Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7300

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
200.157.666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg geheimhoudingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.157.666

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, sector kanton, 2284449)

arrest van 29 september 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant 1] Trading B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant 2] Management B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] en gezamenlijk: [appellanten],

advocaat: mr. C.M. van der Burg,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Anema.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

23 oktober 2013 en 2 juli 2014 die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 september 2014,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende, door de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis van 2 juli 2014 vastgestelde, feiten.

3.2

[appellant 2] exploiteert een onderneming op het gebied van de import en export van toiletartikelen en aanverwante artikelen. Enig aandeelhouder van [appellant 2] is [appellant 1]. Bestuurder van zowel [appellant 2] als [appellant 1] is de heer [A] (hierna: [A]), die tevens enig aandeelhouder van [appellant 1] is.

3.3

[B] B.V. (hierna: [B]) exploiteert een onderneming op het gebied van de import en export en de opslag en distributie van non-food drogisterijartikelen. [geïntimeerde] is enig aandeelhouder van [B]. Bestuurder van zowel [B] als [geïntimeerde] en tevens enig aandeelhouder van [geïntimeerde] is de heer [C] (hierna: [C]).

3.4

Medio 2008 zijn [B] en [appellant 2] gaan samenwerken. [C] en [A] zijn eind 2008 in onderhandeling getreden over de overname van de aandelen in het kapitaal van [appellant 2] dan wel de activiteiten van [appellant 2] door [geïntimeerde], althans [B].

3.5

In het kader van die eventuele overname heeft [geïntimeerde] kennis willen nemen van informatie over de aandelen en de activiteiten van [appellant 2] teneinde te kunnen bepalen in hoeverre een overname ook daadwerkelijk plaats zou kunnen vinden. [appellant 1] c.s. is bereid geweest die informatie te verstrekken onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] strikte geheimhouding zou betrachten ten aanzien van de ter beschikking te stellen bescheiden en overige gegeven omtrent financiën, werkwijze, leveranciers, cliënten of van welke aard dan ook. De overeengekomen geheimhouding is vastgelegd in een geheimhoudingsovereenkomst van 14 januari 2009 tussen [appellant 1] c.s. als verkoper en [geïntimeerde] als koper (hierna: de geheimhoudingsovereenkomst). De geheimhoudingsovereenkomst bepaalt, voor zover van belang:

Artikel 2. Geheimhouding

Koper verplicht zich tegenover verkoper om strikte geheimhouding te bewaren ten aanzien van de informatie. Zij zal derhalve nalaten om zonder schriftelijke toestemming van verkoper, rechtstreeks, of via werknemers of anderen:

  1. De informatie geheel of gedeeltelijk, hetzij rechtstreeks, hetzij door kopieën of uittreksels daarvan of anderszins aan derden ter beschikking te stellen of voor derden toegankelijk te maken.

  2. De informatie voor enig ander doel te gebruiken dan ten behoeve van de besluitvorming over de eventuele overname door koper als hierboven omschreven.

Artikel 5. Teruggaveplicht

Indien de overname geen doorgang vindt, is koper verplicht om op eerste verzoek van verkoper aan laatstgenoemde of aan een door haar aan te wijzen derde, alle gemaakte kopieën, uittreksels, aantekeningen, notities, verslagen en/of documenten betreffende de informatie en/of de activiteiten en de eventuele overname, te overhandigen dan wel deze te vernietigen en voorts alle ontvangen informatie terug te geven, één en ander op een door verkoper te bepalen wijze.

Artikel 6. Boetebeding

Bij overtreding van het bovenstaande door koper verbeurt deze een onmiddellijk opeisbare boete van € 10.000,- (tienduizend euro) aan verkoper, zonder dat een ingebrekestelling is vereist en zonder rechtelijke tussenkomst, onverminderd het recht van verkoper om schadevergoeding te vorderen wegens de door haar geleden schade.

3.6

Op 5 januari 2011 heeft [geïntimeerde], althans [B], [appellant 2] medegedeeld dat niet tot koop van de aandelen dan wel de activa en passiva van [appellant 2] zou worden overgegaan. De advocaat van [B] heeft dat aan [appellant 2] bevestigd in een brief van 10 februari 2011.

3.7

De tussen partijen bestaande geschillen onder meer in het kader van de samenwerking tussen [B] en [appellant 2] hebben geleid tot een procedure voor de rechtbank Den Haag, in welke procedure op 3 juli 2013 een (eind)vonnis (zaak- en rolnummer 401306 / HA ZA 11-2276) is gewezen.

3.8

In die procedure heeft [B] in conventie een bedrag van € 97.359,44 van [appellant 2] gevorderd ter zake de afrekening (na verrekening) van door [appellant 2] van [B] gekochte goederen in het kader van de samenwerking tussen partijen. [appellant 2] heeft verschillende reconventionele vorderingen ingesteld, waaronder een verklaring voor recht dat tussen [appellant 2] en [B] een koopovereenkomst tot stand is gekomen houdende de koop van de activa en passiva van [appellant 2] door [B] en een veroordeling van [B] tot betaling van verschillende bedragen, waaronder een bedrag van € 179.470,40 ter zake van door [appellant 2] aan [B] verkochte goederen die in 2008 door [appellant 2] aan [B] zijn geleverd.

