Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7374

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
200.165.808
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming voor verhuizing. Gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/24.15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.165.808 en 200.165.809

(zaaknummers rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 256008 en 263152)

beschikking van de familiekamer van 1 oktober 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L. Stam te Vught,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.A.J.A. Luijten te 's-Hertogenbosch.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 december 2014, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 27 februari 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 15 april 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 21 mei 2015;

- een journaalbericht van mr. Stam van 30 juli 2015 met bijlagen 16 tot en met 24,

ingekomen op die datum;

- een journaalbericht van mr. Luijten van 31 juli 2015 met bijlagen 23 tot en met 28,

ingekomen op die datum;

- een journaalbericht van mr. Stam van 3 augustus 2015 met bijlage 25, ingekomen op die

datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [A] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen is op 31 maart 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats], en [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Ter mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen in hoger beroep nog in geschil zijn de door de vrouw verzochte vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, de door de man verzochte ondertoezichtstelling, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede de gebruiksvergoeding en de verdeling van de gemeenschap van goederen.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - voor zover hier van belang - de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken en bepaald dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. Tevens heeft de rechtbank in die beschikking bepaald dat de vrouw gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking het recht heeft de woning aan de [adres] te [woonplaats] te blijven bewonen met voortgezet gebruik van de daartoe behorende zaken en inboedel. Voorts is bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 39,- per maand moet betalen ten titel van gebruiksvergoeding met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap. Daarnaast is bepaald dat het de vrouw verboden is om zich met de kinderen (naar het hof begrijpt:) buiten een straal van 25 kilometer van haar huidige woning te vestigen. Haar verzoek tot vervangende toestemming om naar [plaats] te verhuizen, is afgewezen. Ten slotte is in de beschikking de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen gelast.

4.2

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 10 december 2014. De grieven zien - voor zover thans nog van belang - op de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om te verhuizen, het aan de vrouw opgelegde verbod zich met de kinderen buiten een straal van 25 kilometer van de huidige woning te vestigen, alsmede de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen,

- voor zover de beschikking ziet op het aan haar opgelegd verbod om zich met de kinderen buiten een straal van 25 kilometer van de huidige woning te vestigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vrouw toestemming krijgt om in de zomer van 2015, althans zo spoedig mogelijk nadat de beschikking van het hof is gewezen, te verhuizen naar [plaats];

- voor zover de beschikking ziet op de verdeling van het saldo van de rekening van de vrouw en de resterende lening van het HuisVoordeelKrediet en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man gehouden is om aan de vrouw te betalen een bedrag van respectievelijk € 283,09 en € 3.324,38 binnen twee weken na de door het hof te geven beschikking.

4.3

De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft verzocht de vrouw in haar eerste grief niet-ontvankelijk te verklaren en haar overige grieven als ongegrond te verwerpen en haar verzoeken af te wijzen. De man is op zijn beurt met acht grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op het verbinden van een dwangsomsanctie aan het verbod voor de vrouw om zich met de kinderen buiten een straal van 25 kilometer van de huidige woning te vestigen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de ondertoezichtstelling van de kinderen, de gebruiksvergoeding, alsmede op de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen. De man heeft tevens zijn verzoek vermeerderd. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover hij daartegen heeft gegriefd, en opnieuw beschikkende:

1. te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 3:194 lid 2 BW haar aandeel in het saldo van haar bankrekening ([bankrekeningnummer]) op de peildatum heeft verbeurd en alsnog de verdeling van deze bankrekening vast te stellen, zodanig dat aan de man het gehele saldo op de peildatum toekomt, uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking door de vrouw aan de man te voldoen, te vermeerderen met de nadien te vervallen wettelijke rente;

2. te bepalen dat de vrouw alle bankafschriften vanaf 1 januari 2013 t/m heden van de verzwegen bankrekening ([bankrekeningnummer]) uiterlijk binnen twee weken na de datum van de te geven beschikking aan de man dient te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft;

3. te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 3:194 lid 2 BW haar aandeel in de erfenis van haar overleden moeder aan de man heeft verbeurd en, kort gezegd, te bepalen dat de gehele erfenis van de vrouw aan de man toekomt;

4. te bepalen, kort gezegd, dat de vrouw alle benodigde informatie ter vaststelling van de hoogte van haar erfdeel aan de man dient te verstrekken en bij gebreke van die informatie de erfenis van de vrouw te bepalen op € 6.867,-;

