Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7328

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
200.171.867/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Gedwongen verkoop woning. Executiegeschil. Ondanks dat woning inmiddels is geveild, nog wel (spoedeisend) belang aanwezig. Bank heeft zich niet onredelijk opgesteld. Geen rechtsplicht voor de bank om een betalingsregeling voor te stellen. Klacht dat de bank geen betalingsregeling heeft voorgesteld, stuit ook af op de feiten. Niet onredelijk dat de bank niet heeft ingestemd met het voorstel van de debiteur dat neerkomt op afbetaling van de schuld gedurende meer dan negen jaar. Geen misbruik van executiebevoegdheid door de bank.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 3 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2016/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.171.867/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/142160 / KG ZA 15-143)

arrest van 29 september 2015 in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.G. Schaap, kantoorhoudend te Sneek, die ook heeft gepleit,

tegen

SNS Bank N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: SNS Bank,

advocaat: mr. R.H.J. van Houts, kantoorhoudend te Utrecht, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg heeft [appellant] in kort geding gevorderd (samengevat) dat het SNS Bank wordt verboden om over te gaan tot het executoriaal veilen van de woning van [appellant] aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) op straffe van verbeurte van een dwangsom, met nevenvorderingen.

1.2

Bij vonnis van 19 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) de vorderingen afgewezen en [appellant] verwezen in de proceskosten van SNS Bank. In het vonnis van 19 juni 2015 is slechts de beslissing van de voorzieningenrechter opgenomen, waarbij is vermeld dat de uitgewerkte beoordeling zal volgen op 1 juli 2015. Het uitgewerkte vonnis is aan partijen verzonden op 30 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 22 juni 2015 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 19 juni 2015. De conclusie van de appeldagvaarding (met producties), waarin de grieven zijn opgenomen, strekt ertoe (samengevat) dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en:

Primair: dat SNS Bank wordt verboden de voorgenomen executieveiling doorgang te laten vinden op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 500.000,-;

Subsidiair: SNS Bank de veiling te laten schorsen en een betalingsregeling te treffen met [appellant] , eventueel te verrekenen met de vordering van € 5.000,- voor teveel gevorderde rente;

Meer subsidiair: een voorziening te treffen die het hof geraden acht;

met veroordeling van SNS Bank in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2

[appellant] heeft van eis geconcludeerd conform de appeldagvaarding.

2.3

Bij memorie van antwoord (met één productie) heeft SNS Bank verweer gevoerd met conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] , dan wel tot bekrachtiging van het aangevallen vonnis en tot veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] drie producties overgelegd. Het hof heeft hiervan akte verleend nadat SNS Bank heeft aangegeven geen bezwaar te maken. De advocaten van partijen hebben pleitnotities overgelegd. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd, te wijzen op het pleitdossier.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de navolgende feiten, die uit de stellingen van partijen als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, aannemelijk zijn geworden.

3.2

[appellant] heeft op 27 maart 1998 een hypothecaire geldlening afgesloten met (de rechtsvoorganger van) SNS Bank ter grootte van ƒ 280.000,- (€ 127.058,40). Het betreft een aflossingsvrije lening met een rentevaste periode van (laatstelijk) één jaar. Ten gunste van SNS Bank is het recht van eerste hypotheek gevestigd op de woning te [woonplaats] voor een bedrag van ƒ 350.000,- (€ 158.823,-).

3.3

Door het afsluiten van een tweede en derde hypothecaire geldlening bij de Rabobank (met betrekking tot een woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] ) is [appellant] in de financiële problemen gekomen. Vanaf 2005 is sprake van geringe achterstanden in de maandelijkse rentebetalingen aan SNS Bank. Deze betalingsachterstanden hebben vanaf maart 2012 een structureel karakter gekregen.

3.4

SNS Bank heeft [appellant] bij brief van 30 april 2014 gesommeerd tot betaling van de resterende schuld van € 138.270,07. Indien [appellant] hiertoe niet binnen zeven dagen overgaat, zal SNS Bank de notaris opdragen de woning te veilen. [appellant] heeft het gevraagde bedrag niet voldaan.