3.9

In die procedure heeft [appellant 2] zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat er tussen [appellant 2] en [B] een overeenkomst tot koop van de activa en passiva van [appellant 2] door [B] tot stand is gekomen, hetgeen door [B] is betwist. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat de onderhandelingen tussen [appellant 2] en [B] over een activa/passiva transactie niet hebben geleid tot overeenstemming, zodat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Voorts heeft de rechtbank de conventionele vordering van [B] afgewezen en in reconventie [B] – uitvoerbaar bij voorraad – onder meer veroordeeld om aan [appellant 2] een bedrag te voldoen van € 179.470,40 voor de door [appellant 2] aan [B] verkochte goederen in 2008. Met betrekking tot dit bedrag heeft de rechtbank het daartegen door [B] gevoerde verweer, dat de op die vordering betrekking hebbende goederen niet aan haar zijn verkocht (stelling [appellant 2]), maar aan haar in consignatie zijn gegeven (stelling [B]), verworpen.

3.10

Bij dagvaarding van 18 juli 2013 is [B] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 juli 2013, zowel voor wat betref de beslissing in conventie als in reconventie.

3.11

Partijen en de aan hen gelieerde (rechts)personen hebben daarnaast in verband met de tussen hen bestaande (andere) geschillen die hun oorsprong vinden in de samenwerking tussen [B] en [appellant 2] ook nog andere procedures gevoerd dan wel worden deze nog steeds gevoerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant 1] c.s. heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 10.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente. Volgens [appellant 1] c.s. heeft [geïntimeerde] enkele bepalingen van de geheimhoudingsovereenkomst geschonden en heeft zij daarmee de contractuele boete van € 10.000,-- als bedoeld in artikel 6 van de geheimhoudingsovereenkomst (hierna: de boete) verbeurd.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 juli 2014, kort gezegd, geoordeeld dat [geïntimeerde] geen boete heeft verbeurd wegens overtreding van de geheimhoudingsovereenkomst en heeft de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

In hoger beroep heeft [appellant 1] c.s. gevorderd het bestreden vonnis van 2 juli 2014 te vernietigen en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 10.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties alsmede de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien betaling van de nakosten niet binnen veertien dagen plaatsvindt.

5.2

[appellant 1] c.s. heeft drie grieven aangevoerd. Daarmee betoogt zij dat [geïntimeerde] de geheimhoudingsovereenkomst heeft overtreden en daarmee de boete heeft verbeurd, omdat (i) [geïntimeerde] in strijd met artikel 2 sub a van de geheimhoudingsovereenkomst verschillende stukken uit de administratie van [appellant 2] (hierna: de stukken) aan [B] heeft verstrekt, (ii) [B] de stukken vervolgens heeft overgelegd in verschillende tussen partijen lopende procedures, hetgeen een overtreding van artikel 2 sub b van de geheimhoudingsovereenkomst inhoudt en (iii) [geïntimeerde] niet is ingegaan op het verzoek van [appellant 1] c.s. om de stukken te retourneren, waarmee zij niet aan haar verplichting uit artikel 5 van de geheimhoudingsovereenkomst heeft voldaan. Deze onderwerpen zullen achtereenvolgens worden besproken.

Het verstrekken van stukken aan [B]

5.3

De vraag of [geïntimeerde] de geheimhoudingsovereenkomst heeft overtreden en de boete heeft verbeurd door de stukken aan [B] te verstrekken wordt met de eerste grief aan de orde gesteld. Volgens [appellant 1] c.s. mocht [geïntimeerde] op grond van artikel 2 sub a van de geheimhoudingsovereenkomst geen stukken aan [B] verstrekken, omdat zij – anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld – geen partij is (geworden) bij de geheimhoudingsovereenkomst en partijen ook niet overeengekomen zijn dat de stukken konden worden verstrekt aan [B]. [geïntimeerde] heeft daar, voor zover relevant, tegenin gebracht dat [B] niet als derde in de zin van artikel 2 sub a van de geheimhoudingsovereenkomst kan worden aangemerkt, zodat van een schending van dat artikel geen sprake is.

5.4

Het hof overweegt hierover als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant 1] c.s. geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het verstrekken van de stukken aan [B]. Indien de letterlijke tekst van artikel 2 sub a van de geheimhoudingsovereenkomst wordt gevolgd, is [B] een derde als bedoeld in dat artikel en mochten de stukken dus niet aan haar worden verstrekt. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt het bij de uitleg van een beding echter niet (enkel) aan op de letterlijke tekst, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden, gewaardeerd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

5.6

In dat kader is het volgende van belang. In het bestreden vonnis van 2 juli 2014 heeft de kantonrechter overwogen dat een geheimhoudingsovereenkomst als deze ertoe dient de potentieel kopende partij ervan te weerhouden onrechtmatig gebruik te maken van gevoelige bedrijfsinformatie van de verkopende partij door bijvoorbeeld die informatie te openbaren aan derden en daardoor schade te berokkenen aan de onderneming van de verkoper. Nu [appellant 1] c.s. dit doel van de geheimhoudingsovereenkomst niet (duidelijk gemotiveerd) heeft bestreden, zal het hof hier ook van uit gaan.

