Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7477

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
200.154.936/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensvermeerdering en huwelijkse voorwaarden. Onder vermeerdering van de vermogens valt niet een vermogensvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/7
JPF 2015/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.154.936/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 13-3272 en 14-770)

beschikking van de familiekamer van 22 september 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

voorheen advocaat: mr. T. Meier, kantoorhoudend te Assen,

thans advocaat: mr. C.F.M. Seip, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.Q.N. Renon, kantoorhoudend te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 mei 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 27 augustus 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 28 oktober 2014;

- het journaalbericht met bijlagen van mr. Meier van 12 september 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 juni 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Renon heeft het woord gevoerd mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

2.3

Ter zitting van het hof is afgesproken dat partijen binnen twee weken zullen berichten of zij tot overeenstemming zijn gekomen over hetgeen hen verdeeld houdt. Uit het journaalbericht van 1 juli 2015 van mr. Renon en het journaalbericht van 2 juli 2015 van mr. Seip komt naar voren dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 2003 in de gemeente [B] met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan hun huwelijk zijn zij op 29 augustus 2003 huwelijkse voorwaarden aangegaan.

3.2

Blijkens de huwelijkse voorwaarden zijn partijen buiten iedere gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

3.3

In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is het volgende vermeld:

"Verrekening van inkomsten

Artikel 6.

1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks hetgeen van hun inkomen resteert na voldoening van de inkomstenbelasting, pensioen- en sociale premies, de kosten van de huishouding en de premies en koopsommen als bedoeld in artikel 4 samen te voegen en bij helfte te verdelen.

2. Deze verdeling vindt plaats doordat de echtgenoot die meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag als bedoeld in lid 1 heeft, dat meerdere aan de andere echtgenoot uitkeert.

3. De uitkering moet worden gedaan in geld of door schuldigerkenning binnen een jaar na afloop van elk kalenderjaar.

4. In geen geval kan meer dan verdeling van het nominaal bespaarde bedrag worden gevorderd. Over schuldigerkende bedragen wordt geen rente vergoed.

5. Wanneer de uitkering of schuldigerkenning niet heeft plaatsgehad op het tijdstip dat een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt ingediend komen alle vorderingen dienaangaande tot verdeling welke op dat tijdstip bestaan te vervallen en zal tussen de echtgenoten worden afgerekend conform het bepaalde in artikel 7."

3.4

In artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden staat het volgende:

"Deelgenootschap bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed.

Artikel 7.

1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of bij scheiding van tafel en bed zal tussen de echtgenoten worden afgerekend volgens de regels van een deelgenootschap zoals hierna bepaald.

2. Dit deelgenootschap verplicht de echtgenoten de vermeerdering van beider vermogens die tijdens het huwelijk (of tot het tijdstip van scheiding van tafel en bed) heeft plaatsgevonden te delen.

De vermeerdering of vermindering van het vermogen van een echtgenoot wordt vastgesteld door van de waarde van zijn eindvermogen de waarde van zijn stamvermogen af te trekken.

3. Het eindvermogen bestaat uit de goederen en schulden die een echtgenoot heeft op het tijdstip dat het verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend met uitzondering van:

a. de kleding en sieraden van een echtgenoot als bedoeld in artikel 3; en

b. de goederen en schulden die ook indien tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan bij de verdeling daarvan niet in aanmerking zouden worden genomen;

Ieder van de echtgenoten kan tot beschrijving en schatting van zijn vermogen overgaan en vorderen dat het vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven. Aan een dergelijke vordering zal door de andere echtgenoot zo spoedig mogelijk gevolg moeten worden gegeven. Indien een echtgenoot met de beschrijving in gebreke blijft kan de beschrijving door de andere echtgenoot plaatsvinden, mits de echtgenoot wiens vermogen beschreven wordt daartoe behoorlijk is opgeroepen.

4. De goederen worden gewaardeerd naar het tijdstip genoemd in lid 3. De waardering vindt plaats door de echtgenoten in onderling overleg en indien de echtgenoten onderling geen overeenstemming kunnen bereiken, door en of meer deskundigen, op verzoek van de meest gerede partij te benoemen door de kantonrechter te Assen.