3.5

Naar aanleiding van een gesprek met [appellant] en zijn raadsvrouwe heeft SNS Bank bij brief van 3 juni 2014 aan [appellant] meegedeeld dat de betalingsachterstand per 30 mei 2014 € 11.281,85 bedraagt. [appellant] wordt in de brief gevraagd om een volledig ingevuld en ondertekend inkomsten/uitgavenformulier met alle relevante bijlagen. Zonder ontvangst van deze stukken kan SNS Bank geen aanbod doen om tot een goede oplossing voor de betalingsachterstand te komen, aldus de brief.

3.6

De raadsvrouwe van [appellant] heeft SNS Bank bij e-mail van 5 september 2014 voorgesteld dat [appellant] € 75,- extra aflost naast de maandelijke betalingsverplichting van € 480,-. De in 3.5 bedoelde informatie is zijdens [appellant] op 23 september 2014 aan SNS Bank verzonden.

3.7

Het in 3.6 bedoelde voorstel is door SNS Bank bij brief van 2 oktober 2014 van de hand gewezen. In de brief is [appellant] verder meegedeeld dat de betalingsachterstand inmiddels € 13.997,92 bedraagt en dat SNS Bank heeft besloten dat de woning van [appellant] verkocht dient te worden teneinde een hoge restschuld en verder oplopende betalingsachterstanden te voorkomen.

3.8

Op 11 januari 2015 heeft [appellant] met de Rabobank een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij [appellant] aan de Rabobank volmacht heeft verleend om de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] onderhands te verkopen. Na uitvoering van deze overeenkomst hebben [appellant] en de Rabobank elkaar over en weer finale kwijting verleend, waarbij de restschuld van [appellant] aan de Rabobank is kwijtgescholden.

3.9

In januari en februari 2015 heeft nadere (e-mail) correspondentie plaatsgevonden tussen (de raadsvrouwe van) [appellant] en SNS Bank. Laatstgenoemde heeft op 21 januari 2015 opnieuw voldoening van de totale lening en de betalingsachterstanden geëist. [appellant] heeft volhard in zijn standpunt dat hij door middel van een betalingsregeling zijn achterstanden kan voldoen. SNS Bank deelt dit standpunt niet en dringt aan op verkoop van de woning, bij voorkeur onderhands. Indien [appellant] niet meewerkt aan taxatie en onderhandse verkoop van de woning of de volledige betalingsachterstand ineens voldoet, zal SNS Bank overgaan tot executoriale verkoop van de woning, zo stelt zij.

3.10

[appellant] heeft de betaling van de reguliere maandelijkse renteverplichtingen in februari 2015 hervat, maar hij heeft geen medewerking verleend aan taxatie van de woning en/of onderhandse verkoop daarvan.

3.11

De advocaat van [appellant] heeft bij e-mail van 24 april 2015 het voorstel gedaan om de betalingsachterstand af te lossen door middel van een maandelijkse betaling van € 150,- naast de maandelijkse renteverplichtingen. SNS Bank heeft dit voorstel bij e-mail van 1 mei 2015 van de hand gewezen.

3.12

[appellant] heeft geen betalingen gedaan ter vermindering van de betalingsachterstand, die laatstelijk meer dan € 17.000,- bedroeg.

3.13

Nadat de voorzieningenrechter op 19 juni 2015 vonnis heeft gewezen, is de woning op 24 juni 2015 geveild. Daags daarna, op 25 juni 2015, heeft SNS Bank de woning gegund aan de heer [X] , die een bod van € 171.000,- op de woning heeft uitgebracht. Van deze gunning is een akte opgemaakt

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft twee grieven ontwikkeld, waarmee hij opkomt tegen de afwijzing van zijn vorderingen door de voorzieningenrechter. Volgens grief I heeft de voorzieningenrechter miskend dat een openbare verkoop een ultimum remedium is. Aangezien [appellant] zijn verplichtingen kan nakomen, is een openbare verkoop van de woning in zijn geval een te zwaar middel en onredelijk. Met grief II klaagt [appellant] erover dat de voorzieningenrechter niet volledig heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. De voorzieningenrechter heeft niet doorgevraagd op stukken waarvan [appellant] heeft gesteld dat zij hem onbekend zijn. Eveneens ten onrechte heeft de voorzieningenrechter SNS Bank er niet op aangesproken dat SNS Bank haar afspraken, zoals die volgens [appellant] blijken uit diverse mailbevestigingen en telefonische afspraken, niet is nagekomen.

