Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7390

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
PIJ P15/0154
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel per 1 juli 2011. Toepassing artikel 77s, zesde lid en 77t tweede lid Wetboek van Strafrecht. De regeling van de voorwaardelijke beëindiging van rechtswege van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan - anders dan een voorwaardelijke beëindiging door de rechter, zoals bij de terbeschikkingstelling - tot gevolg hebben dat de voorwaardelijke beëindiging met terugwerkende kracht ingaat.

Ingevolge artikel 77s, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht geldt de maatregel voor drie jaar en eindigt deze na twee jaar voorwaardelijk, tenzij deze wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht. Na de initiële oplegging van de PIJ maatregel kan het openbaar ministerie een vordering tot verlenging van de maatregel indienen voor het einde van het tweede jaar. Als de rechter op grond van die vordering de maatregel verlengt, schuift het moment waarop de voorwaardelijke beëindiging ingaat op met de termijn van de verlenging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PIJ P15/0154

Beslissing d.d. 1 oktober 2015

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam jeugdige] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [1996] ,

verblijvende in Forensisch Centrum [naam inrichting] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2015, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twaalf maanden.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de jeugdige van 2 april 2015;

- het proces-verbaal van de zitting van het hof van 9 juli 2015;

- de tussenbeslissing van het hof van 23 juli 2015;

- een reclasseringsadvies, ongedateerd naar aanleiding van de tussenbeslissing van 23 juli 2015;

- de aanvullende informatie van [naam inrichting] , gedateerd 10 september 2015.

Het hof heeft ter zitting van 9 juli 2015 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, en de advocaat-generaal mr. E.J. Julsing-Nijenhuis.

Het hof heeft ter zitting van 17 september 2015 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, en de advocaat-generaal mr. E.C.A.M. Langenhorst. Het hof heeft op die zitting tevens als deskundigen gehoord H.A. Gottschalch, reclasseringswerker, en A. Vroomen, GZ-psycholoog bij [naam inrichting] .

Overwegingen:

Het hof heeft in zijn tussenbeslissing van 23 juli 2015 geconstateerd dat per 1 juli 2011 onder andere de artikelen 77s, zesde lid, en 77t, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn gewijzigd en met die wijziging de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is ingevoerd en dat het feit waarvoor aan de jeugdige de maatregel is opgelegd, is gepleegd na de inwerkingtreding van die wijziging , met als gevolg dat de maatregel voorwaardelijk eindigt een jaar voordat de door de rechter vastgestelde duur wordt bereikt. Het hof heeft voorts overwogen dat de inrichting, noch de raadsman, noch de advocaat-generaal zich over de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel heeft uitgelaten en dat het hof zich daarom onvoldoende voorgelicht achtte om op het hoger beroep te beslissen. Het hof achtte het om die reden noodzakelijk dat zowel de inrichting als de reclassering zou rapporteren omtrent de (invulling van de) voorwaardelijke beëindiging van de maatregel en dat de advocaat-generaal, de jeugdige en zijn raadsman daarop zouden kunnen reageren.

Het advies van [naam inrichting] van 10 september 2015

Bij de jeugdige is een ernstige gedragsstoornis en een hechtingsstoornis gediagnosticeerd. Er zijn daarnaast zorgen om het cannabisgebruik. Binnen de huidige gesloten setting zijn de kenmerken van de gedragsstoornis in ernst afgenomen door de inzet van verschillende behandelingen. De jeugdige profiteert duidelijk van de vaste structuur de opvoeding en het toezicht dat in de leefgroep wordt geboden. Wel wordt waargenomen dat, zodra hij een verlies of onduidelijkheid van perspectief ervaart, de gedragsproblemen toenemen. Dit uit zich in terugtrek gedrag en incidenteel cannabisgebruik. De hechtingsproblemen uiten zich in een gebrek aan basisvertrouwen, wisselende relatiepatronen, zich kenmerkend in aantrekken en afstoten. Wel heeft de jeugdige geleerd hier beter mee om te gaan. Het vermijden van moeilijke situaties en de afweer in contact lijken een overlevingsmechanisme te zijn om te kunnen omgaan met voor hem stressvolle situaties.