5. De niet-opeisbare schulden en lasten worden gewaardeerd naar de contante waarde daarvan.

6. Het stamvermogen wordt gevormd door:

a. de goederen die een echtgenoot bij het begin van het huwelijk bezat, verminderd met de toen bestaande schulden, en

b. de goederen die een echtgenoot tijdens het huwelijk door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, verminderd met de op die verkrijging drukkende schulden en lasten.

c. de goederen die door middel van zaaksvervanging aantoonbaar voor de goederen onder a. en b. genoemd in de plaats zijn getreden.

Veranderingen in de waarde van de onder a. en b. genoemde goederen zullen uitdrukkelijk wel in de verdeling als bedoeld in lid 2 van dit artikel worden betrokken.

Indien het stamvermogen negatief zou uitkomen wordt het voor de toepassing van het deelgenootschap op nihil gesteld.

Van het stamvermogen zijn uitgezonderd de kleding en sieraden als bedoeld in artikel 3 en de goederen en schulden die ook indien tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan, bij de verdeling daarvan niet in aanmerking zouden worden genomen.

7. De aanvangswaarde van de tot het stamvermogen behorende goederen wordt als volgt bewezen:

a. wat de aangebrachte goederen betreft, in beginsel door de staat van aanbrengsten; ontbreekt een goed op die staat of is de waarde daarvan niet op die staat vermeld dan kan het bewijs met alle middelen worden geleverd; en

b. wat alle andere goederen betreft, door alle middelen.

Schulden en lasten die in mindering op het stamvermogen komen kunnen door de echtgenoot tot wiens vermogen zij niet behoren met alle middelen worden bewezen.

8. In afwijking van het voorgaande worden goederen die onveranderd zowel tot het stamvermogen als tot het eindvermogen behoren bij geen van beide vermogens in aanmerking genomen."

3.5

Artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:

"Deling.

Artikel 8.

De deling van de vermogensvermeerdering geschiedt doordat een der echtgenoten zoveel aan de andere echtgenoot uitkeert dat beider vermogen met een gelijk bedrag is vermeerderd.

In geen geval is een echtgenoot gehouden tot uitkering van meer dan de helft van de door hem behaalde vermogensvermeerdering.

De uitkering waartoe de ene echtgenoot jegens de andere op grond van deze deling gehouden is geschiedt in geld. De vordering is direct nadat de omvang van de vordering is vastgesteld opeisbaar tenzij partijen een andere regeling overeenkomen of daartoe krachtens de eisen van redelijkheid en billijkheid gehouden zijn."

3.6

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 6 december 2013, heeft de vrouw - voor zover hier van belang - de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en een beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden aan te houden.

3.7

De man heeft daarop een verweerschrift ingediend. Tevens heeft hij een zelfstandig verzoek ingediend waarbij hij heeft verzocht de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen, in die zin dat wordt bepaald dat de vermogensvermindering tijdens het huwelijk van partijen bij helfte wordt gedeeld en de vrouw voor de helft draagplichtig is voor het saldo van het stamvermogen en eindvermogen van partijen, althans een redelijke regeling vast te stellen. De vrouw heeft zich tegen het zelfstandig verzoek verweerd.

3.8

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het verzoek van de man dat ertoe strekt de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen in die zin dat wordt bepaald dat de vermogensvermindering tijdens het huwelijk tussen partijen bij helfte wordt gedeeld en de vrouw voor de helft draagplichtig is voor het saldo van het stamvermogen en eindvermogen van partijen, afgewezen.

3.9

Bij beroepschrift heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank van 28 mei 2014 te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover dit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft en in zoverre opnieuw beslissende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen in die zin dat wordt bepaald dat de vermogensvermindering tijdens het huwelijk van partijen bij helfte wordt gedeeld en dat de vrouw draagplichtig is voor het saldo van het stamvermogen en eindvermogen van partijen, althans een redelijke regeling vast te stellen.

3.10

Bij verweerschrift heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dit af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de aanvulling/wijziging van het verzoek

4.1

Bij het hof is op 8 juni 2015 binnengekomen een journaalbericht van 5 juni 2015 namens mr. Seip met als bijlage een aanvulling/wijziging verzoek appelschrift met 23 bijlagen. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.2

Voor zover de man heeft gesteld dat voormeld stuk een verduidelijking betreft van zijn standpunt in eerste aanleg, beschouwt het hof deze als een zonder toestemming van het hof ingelaste nieuwe schriftelijke ronde die niet wordt geaccepteerd.