5. de ondertoezichtstelling uit te spreken over [kind 1] en [kind 2];

6. te bepalen dat het de vrouw verboden is om met de kinderen buiten een straal van 25 kilometer van de huidige woning van partijen te verhuizen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat zij het verbod overtreedt;

7. ( na vermeerdering van het verzoek:) met wijziging van artikel 8.2 van het door partijen op 16 oktober 2014 ondertekende ouderschapsplan, de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat de man voor de kinderen zorgt gedurende één lang weekend per veertien dagen vanaf woensdag 17.30 uur tot maandag 14.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;

8. te bepalen dat de vrouw ten titel van de gebruiksvergoeding primair met ingang van 17 februari 2014 en subsidiair met ingang van 10 december 2014, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, tot de datum waarop de vrouw de woning metterwoon heeft verlaten € 39,- per maand aan de man dient te betalen;

9. vast te stellen dat beide partijen gehouden zijn ieder voor de helft de schuld ter zake teveel ontvangen kinderopvangtoeslag 2012 te voldoen en te bepalen dat de vrouw daarvoor € 224,- aan de man dient te betalen uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking, te vermeerderen met de nadien te vervallen wettelijke rente;

10. primair (kort gezegd): de man te machtigen (artikel 3:299 BW) zelf te bewerkstelligen dat het aandeel van de vrouw in de gemeenschappelijke woning aan hem wordt geleverd;

subsidiair (kort gezegd): te bepalen dat de vrouw uiterlijk op (het hof begrijpt:) 1 september 2015 haar volledige medewerking dient te verlenen aan de overdracht, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat zij nalaat haar volledige medewerking te verlenen en/of in gebreke blijft aan het voorgaande te voldoen.

4.4

De vrouw heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep. Zij heeft het hof verzocht de grieven in het incidenteel hoger beroep van de man, met uitzondering van grief VII, als ongegrond te verwerpen en de verzoeken van de man af te wijzen en met inachtneming van de gestelde nieuwe feiten en omstandigheden:

a. te bepalen dat de man de gegevens van de Binckbankrekening geopend met rekeningnummer [0000000] en bij de ABN AMRO bank met rekeningnummer [bankrekeningnummer] op naam van [kind 1] over de periode van 1 januari 2012 tot en met heden dient over te leggen en het bedrag van € 3.704,78 binnen vier weken op [kind 1]'s rekening dient te storten;

b. in het geval de man niet wil erkennen dat de erfenis van de vrouw met uitsluiting is verkregen, in de overwegingen vast te stellen dat de erfenis met uitsluiting is verkregen en de man daar geen aanspraak op kan maken;

c. de gebruiksvergoeding die de vrouw aan de man moet betalen met ingang van primair 17 februari 2014, dan wel subsidiair vanaf 10 december 2014, althans op een datum die het hof juist acht, op nihil te stellen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Partijen zijn het er over eens dat het hof geen acht dient te slaan op productie 35 bij de brief van mr. Stam aan de rechtbank van 7 oktober 2014 (overgelegd bij het beroepschrift achter tabblad I). Het hof zal hier conform de wens van partijen geen acht op slaan.

5.2

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw haar grief I (in het principaal hoger beroep) met betrekking tot de ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingetrokken, zodat deze grief geen nadere bespreking behoeft.

Ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming

(zaaknummer 200.165.808)

5.3

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank, en in hoger beroep het hof, worden voorgelegd.

5.4

Uit het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 BW volgt dat het hof een zodanige beslissing dient te nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.5

