - het geleerde niet voldoende kunnen vasthouden en dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt.

4.4

Het hof is, alles overwegende, evenals de rechtbank, van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nog onverminderd aanwezig zijn en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft voor hun verzorging en opvoeding. De verschillende
door de ouders overgelegde verklaringen omtrent onder meer de psychische gesteldheid van de vader, de relatieproblemen, dan wel spanningsklachten van de ouders en hun cognitieve vaardigheden maken dit oordeel niet anders. Daarbij is van belang dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zich in het huidige pleeggezin in een veilige omgeving bevinden en zich ook in positieve zin ontwikkelen. De spraak- en taal achterstand is inmiddels zo goed als opgelost. De kinderen zijn in het pleeggezin ingegroeid en op hun plek. De hechtingsrelatie met de pleegouders is zwaarwegend en toekomstbepalend. Het is in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , die gebaat zijn bij duidelijkheid, stabiliteit, vertrouwen en veiligheid, dat de continuïteit in de huidige opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces doorgang blijven vinden.
Het hof acht het dan ook niet in het belang van de kinderen te gelasten dat zij, voor zover
de ouders dat thans in hoger beroep verzoeken, (opnieuw) in een ander pleeggezin worden geplaatst. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
Het hof merkt echter op te begrijpen dat de ouders graag een islamitische opvoeding voor hun kinderen willen en acht het - mede gelet op de identiteitsontwikkeling van de kinderen - wenselijk dat zij hun culturele achtergrond en geloofsovertuiging kennen. Ook de GI heeft ter zitting van het hof naar voren gebracht dat het belangrijk voor de kinderen is dat zij kennis hebben van hun herkomst en dat hier, in de huidige pleeggezinplaatsing, aandacht
aan wordt besteed. Zij heeft daartoe verklaard dat een nadere invulling in overleg en samenwerking met de ouders vorm kan worden gegeven.

4.5

Het verzoek van de ouders om Samen Veilig Flevoland te vervangen door een andere GI is door de kinderrechter afgewezen. Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Hoger beroep tegen de beslissing van de kinderrechter op dit punt is derhalve niet mogelijk, zodat de ouders in zoverre niet-ontvankelijk in hun verzoek in hoger beroep worden verklaard.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek in hoger beroep voor zover dat ziet op vervanging van de GI;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 15 januari 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.P. den Hollander en mr. S. Rezel, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 september 2015 in bijzijn van de griffier.