4.3

Voor zover de man met de aanvulling/wijziging van het verzoek van 5 juni 2015 zijn grond(en) van het hoger beroep en zijn verzoek heeft gewijzigd, overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat de gronden van het beroep in het beroepschrift dienen te worden vermeld. Onder omstandigheden kan van deze regel worden afgeweken, met name indien de wederpartij er ondubbelzinnig mee heeft ingestemd dat een nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd zal worden betrokken of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd. In dit geval ziet het hof geen reden op de - in beginsel strakke - hoofdregel een uitzondering te maken, nu de vrouw niet ondubbelzinnig daarmee heeft ingestemd -integendeel, zij heeft ter zitting uitdrukkelijk bezwaar hiertegen gemaakt- en ook geen sprake is van een situatie die met zich brengt dat de man dit in redelijkheid niet al in het beroepschrift had kunnen aanvoeren. Het hof acht het opwerpen van een nieuwe grond en een wijziging van het verzoek in een zodanig laat stadium van de procedure in strijd met een goede procesorde en gaat daaraan voorbij.

4.4

Gelet op het voorgaande zal het hof geen acht slaan op het in rechtsoverweging 4.1 genoemde stuk. Nu het journaalbericht met bijlagen van 12 juni 2015, binnengekomen bij de griffie per fax op 12 juni 2015 en per gewone post op 15 juni 2015, en het journaalbericht met bijlagen van 17 juni 2015, binnengekomen bij de griffie per fax op 17 juni 2015 en per gewone post op 18 juni 2015, beide van mr. Renon, reacties betreffen op de aanvulling/wijziging van het verzoek van mr. Seip, zal het hof hiervan evenmin kennisnemen.

De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

De uitleg van artikel 7, tweede lid, eerste zin van de huwelijkse voorwaarden

4.5

Tussen partijen is in geschil de uitleg van (een deel van) artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. In dat verband dient te worden beoordeeld of de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting tot delen van de vermeerdering van beider vermogens die tijdens het huwelijk (of tot het tijdstip van scheiding van tafel en bed) heeft plaatsgevonden aldus moet worden opgevat dat daartoe ook een verplichting bestaat indien de vermogensvermeerdering negatief is. Deze vraag kan niet enkel worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts komt daarbij mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen in huwelijkse voorwaarden volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben (HR 4 mei 2007, LJN BA1564).

4.6

Het hof is van oordeel dat de huwelijkse voorwaarden aldus dienen te worden uitgelegd dat partijen enkel de (positieve) vermogensvermeerdering dienen te verrekenen. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat onder de vermeerdering van de vermogens ook de negatieve vermeerdering - ofwel de vermogensvermindering - dient te worden verstaan. In de 'memo inzake gevolgen huwelijkse voorwaarden' van 13 september 2013 (Verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, productie A), die door de notaris is verstrekt in het kader van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden, wordt uitgelegd dat het door partijen overeengekomen deelgenootschap inhoudt dat partijen enkel verplicht zijn om de vermeerdering van beider vermogens die tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden te delen. Daarbij is het woord vermeerdering cursief gemaakt, naar het hof begrijpt om te benadrukken dat daaronder niet de vermogensvermindering valt, welke laatste term in die uitleg enkel in ander verband wordt gebruikt. In de memo wordt vervolgens een situatie weergegeven, waarbij het eindvermogen van de man negatief is en het privé vermogen van de vrouw alleen bestaat uit een banksaldo (p.m.). Geconcludeerd wordt dat in die situatie geen sprake is van vermogensvermeerdering die gedeeld dient te worden. Tevens is in de memo vermeld dat schulden die op het moment van scheiding tot een privévermogen van een echtgenoot behoren niet worden gedeeld en dat de andere echtgenoot - behoudens uitzonderingen - niet aansprakelijk is voor deze schulden. Voor zover de man heeft gesteld dat in de huwelijkse voorwaarden de vermogensvermindering wel degelijk wordt genoemd, overweegt het hof dat deze term is gehanteerd in artikel 7, tweede lid, tweede zin van de huwelijkse voorwaarden om aan te geven dat door de waarde van het stamvermogen van de betreffende echtgenoot af te trekken van de waarde van het eindvermogen van deze echtgenoot wordt vastgesteld of sprake is van een vermogensvermeerdering of -vermindering ten aanzien van deze echtgenoot. Daar komt bij dat de man ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat partijen in verband met de onderneming van de man huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan en dat met de notaris enkel is besproken dat in het geval de onderneming van de man goed draait de vrouw daarvan de vruchten dient te plukken.