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

5.6

De vrouw verzoekt het hof om het door de rechtbank opgelegde verhuisverbod op te heffen en haar alsnog vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met de kinderen naar [plaats]. De vrouw handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat zij belang heeft bij de verhuizing. De vrouw voert aan dat zij met haar nieuwe partner een nieuw leven wil opbouwen. Haar nieuwe partner heeft een co-ouderschap met zijn ex-partner en heeft een baan bij de gemeente en is daarom aan de regio [plaats] gebonden. Daarnaast komt de vrouw oorspronkelijk uit [plaats] en heeft zij altijd al een diepgewortelde wens gehad om terug te keren naar haar geboorteplaats. In [plaats] kan zij voorts terugvallen op een uitgebreid sociaal netwerk van familieleden van haar en haar partner en vrienden, hetgeen zij in [woonplaats] niet kan. De vrouw zal de aan partijen toebehorende woning in [woonplaats] moeten verlaten en komt niet in aanmerking voor een sociale huurwoning. Zij heeft wel direct woonruimte bij haar nieuwe partner. De omgeving van [plaats] is voor [kind 1] en [kind 2] niet nieuw. Zij verblijven er al regelmatig in het weekend en kunnen goed opschieten met de kinderen van de nieuwe partner van de vrouw. [kind 1] en [kind 2] zijn sociale, sterke, flexibele en gezonde kinderen en zullen snel vriendjes kunnen maken in [plaats] en het ook daar goed doen op school. De communicatie tussen de man en de vrouw verloopt heel stroef. De man stelt wel dat hij een uitbreiding van de omgang wil, maar komt niet met concrete plannen. De vrouw heeft de verhuizing goed voorbereid en heeft de man een ruime compensatie aangeboden voor de vermindering van de contactmomenten door de verhuizing. In het kader van de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing heeft de vrouw aangeboden de kinderen uit [woonplaats] op te halen en hen desgewenst tot halverwege terug te brengen. Zij heeft geregeld dat zij op detacheringsbasis aan de slag kan bij de [werkgever], met de mogelijkheid dat zij daar na de detachering zou kunnen blijven.

5.7

De man stelt dat zijn belang en het belang van de kinderen dienen te prevaleren boven het belang van de vrouw. De man vreest dat hij door de verhuizing minder contact met de kinderen zal hebben en minder betrokken zal zijn bij hun leven. Door de eventuele verhuizing zal de reisafstand tussen de verblijfplaats van de kinderen en die van de man aanzienlijk toenemen. Volgens de man is de reistijd tussen [plaats] en [woonplaats] 1 uur en 32 minuten en als het druk is op de weg eerder 1 uur en 45 minuten. Op dit moment wonen partijen beiden in [woonplaats] en kan de man de vrouw helpen bij het halen en brengen naar school. De man ziet de kinderen iedere twee weken een lang weekend vanaf donderdag rond 17.30 uur (vaak haalt hij hen echter al rond 15.00 uur op) tot en met de zondag. De man zou het liefst willen toewerken naar een co-ouderschap in de toekomst en vraagt in dit geding uitbreiding van de zorgregeling. Door een verhuizing van de moeder met de kinderen behoort deze uitbreiding van de zorgregeling en een co-ouderschap in de toekomst niet meer tot de mogelijkheden, hetgeen niet in het belang is van de man en de kinderen. Ook spontane contactmomenten met de kinderen zullen vrijwel onmogelijk worden. De man voert voorts aan dat een verhuizing niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] is, omdat zij bij hem hebben aangegeven dat zij zich in [plaats] buitengesloten voelen, vooral omdat zij het daar gesproken dialect niet beheersen. De door de vrouw geboden compensatie van acht extra dagen per jaar (de acht studiedagen op school), is niet werkbaar voor de man, omdat hij dan acht extra vrije dagen per jaar zou moeten opnemen die hij niet heeft. Bovendien biedt de vrouw geen financiële compensatie voor de door de man (ook in het voorstel van de vrouw) te maken kilometers, aldus de man.

5.8

Het hof is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het belang van de vrouw om te verhuizen naar [plaats] met name is ingegeven door haar persoonlijke wens met haar nieuwe partner een nieuw leven op te bouwen. De vrouw heeft in haar huidige woonplaats [woonplaats] een vaste dienstbetrekking bij de [werkgever]. De vrouw komt oorspronkelijk uit [plaats], maar inmiddels woont zij al circa 26 jaar in [woonplaats], zodat het hof het - gelet op de gemotiveerde betwisting door de man - niet aannemelijk acht dat zij geen (enkel) sociaal netwerk heeft opgebouwd in [woonplaats].

5.9

Een verhuizing van de vrouw met [kind 1] en [kind 2] naar [plaats] is daartegenover niet in het belang van de man en van de kinderen. Door de verhuizing zal de thans bestaande minimale reisafstand voor de kinderen veranderen in een reisafstand van in ieder geval 1 uur en 32 minuten. De verhuizing zal er toe leiden dat de rol van de man in het dagelijkse leven van [kind 1] en [kind 2] aanzienlijk zal verminderen. De thans bestaande zorgregeling zal dan in duur moeten worden bekort en van spontane contactmomenten kan dan nauwelijks meer sprake zijn. Een uitbreiding van de zorgregeling, zoals de man wenst, behoort niet meer tot de mogelijkheden.