4.2

SNS Bank heeft gesteld dat [appellant] geen (spoedeisend) belang meer heeft bij zijn vorderingen en niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de woning op 24 juni 2015 is geveild en op 25 juni 2015 is gegund. Op grond van de veilingvoorwaarden heeft SNS Bank geen controle meer over de levering van de woning. [X] kan de goederenrechtelijke levering eenzijdig bewerkstelligen door betaling van de koopprijs en inschrijving van de processen-verbaal van toewijzing en van betaling in de openbare registers, aldus SNS Bank.

4.3

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Of een in kort geding gevraagde voorziening na weigering daarvan door de voorzieningenrechter in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, moet worden beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Indien wordt uitgegaan van de juistheid van het in 4.2 verwoorde standpunt van SNS Bank, heeft [appellant] thans geen spoedeisend belang meer. Immers, indien de levering van de woning niet langer door SNS Bank kan worden tegengehouden, is toewijzing van de vordering in hoger beroep zinledig geworden. [appellant] heeft echter hoe dan ook belang bij de vaststelling van de rechten en plichten in de reeds verstreken periode (ex tunc). Het is immers vaste rechtspraak dat de proceskostenveroordeling in eerste instantie voldoende belang is om in hoger beroep te worden ontvangen (HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050 en HR 18-2-1994, ECLI:NL:HR:1994: ZC1272). Het hof zal derhalve hoe dan ook dienen na te gaan, mede aan de hand van de tegen het vonnis geformuleerde grieven, of de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen toentertijd terecht heeft afgewezen. Niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] zal derhalve achterwege blijven.

4.4

Ten aanzien van de vorderingen van [appellant] overweegt het hof als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] inmiddels geruime tijd zijn betalingsverplichtingen jegens SNS Bank niet is nagekomen. Gegeven dit verzuim van [appellant] heeft SNS Bank als hypotheekhouder op grond van art. 3:268 lid 1 BW het recht om zonder executoriale titel over te gaan tot verkoop van de woning.

4.5

De grieven stellen centraal dat SNS Bank nimmer een serieus tegenvoorstel heeft gedaan in de vorm van een betalingsregeling, gelijk ook het standpunt van [appellant] in eerste aanleg was. Ten onrechte heeft SNS Bank zich er volgens [appellant] toe beperkt de door hem gedane voorstellen af te wijzen, dan wel te volstaan met het vragen naar een betere onderbouwing en indiening van een inkomsten- en uitgavenformulier. [appellant] stelt aldus dat SNS Bank misbruik maakt van haar recht van parate executie.

4.6

Van misbruik van het recht van parate executie zou sprake kunnen zijn indien SNS Bank naar verwachting geen of een lage opbrengst van de woning zou ontvangen en door de veiling ook geen ander voordeel zou kunnen behalen, terwijl [appellant] daardoor groot nadeel zou lijden. Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet voor. SNS Bank heeft immers gesteld - en [appellant] heeft dit niet weersproken - dat na voldoening van haar vordering en de veilingkosten voor [appellant] een bedrag van € 19.000,- resteert.

4.7

Ook overigens kan niet gezegd worden dat SNS Bank zich - anders dan [appellant] ingang wil doen vinden - onredelijk heeft opgesteld. In aanmerking genomen dat de betalingsproblemen dateren van 2005 en sinds maart 2012 structureel zijn en de achterstanden sindsdien tot een aanzienlijk bedrag zijn opgelopen, is SNS Bank bepaald niet overhaast overgegaan tot de bij brief van 21 januari 2015 aangekondigde executoriale veiling van de woning. SNS Bank heeft daarbij niet miskend dat de executoriale veiling van de woning een "ultimum remedium" is, zoals [appellant] stelt. SNS Bank heeft [appellant] immers meermaals aangeboden de woning onderhands te verkopen, maar [appellant] heeft de daarvoor benodigde volmacht - om hem moverende redenen - niet willen verlenen en [appellant] heeft ook zijn medewerking aan een taxatie van de woning onthouden. SNS Bank heeft zich er (op basis van een geveltaxatie) rekenschap van gegeven dat [appellant] na veiling van de woning naar verwachting niet met een restschuld blijft zitten.