4.7

De man heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan om het vermogen van de vrouw veilig te stellen voor externe schuldeisers en dat niet is gesproken over toekomstige schulden en de verrekening daarvan, maar enkel over toekomstige plussen en de daarbij behorende verdeling. Nu de huwelijkse voorwaarden op dit punt niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn en ter zitting naar voren is gekomen dat in het kader van het de huwelijkse voorwaarden is besproken dat partijen deze zijn aangegaan om de vermogens van partijen gescheiden te houden in verband met de onderneming van de man, dat ingeval de onderneming van de man goed draait de vrouw daarvan de vruchten moet plukken en dat de situatie waarin sprake is van vermogensvermindering niet aan de orde is gesteld, zal het hof het bewijsaanbod als niet ter zake dienend passeren. De enkele aantekening in het dossier "schulden 50/50" zoals door de man gesteld, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van het beroep op de redelijkheid en billijkheid

4.8

Vervolgens dient te worden beoordeeld of onverkorte handhaving van de tussen partijen opgemaakte huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.9

Het hof stelt voorop dat artikel 6:248 tweede lid Burgerlijk Wetboek (BW) op grond van de schakelbepaling van artikel 6:216 BW ook van toepassing is op een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Ingevolge artikel 6:248 tweede lid BW is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In het belang van de rechtszekerheid kan alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van de redelijkheid en billijkheid van de huwelijkse voorwaarden worden afgeweken. De omstandigheden waaronder de huwelijkse voorwaarden tot stand zijn gekomen en de bedoeling van partijen bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden zijn daarbij van groot belang. In de jurisprudentie is bepaald dat bij de beantwoording van de vraag of bij de afrekening tussen voormalige echtelieden na ontbinding van het huwelijk op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken van de huwelijkse voorwaarden, zeer wel belang kan worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, ook als dat gedrag afweek van de huwelijkse voorwaarden (onder andere Hoge Raad 18 juni 2004, NJ 2004, 399).

4.10

De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat onverkorte toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn het volgende aangevoerd. Partijen hebben gedurende hun huwelijk geleefd als ware er een gemeenschap van goederen. Zij hebben geleefd van de inkomsten uit de onderneming(en), die door hen samen werden geëxploiteerd. Partijen hebben jarenlang feitelijk op een te grote voet geleefd. De schulden zijn mede door toedoen van de vrouw ontstaan. Door vele acties van de vrouw, ruime levensonderhoud, verkeerde inkoop in haar eigen onderneming, moest er telkens bijgesprongen worden vanuit de onderneming van de man. Alle uitgaven (zowel zakelijk als privé) werden voldaan met geld, dat uit de onderneming werd ''getrokken". Ook werden de vaste lasten van partijen vanuit de onderneming voldaan. Financieel gezien hebben de zakelijke en privégeldstromen altijd door elkaar gelopen. De vrouw was meer dan een verkoopmedewerkster in de winkel. Zij hield zich ook bezig met de inkoop en tekende facturen af. De vrouw was volledig op de hoogte van alle financiële verplichtingen die werden aangegaan, hetgeen onder meer kan worden afgeleid uit het feit dat de vrouw tot 2003 de winkel in [C] heeft gedreven en aansprakelijk was voor de schuld van de winkel nadat de activiteiten zijn gestaakt. Bovendien heeft de vrouw van 2008 tot 2011 met haar eenmanszaak ingeschreven gestaan bij de Kamer van Koophandel.