5.10

Het belang van de man en dat van de kinderen bij een uitgebreid contact met elkaar weegt voor het hof zwaarder dan het belang van de vrouw om naar [plaats] te verhuizen. Het hof acht hierbij van betekenis dat [kind 1] en [kind 2] stabiele, vrolijke kinderen zijn die op dit moment hun beide ouders redelijk vaak zien. Zij hebben in [woonplaats] hun vertrouwde omgeving en hebben het goed in de omgangsweekenden bij hun vader. Ook bestaat op dit moment de mogelijkheid van spontane contactmomenten buiten de omgangsweekenden om. Naar het oordeel van het hof zal een verhuizing van de vrouw met [kind 1] en [kind 2] resulteren in een onaanvaardbare beperking van het contact tussen de man en de kinderen. Een goede communicatie tussen de ouders ontbreekt en gelet op de moeizame onderlinge communicatie bestaat een aanmerkelijk risico dat [kind 1] en [kind 2] bij een verhuizing naar [plaats] het contact met de man (gedeeltelijk) gaan verliezen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de relatie van de vrouw met haar nieuwe partner nog van relatief korte duur is. Voorts is de mogelijkheid van een detachering bij de [werkgever], weliswaar toegezegd aan de vrouw, maar dit biedt geen zekerheden voor de periode na afloop van de detachering. Dat de vrouw in de buurt van [woonplaats] geen woning zal kunnen vinden, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden, mede in aanmerking genomen dat de vrouw desgevraagd ter mondelinge behandeling heeft verklaard tot op heden niet intensief naar een koopwoning in (de buurt van) [woonplaats] te hebben gezocht.

5.11

Onder verwijzing naar het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om met [kind 1] en [kind 2] naar [plaats] te verhuizen, moet worden afgewezen.

5.12

Het hof merkt nog op dat voor zover de vrouw zich met de grieven II en III in het principaal hoger beroep heeft gericht tegen het door de rechtbank opgelegde verhuisverbod om zich met de kinderen te vestigen buiten een straal van 25 kilometer van haar huidige woning, zij deze grieven heeft gekoppeld aan het verzoek haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing naar [plaats]. Nu dit verzoek zal worden afgewezen, behoeven voornoemde grieven geen nadere bespreking meer. De grieven II en III in het principaal hoger beroep falen.

5.13

De man komt met zijn grief IV in het incidenteel hoger beroep op tegen het feit dat de rechtbank geen dwangsomsanctie heeft verbonden aan het verbod voor de vrouw om zich met de kinderen te vestigen buiten een straal van 25 kilometer van haar huidige adres. Hij verzoekt het hof aan dit verbod alsnog een dwangsom te verbinden. Het hof volgt de man niet in zijn verzoek. Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding om te vrezen dat de vrouw, ondanks de afwijzing van haar verzoek tot vervangende toestemming en het haar opgelegde verbod, toch zal verhuizen naar [plaats] dan wel een andere plaats buiten een straal van 25 kilometer van haar huidige adres. De vrouw heeft de stelling van de man dat moet worden gevreesd dat zij toch zal verhuizen, gemotiveerd betwist en de man heeft zijn standpunt tegenover deze gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. Grief IV in het incidenteel hoger beroep faalt dan ook.

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de verzochte ondertoezichtstelling

(zaaknummer 200.165.808)

5.14

De man heeft, na vermeerdering van zijn verzoek, verzocht de tussen hem en [kind 1] en [kind 2] geldende zorgregeling uit te breiden naar een lang weekend in de twee weken van woensdag 17.30 uur tot maandagmiddag 14.00 uur. De man stelt met zijn werkgever te hebben geregeld dat hij de ene week vijf dagen in de week kan werken en de andere week slechts drie dagen.

5.15

De vrouw heeft hiertegenover aangevoerd dat de man weliswaar stelt dat hij een uitbreiding van de zorgregeling wil, maar dat hij dit naar haar mening slechts aanvoert om een verhuizing van haar en de kinderen naar [plaats] tegen te gaan. Hij vraagt slechts een uitbreiding op de momenten dat de kinderen toch naar school gaan. Volgens de vrouw is het in het belang van de kinderen, en vinden zij dit zelf ook prettiger, dat zij op de zondagavond weer thuis komen, zodat zij in alle rust en met de juiste tassen en spullen op maandag naar school kunnen gaan.