Criminogene factoren tijdens zijn STP/voorwaardelijke beëindiging van de maatregel zijn de leefgebieden: financiën, sociaal netwerk en psychisch problematiek. Beschermende factoren zijn de medewerking aan begeleiding en de ervaren steun van zijn netwerk. Er is sprake van een zekere steun op het gebied van dagbesteding en huisvesting. Gedurende het STP/voorwaardelijke beëindiging van de maatregel is het monitoren van het cannabisgebruik van belang, dient er aandacht te zijn voor het vasthouden van motivatie ten aanzien van werk/school en is het advies de behandeling gericht op de persoonlijkheid (CGT) en het gezinssysteem (MDFT) voort te zetten.

De inrichting blijft bij haar advies de maatregel met twaalf maanden te verlengen. Als de maatregel niet wordt verlengd, zou dat tot gevolg hebben dat de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel met terugwerkende kracht tot maart van dit jaar zou zijn ingegaan. Er blijven in dat geval nog enkele maanden over waarin invulling gegeven kan worden aan het omschreven plan. Die tijd is te beperkt om de jeugdige hierbij voldoende te kunnen begeleiden. Bij een voorwaardelijke beëindiging stopt de begeleiding door [naam inrichting] en is er geen gefaseerde overgang naar de begeleiding door de reclassering. De gefaseerde aanpak is juist in het belang van een geslaagde resocialisatie in de maatschappij.

Gedurende het STP zal gewerkt worden aan een geleidelijke overgang van de jeugdinrichting naar het leven in de maatschappij. Gedurende het STP blijft [naam inrichting] bij het traject betrokken, zal de begeleiding door de reclassering geleidelijk worden uitgebreid en zal de begeleiding door [naam inrichting] worden afgebouwd. Na afronding van het STP blijft er dan nog een jaar over waarin de jeugdige in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel begeleid zal worden door de reclassering.

Het ongedateerde advies van de reclassering naar aanleiding van de tussenbeslissing

De reclassering adviseert in hoofdlijnen gelijkluidend aan het hiervoor weergegeven advies van [naam inrichting] .

De reclassering heeft voor het geval de maatregel niet wordt verlengd, voorwaarden voor de voorwaardelijke beëindiging geformuleerd en deze met de jeugdige en zijn moeder besproken.

De ter zitting gehoorde deskundigen

De deskundigen zijn gebleven bij de door [naam inrichting] respectievelijk de reclassering gegeven adviezen. Zij hebben verder aangegeven dat zij de regeling van de voorwaardelijke beëindiging zo interpreteren dat de voorwaardelijke beëindiging niet loopt tijdens de maatregel maar ingaat aansluitend op de beëindiging daarvan.

Het standpunt van de jeugdige en zijn raadsman

De jeugdige en zijn raadsman hebben primair verzocht om onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Er is geen sprake meer van een inhoudelijke invulling van de maatregel. Er zijn geen leermomenten meer voor de jeugdige en de gesprekken zijn minimaal. Op dit moment zijn de behandelgesprekken vanuit de reclassering ook minder frequent omdat de focus met name ligt op het vasthouden en uitbreiden van de, voor STP vereiste, dagbesteding van de jeugdige. Het recidiverisico is volgens de deskundigen laag. In de rapportages staat dat het risico matig is maar daar is geen onderbouwing voor. De jeugdige wil graag psycholoog worden, de maatregel vormt hierbij een belemmering.

Voor het geval het hof tot een ander oordeel zou komen, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat met de beslissing van de rechtbank de voorwaardelijke beëindiging per 30 maart 2015 is ingegaan en de maatregel derhalve per 30 maart 2016 zal eindigen. Een jaar STP en aansluitend nog een jaar in het kader van een voorwaardelijke beëindiging heeft geen toegevoegde waarde.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Onder verwijzing naar de (aanvullende) informatie van de kliniek heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. De maatregel moet ten minste een jaar voorwaardelijk zijn beëindigd voordat de jeugdige in aanmerking komt voor onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Hieraan zou in maart 2016 inhoud worden gegeven, deze voorwaardelijke beëindiging is niet reeds aangevangen. De inrichting volgt dezelfde redenering. Indien de rechtbank bij de laatste verlenging voorwaardelijke beëindiging zou hebben beoogd, had zij zich daar wel over uitgelaten.