De man is van mening dat hij redelijkerwijs mocht verwachten dat de vrouw in zijn schulden na echtscheiding zou meedelen. De houding van de vrouw tijdens het huwelijk duidde op een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor alle financiële verplichtingen, die partijen aangingen. De vrouw was tijdens het huwelijk op de hoogte van de schulden en de financiële verplichtingen van partijen. De vrouw achtte zich verantwoordelijk voor de schulden van partijen die middels een dwangakkoord zijn gesaneerd, welk dwangakkoord is gefinancierd met een krediet ingevolge het Besluit bijstand zelfstandigen (hierna: Bbz-krediet) waarvoor de vrouw ook heeft getekend. De man heeft bewijs aangeboden van zijn stelling door het horen van een getuige. Ook het verloop van het mediationtraject en het gesprek van partijen bij [D] in [B] hebben bij de man de verwachting gewekt dat de vrouw in de schulden zou meedelen.

4.11

De vrouw is van mening dat de man verantwoordelijk is voor zijn schuldenlast en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Dat de zakelijke en privégeldstromen door elkaar liepen, geschiedde door toedoen van de man zelf. De vrouw betwist dat zij op de hoogte was van de financiële verplichtingen. De omstandigheid dat de vrouw facturen aftekende, maakte haar niet handtekeningbevoegd en verantwoordelijk voor de financiën van de man. Anders dan de man heeft gesteld, heeft de vrouw in - en niet tot - 2003 een eenmanszaak gedreven. In 2004 moest deze worden verkocht omdat er financiële nood scheen te zijn, hetgeen de vrouw tot op heden niet kan verklaren. De wijze van boekhouden van de man was onoverzichtelijk, onzakelijk en onprofessioneel. De man gebruikte de eenmanszaak van de vrouw om goederen voor zijn winkel te kunnen inkopen, aangezien hij vanwege overschrijding van de kredietlimieten bij steeds minder leveranciers zijn goederen kon inkopen.

De vrouw betwist het door de man verstrekte overzicht van schulden, onder meer omdat de man bescheiden en correspondentie van niet recente data heeft overgelegd en hieruit niet valt af te leiden welke schulden feitelijk nog bestaan.

De vrouw betwist voorts dat er sprake is van feiten en omstandigheden die rechtvaardigen dat de man redelijkerwijs mocht verwachten dat de vrouw na echtscheiding in zijn schulden zou meedelen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De man heeft, bij uitsluiting van de vrouw, een financiële en boekhoudingkundige chaos gecreëerd waarin hij de zakelijke en privégeldstromen door elkaar heen liet lopen. Doordat zij nooit - ondanks vele beloften van de man - een vast maandelijks salaris van de man ontving, was het voor haar onmogelijk om consequent maandelijks de vaste lasten te betalen. De man betaalde via diverse zakelijke rekeningen de vaste lasten, maar de vrouw kreeg daarvan geen overzicht, ondanks dat zij diverse keren bij de man heeft geprotesteerd tegen de gang van zaken. Op de bankrekeningen van de man werd vaak beslag gelegd door schuldeisers. Wanneer de man in financiële nood was, gebruikte hij regelmatig de bankrekening van de vrouw. De vrouw betwist dat partijen er bewust voor hadden gekozen om zowel de privéschulden als de zakelijke schulden te saneren. De vrouw heeft het vonnis inzake het dwangakkoord d.d. 19 maart 2009 voor het eerst tijdens de zitting in eerste aanleg bij de rechtbank van 9 mei 2014 onder ogen gehad. De vrouw betwist voorts dat zij het Bbz-krediet weloverwogen heeft getekend. De vrouw heeft als echtgenote meegetekend en had geen inzicht in de schulden. De man heeft geen correcte gegevens verstrekt aan instanties zoals ook bij de Bbz-aanvraag. De vrouw biedt uitdrukkelijk bewijs aan om het aan de Bbz-aanvraag ten grondslag liggende Adviesrapport van IMK d.d. 18 september 2008 in de procedure in te brengen.

Ten aanzien van de stelling van de man dat het verloop van het mediationtraject en het gesprek dat partijen met elkaar hebben gevoerd bij [D] in [B] bij hem de verwachting hebben gewekt dat de vrouw zou meedelen in de schulden, voert de vrouw aan dat deze verwachting is gebaseerd op aannames en dat dit volledig bezijden de waarheid is.