5.16

De vrouw heeft de gegrondheid van haar stellingname dat de man de uitbreiding van de zorgregeling zoals deze is opgenomen in het ouderschapsplan slechts heeft verzocht in het kader van de discussie over de verhuizing, onvoldoende aannemelijk gemaakt. De man heeft aangevoerd dat hij reeds direct na het feitelijk uiteengaan van partijen kenbaar heeft gemaakt een co-ouderschap te wensen en dat hij dit nadien nog een aantal malen heeft bevestigd. In zijn brief aan de vrouw van 18 april 2014 schrijft hij bezig te zijn daarvoor een passende baan te vinden. De man heeft in hoger beroep een verklaring van zijn werkgever overgelegd, waaruit blijkt dat de werkgever ermee instemt dat hij in de ene week vijf dagen werkt en in de andere week drie. Daarmee heeft de man voldoende mogelijkheden om de kinderen eenmaal in de twee weken reeds op woensdag 17.30 uur op te vangen. Het hof zal de zorgregeling dan ook, conform het verzoek van de man, op woensdag 17.30 uur laten ingaan. Het hof deelt echter het standpunt van de vrouw dat het niet in het belang van de kinderen is de zorgregeling pas te laten eindigen op maandag in plaats van zondagavond. Een wisselmoment op de maandag noodzaakt de kinderen ertoe hun tassen van het omgangsweekend mee naar school te nemen en veroorzaakt onrust in de aanvang van de schoolweek. De door de man verzochte uitbreiding van het omgangsweekend naar de maandagmiddag 14.00 uur zal dan ook worden afgewezen. Gelet op het voorgaande zal het hof bepalen dat [kind 1] en [kind 2] eenmaal per veertien dagen bij de man verblijven vanaf woensdag 17.30 uur tot zondagavond 19.00 uur. Grief V in het incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk.

5.17

Voor zover de man nog om een ondertoezichtstelling van de kinderen heeft verzocht, is het hof van oordeel dat dit verzoek reeds afstuit op artikel 362 Rv, waarin is bepaald dat in hoger beroep geen zelfstandig verzoek kan worden gedaan. Grief III in het incidenteel hoger beroep faalt.

Ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap van goederen

(zaaknummer 200.165.809)

Bankrekeningen

5.18

De vrouw heeft zich met grief IV in het principaal hoger beroep op het standpunt gesteld dat de man vlak voor het uiteengaan van partijen zonder haar instemming bedragen van haar rekening heeft gehaald. Het gaat om een bedrag van € 690,- op 22 november 2013 en om een bedrag van € 500,- op 24 november 2013. De vrouw heeft vervolgens op 25 november 2013 een bedrag van € 623,81 van de bankrekening van de man gestort op haar eigen rekening. De man heeft volgens de vrouw door de opname van in totaal € 1.190,- de gemeenschap benadeeld. De vrouw verzoekt het hof de man uit dien hoofde te veroordelen tot betaling van (1/2 x (€ 1.190 - € 623,81) =) € 283,09.

De man betwist dat hij de gemeenschap heeft benadeeld. Hij heeft aangevoerd dat partijen vanaf 1 november 2013 niet meer samenwoonden en dat hij zijn automatische bijdrage aan de hypotheeklasten (2 x € 500,- voor november en december 2013) heeft teruggestort. Ook heeft hij de onkostenvergoeding van zijn werkgever van tweemaal € 95,- per maand, die tot en met november 2013 op de bankrekening van de vrouw werden gestort, laten terugstorten naar zijn rekening. Het betreft transacties van vóór de peildatum 12 december 2013. Het saldo van zijn bankrekening waarop de bewuste bedragen zijn teruggestort is op de peildatum door de rechtbank verdeeld, aldus de man.

5.19

Het hof oordeelt als volgt. De door de man opgenomen bedragen betroffen gemeenschapsgeld, waarover hij mocht beschikken. Bovendien heeft de man inmiddels verklaard waarom hij deze bedragen heeft opgenomen, dan wel (terug)gestort naar zijn eigen rekening. Het op de peildatum bestaande saldo van de rekening van de man, welke rekening door deze transacties is gevoed, is door de rechtbank verdeeld. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de man op onrechtmatige wijze gelden heeft onttrokken aan de gemeenschap. Voorzover de vrouw nog heeft bedoeld te stellen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden uitgegaan van een andere peildatum dan 12 december 2013, ziet het hof in de argumenten van de vrouw geen aanleiding om van deze peildatum af te wijken. Grief IV in het principaal hoger beroep faalt.