4.8

Met zijn verwijt dat er nimmer een serieus tegenvoorstel is gedaan voor een betalingsregeling, miskent [appellant] dat het in beginsel niet aan SNS Bank is om betalingsregelingen aan te bieden. SNS Bank heeft steeds gezegd dat zij voorstellen van [appellant] zal beoordelen mede op basis van een reële draagkrachtberekening. Een berekening waarvoor [appellant] eerst op 23 september 2014 de benodigde informatie heeft verstrekt, terwijl SNS Bank hem daar reeds bij brief van 3 juni 2014 (naar aanleiding van de op 28 mei 2014 gehouden bespreking) om heeft gevraagd. [appellant] kan zich er ook niet over beklagen dat zijn op 5 september 2014 gedane voorstel (€ 75,- per maand ter voldoening van de achterstand, naast de voldoening van de reguliere rentetermijnen) dan wel zijn op 24 april 2015 gedane voorstel (€ 150,- per maand ter voldoening van de achterstand, naast de voldoening van de reguliere rentetermijnen) door de bank niet is geaccepteerd. Er is immers geen rechtsregel die SNS Bank verplicht in te stemmen met een betalingsregeling die erop neerkomt dat (bij een extra aflossing van € 150,- per maand) het ruim negen jaar duurt alvorens de betalingsachterstand is ingelopen. Een dergelijke coulance kan redelijkerwijs - anders dan [appellant] kennelijk meent - ook in het huidige tijdsgewricht niet van SNS Bank worden verlangd. Het verwijt van [appellant] aan het adres van SNS Bank treft ook overigens geen doel, aangezien de heer [Y] , medewerker Bijzonder Beheer van SNS Bank, in reactie op een e-mail van de advocaat van [appellant] van 26 januari 2015, [appellant] heeft aangeboden dat om de betalingsachterstand binnen twaalf maanden te voldoen, naast de reguliere maandtermijnen. Dat [appellant] aan een dergelijke regeling niet wil en kan voldoen, doet er niet aan af dat zijdens SNS Bank een niet onredelijk voorstel is gedaan. [appellant] heeft overigens op geen enkele manier zijn goede wil getoond door het doen van extra betalingen ter vermindering van de betalingsachterstand.

4.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat SNS Bank - na alle tijd en gelegenheid die zij [appellant] heeft gegeven om tot een voor beide partijen werkbare oplossing te komen - op het moment dat de maandelijkse verplichtingen niet werden nagekomen, een acceptabel voorstel voor het inlopen van de achterstand uitbleef en geen volmacht werd verleend om de woning onderhands te verkopen, in alle redelijkheid tot de executoriale verkoop heeft kunnen besluiten. Van onevenredigheid tussen het belang van SNS Bank bij de uitoefening van haar recht van parate executie en het belang van [appellant] dat daardoor wordt geschaad, is onder de gegeven omstandigheden geen sprake. In navolging van de voorzieningenrechter is het hof dan ook van oordeel dat van misbruik van bevoegdheid door SNS Bank geen sprake is. Hierop stuiten de vorderingen van [appellant] af. Bij bespreking van grief II heeft [appellant] daarom geen belang meer. Hetzelfde geldt voor de overige stellingen van [appellant] , waaronder zijn stelling dat [X] zou willen meewerken aan het terugdraaien van de veilingkoop indien 's hofs oordeel daartoe aanleiding zou geven.

4.10

De slotsom luidt derhalve dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De proceskosten in hoger beroep zullen worden vastgesteld op € 711,- aan verschotten en op € 2.682,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (3 punten in tarief II).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 juni 2015;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en stelt deze

kosten aan de zijde van SNS Bank vast op € 711,- aan verschotten en op € 2.682,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. G. van Rijssen en mr. P. Roorda, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 september 2015.