4.12

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid de krachtens de huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel buiten toepassing te laten.

4.13

Het hof stelt voorop dat partijen voorafgaand aan het huwelijk expliciet hebben gekozen voor huwelijkse voorwaarden en dat zij tijdens het huwelijk hun huwelijkse voorwaarden niet hebben gewijzigd. Uit de behandeling ter zitting en de stukken blijkt dat de wil van partijen erop gericht was om onder huwelijkse voorwaarden te huwen en de vermogensvermeerdering bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding te delen. Daarbij acht het hof van belang dat ter zitting naar voren is gekomen dat ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden de situatie waarin er sprake is van een vermogensvermindering ten tijde van de ontbinding van het huwelijk niet aan de orde is gesteld.

4.14

Niet is komen vast te staan dat partijen zich staande huwelijk zodanig afwijkend van de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden hebben gedragen dat de vrouw daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gehouden. Het feit dat partijen de zakelijke en privégeldstromen door elkaar heen hebben laten lopen tijdens hun huwelijk betekent niet dat partijen hetgeen in de huwelijkse voorwaarden is overeengekomen niet wensen na te komen en jegens elkaar draagplichtig wensten te zijn voor de helft van de vermogensvermindering. De stelling van de man dat de schulden die op zijn naam staan mede door toedoen van de vrouw zijn ontstaan, heeft de vrouw gemotiveerd betwist. Het voorgaande nog daargelaten het antwoord op de vraag of die gestelde handelswijze van de vrouw ertoe kan leiden dat afrekening conform de huwelijkse voorwaarden onaanvaardbaar is. De stelling dat de vrouw meer dan verkoopmedewerkster was in de winkel en op de hoogte was van de financiële verplichtingen van partijen - wat daar verder ook van zij - acht het hof eveneens onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat afrekening conform de huwelijkse voorwaarden onaanvaardbaar is.

4.15

Ten aanzien van het standpunt van de man dat hij - gelet op de houding van de vrouw tijdens het huwelijk - redelijkerwijs mocht verwachten dat de vrouw in zijn schulden na echtscheiding zou meedelen, overweegt het hof als volgt. De man heeft daartoe gesteld dat de vrouw zich tijdens het huwelijk ook verantwoordelijk achtte voor de schulden van partijen die middels een dwangakkoord zijn gesaneerd, welk dwangakkoord is gefinancierd met een Bbz-krediet waarvoor de vrouw heeft meegetekend. Deze stelling van de man heeft de vrouw gemotiveerd betwist. Het hof passeert het bewijsaanbod van de man dat hij middels het horen van de accountant die destijds bij partijen betrokken was, kan bewijzen dat de vrouw zich verantwoordelijk achtte voor de schulden van partijen die met een dwangakkoord zijn gesaneerd. Naar het oordeel van het hof kan deze stelling, indien bewezen, niet tot de conclusie leiden dat hij op grond daarvan mocht verwachten dat de vrouw in zijn schulden na echtscheiding zou meedelen. Gelet hierop komt het hof ook niet toe aan het door de vrouw gedane bewijsaanbod. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw op de hoogte was van alle schulden en financiële verplichtingen van partijen, wat daar verder ook van zij, nu deze niet kan leiden tot de conclusie dat de man op grond daarvan redelijkerwijs mocht verwachten dat de vrouw in zijn schulden na echtscheiding zou meedelen. De stelling dat de vrouw op enkele leningen heeft afgelost, is daartoe eveneens onvoldoende. Dit geldt ook voor de stelling van de man dat de vrouw op grond van het mediationtraject en het gesprek van partijen bij [D] in [B] hebben gevoerd de verwachting heeft gewekt dat zij een deel van de schulden voor haar rekening zou nemen.

4.16

Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat partijen zich zodanig afwijkend van de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden hebben gedragen dat de vrouw daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gehouden. De stelling van de man dat hij redelijkerwijs mocht verwachten dat de vrouw in zijn schulden na echtscheiding zou meedelen, is niet komen vast te staan.

4.17

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn geen omstandigheden aanwezig die de toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar doen zijn.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 28 mei 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. G. Jonkman en mr. M.P. den Hollander en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 september 2015 in bijzijn van de griffier.