5.20

De man heeft in zijn grief I in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de bankrekening bij de Rabobank met nr. [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw ten onrechte niet bij de verdeling is betrokken. Volgens de man heeft de vrouw haar aandeel in het saldo van deze rekening op de peildatum verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. De vrouw heeft ontkend deze bankrekening bewust te hebben verzwegen. Zij heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij heeft gehandeld toen zij merkte dat de man gelden van haar rekening, waaronder haar dertiende maand, aan het opnemen was. Zij heeft toen ook gelden van de rekening van de man opgenomen en heeft dit willen “wegzetten” tot alles was geregeld. Genoemde rekening is een spaarrekening die zij op 25 november 2013 heeft geopend. Op de peildatum stond er slechts € 623,81 op en pas later (na de peildatum) is zij de spaarrekening gaan gebruiken om op te sparen.

5.21

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de vrouw voornoemde rekening bij de Rabobank opzettelijk heeft verzwegen, zodat geen aanleiding bestaat om te bepalen dat de vrouw haar aandeel in het saldo op de peildatum heeft verbeurd.

Met betrekking tot de hoogte van het saldo op de bewuste rekening overweegt het hof als volgt. Uit het door de vrouw in het geding gebrachte mutatieoverzicht van de bewuste rekening van 20 april 2015 blijkt dat op die rekening als eerste storting is bijgeschreven een bedrag van € 623,81, te weten op 25 november 2013, en dat de daaropvolgende mutatie betreft een bijschrijving van rente op 1 januari 2014 van € 0,75. Hieruit volgt dat op de peildatum 12 december 2013 het saldo € 623,81 bedroeg. Gelet op het voorgaande zal het hof de bewuste bankrekening toedelen aan de vrouw onder de bepaling dat de vrouw de helft van dit saldo, derhalve € 311,91 aan de man dient te voldoen, een en ander zoals in het dictum nader omschreven. De conclusie is dat grief I van de man gedeeltelijk slaagt.

De man heeft onder 2 van het petitum van zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep kort gezegd verzocht te bepalen dat de vrouw hem alle bankafschriften betreffende de bewuste rekening vanaf 1 januari 2013 tot heden dient te verstrekken. Hij heeft dit verzoek ter mondelinge behandeling evenwel ingetrokken. Op dit verzoek behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

5.22

De vrouw heeft zich in het kader van haar verweer tegen grief I van de man nog op het standpunt gesteld dat de man vanaf 1 januari 2011 tot en met november 2013 een bedrag van € 3.704,78 heeft onttrokken aan een BinkcBankrekening van [kind 1]. Zij heeft in dit kader in haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep verzocht te bepalen dat de man de gegevens dient over te leggen met betrekking tot deze rekening over de periode van 1 januari 2012 tot heden en dat hij het bedrag van € 3.704,78 binnen vier weken op de rekening van [kind 1] dient terug te storten. De man heeft in reactie daarop uiteengezet wat met het geld op de rekening is gebeurd en heeft aangevoerd dat van een eenzijdige onttrekking geen sprake is geweest. De gegrondheid van het verzoek van de vrouw is daarmee niet komen vast te staan, zodat het hof dit verzoek reeds om die reden zal afwijzen.

Schulden

5.23

De vrouw heeft zich in haar grief V van het principaal hoger beroep (naar het hof begrijpt:) met betrekking tot het Rabo HuisVoordeelKrediet op het volgende standpunt gesteld. Volgens de vrouw heeft de rechtbank terecht bepaald dat de omvang van de schuld dient te worden vastgesteld op de datum van de beschikking van de rechtbank (€ 3.244,38) omdat met deze schuld aan de zijde van de vrouw rekening is gehouden bij het berekenen van de kinderalimentatie in het kader van de voorlopige voorzieningen, maar dient de man haar niet slechts de helft van de op 10 december 2014 resterende schuld te vergoeden, maar het volledige bedrag. Volgens de vrouw heeft de man op 24 november 2013 een bedrag van € 5.000,- opgenomen en heeft hij dit bedrag niet aan het gezin besteed. Zij voert aan dat hier van benadeling van de gemeenschap sprake is.

De man stelt dat hij dit bedrag vóór de peildatum heeft opgenomen en heeft besteed aan huur en inrichting van zijn nieuwe woning.