Volgens de inrichting is een voorwaardelijke beëindiging prematuur. Er is nog geen aanvang gemaakt met de overdracht van de begeleiding van de inrichting naar de reclassering. Er is tijd nodig om de voorwaardelijke beëindiging invulling te geven en op gefaseerde wijze te laten aanvangen. Mocht het hof van mening zijn dat de maatregel niet moet worden verlengd, dan is er sprake van een voorwaardelijke beëindiging met terugwerkende kracht. Aangezien er dan al voorwaarden hadden moeten zijn, heeft de advocaat-generaal het hof verzocht algemene voorwaarden vast te stellen. De bijzondere voorwaarden dienen op grond van artikel 77tb, derde lid onder a van het Wetboek van Strafrecht door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf, te worden vastgesteld.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen te verlengen met een termijn van twaalf maanden. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het volgende.

Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 77t, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof alsnog vast dat behoudens verdere verlenging de maatregel, die is ingegaan op 23 maart 2012, op 23 maart 2017 onvoorwaardelijk zal eindigen.

Aangezien de jeugdige nog geen begin heeft gemaakt met zijn STP acht het hof het, nu - behoudens verdere verlenging - de voorwaardelijke beëindiging per 23 maart 2016 zal ingaan, van groot belang dat daarmee zo spoedig mogelijk een aanvang zal worden gemaakt.

Aanvang voorwaardelijke beëindiging van de maatregel en einde van de maatregel

Het hof ziet aanleiding in te gaan op de regeling van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, zoals deze is ingevoerd met de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818).

Ingevolge artikel 77s, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht geldt de maatregel voor drie jaar en eindigt deze na twee jaar voorwaardelijk, tenzij deze wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge artikel 77t, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht kan het openbaar ministerie niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, een vordering tot verlenging van de maatregel indienen. Na de initiële oplegging is dat derhalve voor het einde van het tweede jaar. Als de rechter op grond van die vordering de maatregel verlengt, schuift het moment waarop de voorwaardelijke beëindiging ingaat op met de termijn van de verlenging (en zo voorts). Ingevolge artikel 77t, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht eindigt de maatregel echter hoe dan ook voorwaardelijk aan het einde van het vierde jaar (totale duur maximaal vijf jaar) tenzij bij de jeugdige tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijk stoornis van de geestvermogens bestond, in welk geval de maatregel hoe dan ook voorwaardelijk eindigt aan het einde van het zesde jaar (totale duur maximaal zeven jaar).

Anders dan de deskundigen ter zitting veronderstelden, naar hun zeggen in navolging van het standpunt van de Dienst Justitiële Inrichtingen, is de maatregel dus ook tijdens de voorwaardelijke beëindiging van kracht, zij het dat aan het onvoorwaardelijke deel een einde is gekomen. De bepaling van artikel 77s, achtste lid onder c, van het Wetboek van Strafrecht leest het hof ook in die zin.

De regeling van de voorwaardelijke beëindiging van rechtswege van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan - anders dan een voorwaardelijke beëindiging door de rechter, zoals bij de terbeschikkingstelling - tot gevolg hebben dat de voorwaardelijke beëindiging met terugwerkende kracht ingaat. Dit kan zich met name voordoen als de rechtbank de vordering tot verlenging afwijst, terwijl deze beslissing na de einddatum van het - al dan niet eerder verlengde - onvoorwaardelijke deel wordt gegeven, en als dit hof in beroep de vordering tot verlenging alsnog afwijst of voor een kortere duur toewijst dan de rechtbank heeft gedaan. Het is daarom gewenst dat de inrichtingen en de reclassering hiermee bij hun advisering rekening houden en daarop in daarvoor in aanmerking komende gevallen anticiperen door een alternatief scenario te schetsen. Het is tevens gewenst dat het openbaar ministerie hierop anticipeert door in een vroegtijdig stadium hierover in contact te treden met de inrichting en de reclassering.

Het hof merkt op dat de wetgever met de invoering van de voorwaardelijke beëindiging die van rechtswege ingaat, heeft gekozen voor een regeling die in de praktijk tot complicaties kan leiden die niet in het belang zijn van de jeugdige, en die zich niet zouden voordoen bij een voorwaardelijke beëindiging door de rechter, zoals bij de terbeschikkingstelling.

Beslissing:

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2015 met betrekking tot de jeugdige [naam jeugdige] .

Aldus gedaan door

mr. E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. F.G. Bauduin als raadsheren,

en dr. A. Verheugt en drs. E.M.M. Mol als raden,

in tegenwoordigheid van mr. W.M. Valk als griffier,

en op 1 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken.

De raden en mr. Bauduin zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.