5.24

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 1:100 lid 1 BW hebben partijen in beginsel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap. Uitgangspunt is daarbij dat partijen (in hun interne rechtsverhouding) in beginsel ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de tot de gemeenschap behorende schulden. Partijen hebben met betrekking tot het Rabo HuisVoordeelKrediet geen afwijkende draagplicht afgesproken. Nu de man het bedrag van € 5.000,- heeft opgenomen vóór de peildatum is er sprake van een gemeenschapsschuld. De man mocht deze schuld aangaan en heeft ook verklaard waar hij het opgenomen bedrag aan heeft besteed. Het hof ziet in de argumenten van de vrouw onvoldoende aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid uit te gaan van een andere verdeling van de (interne) draagplicht (dan bij helfte). Het enkele feit dat de man de gelden niet aan de overige gezinsleden heeft besteed, is daarvoor onvoldoende. Van de door de vrouw gestelde benadeling van de gemeenschap is geen sprake. Grief V in het principaal hoger beroep faalt.

5.25

Partijen zijn het er over eens dat de vrouw de helft van de (nog niet eerder in de verdeling betrokken) schuld aan de Belastingdienst ter zake van teveel ontvangen kinderopvangtoeslag 2012, zijnde (1/2 x € 448 =) € 224,-, dient te dragen. De vrouw heeft aangevoerd de daarop betrekking hebbende grief VII van de man in het incidenteel hoger beroep niet te bestrijden. Deze grief slaagt derhalve. Het hof zal het door de man op dit punt verzochte toewijzen, zoals in het dictum nader omschreven.

Nalatenschap moeder van de vrouw

5.26

De man heeft zijn grief II in het incidenteel hoger beroep met betrekking tot de erfenis van de moeder van de vrouw ter mondelinge behandeling ingetrokken, evenals zijn daarmee samenhangende verzoeken onder 3 en 4 van het petitum van zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep. Deze grief en de bewuste verzoeken behoeven derhalve geen nadere bespreking.

Verdeling en levering woning

5.27

De rechtbank heeft bepaald dat de gemeenschappelijke woning aan de man zal worden toegedeeld uiterlijk zes maanden na inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap dan wel zoveel eerder als partijen overeenkomen. De man heeft met betrekking tot zijn grief VIII in het incidenteel hoger beroep, kort gezegd, primair verzocht om op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd te worden om zelf de levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan hem te bewerkstelligen. Ter mondelinge behandeling heeft hij dit primaire verzoek ingetrokken. Zijn subsidiaire verzoek om te bepalen dat de vrouw uiterlijk op 1 september 2015 haar volledige medewerking dient te verlenen aan de levering, op straffe van een dwangsom, heeft hij gehandhaafd.

5.28

Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft zich bereid verklaard om haar medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke overdracht, zes maanden na inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, op 1 oktober 2015. Het hof ziet vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de vrouw op die datum niet mee zal werken aan de overdracht van haar aandeel in de gemeenschappelijke woning aan de [adres] te [woonplaats]. Het hof ziet geen aanleiding te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen noch om haar een dwangsomsanctie op te leggen. Grief VIII van de man faalt.

Ten aanzien van de gebruiksvergoeding

(zaaknummer 200.165.809)

5.29

De man richt zich met grief VI in het incidenteel hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat er slechts reden is voor het toekennen van een gebruiksvergoeding ad € 39,- per maand aan de man ten laste van de vrouw vanaf de datum van inschrijving van de beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap. De man stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 3:169 BW (jo artikel 3:189 lid 2 BW) een gebruiksvergoeding van de vrouw kan worden gevraagd vanaf primair de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen, 17 februari 2014, en subsidiair vanaf 10 december 2014, de datum van de beschikking van de rechtbank.

5.30

Het hof is van oordeel dat ook in een geval als het onderhavige waarin de vrouw in het kader van voorlopige voorzieningen het exclusief gebruik van de gemeenschappelijke woning ten behoeve van haar en de kinderen toegewezen heeft gekregen, van de vrouw een gebruiksvergoeding kan worden gevraagd voor de periode tot aan inschrijving van de beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap. De man heeft er in beginsel recht op schadeloos te worden gesteld voor het feit dat hij verstoken blijft van het gebruik en het genot van de woning waarop hij als mede-eigenaar rechtens aanspraak kan maken. Een gebruiksvergoeding kan ook in het kader van de procedure tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen worden toegekend als daartoe naar aanleiding van de omstandigheden van het geval aanleiding bestaat (zie o.m. HR 15 oktober 1993, NJ 1994, 63). Echter, in het onderhavige geval is een verzoek tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding in het kader van de voorlopige voorzieningen niet gedaan en kennelijk is ter zake van zo’n vergoeding ook geen voorbehoud gemaakt. Wel hebben partijen blijkens de beschikking voorlopige voorzieningen volledige overeenstemming bereikt over de inhoud van de voorzieningen. De vrouw heeft er in haar stukken, zoals nader toegelicht ter zitting, op gewezen dat een claim ter zake van een gebruiksvergoeding van betekenis zou zijn geweest bij de afspraken over de voorlopige kinderalimentatie, temeer nu die afspraken tevens inhielden dat de kinderalimentatie was gekoppeld aan de schuld ter zake van het Rabo HuisVoordeelKrediet en dat de vrouw de maandelijkse aflossings- en renteverplichting betreffende deze schuld voor haar rekening zou nemen. Naar het oordeel van het hof staat het feit dat partijen destijds volledige overeenstemming hebben bereikt omtrent hetgeen (kort gezegd) voor de duur van de procedure zou gelden op het punt van de kinderalimentatie en het exclusief gebruik van de woning, in de weg aan de latere claim van de man om alsnog een vergoeding voor het gebruik van de woning te ontvangen. Als de man een vergoeding voor het exclusief gebruik van de woning had willen hebben, had hij dit destijds in het overleg omtrent het gebruik van de woning en de voorlopige kinderalimentatie behoren in te brengen, zodat dit in dat overleg had kunnen worden meegenomen. Redelijkheid en billijkheid staan aan een claim achteraf in de weg. Grief VI van de man in het incidenteel hoger beroep faalt.

5.31

Het hof gaat voorbij aan de door de vrouw in haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingenomen stelling dat bij de berekening van de gebruiksvergoeding rekening moet worden gehouden met de maandelijkse vergoeding van € 90,- die de man van zijn werkgever zou ontvangen. Volgens de vrouw ontvangt de man deze vergoeding voor het ter beschikking stellen van de bij de woning horende garage voor (zo begrijpt het hof:) de opslag van goederen. De man betwist dat zijn werkgever hem daarvoor nog betaalt. Hij voert aan dat dit sinds 2014 niet meer het geval is en heeft ten bewijze daarvan een verklaring van de werkgever overgelegd. De vrouw heeft tegenover deze betwisting niet aannemelijk gemaakt dat dit nog wel het geval is. Reeds op die grond wordt aan de bewuste stelling voorbij gegaan en het verzoek van de vrouw onder c van het petitum van haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep afgewezen.

6 De slotsom

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft grief I in het principaal hoger beroep geen bespreking en falen de grieven II tot en met V. In het incidenteel hoger beroep behoeft grief II geen bespreking, slaagt grief VII, slagen de grieven I en V gedeeltelijk, en falen de grieven III, IV, VI en VIII. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen en de beschikking op een aantal punten aanvullen, waaronder een wijziging in het aan de beschikking gehechte ouderschapsplan.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen geregistreerd partner van elkaar zijn geweest en de procedure de uit dat partnerschap geboren kinderen betreft, alsmede de vermogensrechtelijke afwikkeling van dat partnerschap.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 december 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en vult de beschikking op de navolgende punten aan:

wijzigt het aan de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 december 2014 gehechte ouderschapsplan, in die zin dat onder 8.2, eerste bullet, heeft te gelden dat de kinderen contact hebben met de niet-dagelijkse verzorgende ouder één maal per veertien dagen vanaf woensdag 17.30 uur tot zondag 19.00 uur;

deelt aan de vrouw toe de bankrekening bij de Rabobank met het nummer [bankrekeningnummer] en bepaalt dat ter zake van deze toedeling de vrouw aan de man € 311,91 dient te voldoen uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking van het hof, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na deze beschikking van het hof tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat beide partijen zijn gehouden om ieder voor de helft de schuld ter zake teveel ontvangen kinderopvangtoeslag 2012 te dragen en bepaalt dat de vrouw hiervoor aan de man voldoet een bedrag ad € 224,- uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking van het hof, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na deze beschikking van het hof tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T.M. Blankestijn, P.M.M. Mostermans en R. Feunekes, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, en is op 1 oktober 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.