5.7

Gelet op dat doel brengt een redelijke uitleg van artikel 2 sub a van de geheimhoudingsovereenkomst mee dat [B] niet onder het begrip “derde” valt als bedoeld in dat beding. Het hof neemt in dit verband in aanmerking dat alle aandelen in [B] in handen zijn van [geïntimeerde] en de (enig) bestuurder van beide vennootschappen [C] is. Tussen [C] en [A] is voorts niet slechts gesproken over een eventuele overname van de aandelen -althans activiteiten- van [appellant 2] door [geïntimeerde], maar ook over een eventuele overname van [appellant 2] door [B]. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gaat het hier dus niet om het weglekken van bedrijfsgevoelige informatie aan een derde zoals [appellant 1] c.s. met de bepaling beoogde te voorkomen. Dat betekent dat [geïntimeerde] artikel 2 sub a van de geheimhoudingsovereenkomst niet heeft overtreden door de stukken aan [B] te verstrekken en dat zij geen boete heeft verbeurd op die grond.

5.8

Grief I slaagt derhalve in zoverre dat [B], anders dan de kantonrechter heeft overwogen, geen partij bij de geheimhoudingsovereenkomst is (geworden). Dat leidt echter niet tot het oordeel dat de vorderingen van [appellant 1] c.s. kunnen worden toegewezen.

Het overleggen van stukken door [B]

5.9

Met grief II richt [appellant 1] c.s. zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] geen boete heeft verbeurd wegens overtreding van artikel 2 sub b van de geheimhoudingsovereenkomst. Volgens [appellant 1] c.s. brengt (tekstuele) uitleg van de geheimhoudingsovereenkomst mee dat [geïntimeerde] artikel 2 sub b daarvan heeft overtreden, nu [B] de stukken in verschillende procedures heeft overgelegd. Daarmee heeft [geïntimeerde] de boete verbeurd, aldus [appellant 1] c.s. Die grief slaag niet.

5.10

De kantonrechter heeft immers (samengevat) geoordeeld dat [geïntimeerde] weliswaar artikel 2 sub b van de geheimhoudingsovereenkomst heeft overtreden, maar dat het beroep van [appellant 1] c.s. op dat artikel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Tegen dat oordeel heeft [appellant 1] c.s. geen, althans geen duidelijk kenbare grief geformuleerd. [geïntimeerde] heeft dat ook niet zo begrepen, zo blijkt uit haar opmerking dat [appellant 1] c.s. genoemd oordeel niet heeft weersproken.

5.11

Derhalve moet in dit hoger beroep als vaststaand worden aangenomen dat het beroep van [appellant 1] c.s. op artikel 2 sub b van de geheimhoudingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat [geïntimeerde] reeds daarom geen boete heeft verbeurd wegens overtreding van artikel 2 sub b van de geheimhoudingsovereenkomst.

Teruggaveplicht

5.12

De derde grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] de teruggaveplicht als omschreven in artikel 5 van de geheimhoudingsovereenkomst niet heeft geschonden. Volgens [appellant 1] c.s. was daar wel sprake van, omdat aan de advocate van [geïntimeerde] en [B] is verzocht de stukken te retourneren en zij hiertoe niet zijn overgegaan. Echter, nu [geïntimeerde] zich reeds in haar conclusie van antwoord op het standpunt heeft gesteld dat dat verzoek enkel tot [B] was gericht, had het op de weg van [appellant 1] c.s. gelegen om nader te onderbouwen dat zij ook [geïntimeerde] heeft verzocht om teruggave (bijvoorbeeld aan de hand van documenten waaruit dat kan blijken). [appellant 1] c.s. heeft dat nagelaten, zodat aan bewijslevering op dit punt niet wordt toegekomen en moet worden aangenomen dat [appellant 1] c.s. alleen [B] om teruggave van de stukken heeft verzocht. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] en [B] dezelfde advocaat hebben onvoldoende is om tot de conclusie te kunnen komen dat [geïntimeerde] het verzoek aan [B] redelijkerwijs heeft moeten opvatten als een tot haar gericht verzoek.

5.13

[appellant 1] c.s. heeft ook aangevoerd dat, indien zou worden geoordeeld dat enkel [B] is gesommeerd tot teruggave van de stukken, [geïntimeerde] toch de teruggaveplicht heeft geschonden omdat zij en [B] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor teruggave van de stukken (althans, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellant 1] c.s.). Wanneer een dergelijke hoofdelijke verplichting al zou worden aangenomen, brengt dit niet zonder meer mee dat [geïntimeerde] in strijd met artikel 5 van de geheimhoudingsovereenkomst heeft gehandeld. Het gevolg van hoofdelijke verbondenheid is dat de schuldeiser tegenover iedere schuldenaar recht op nakoming heeft voor het geheel en dat nakoming door de ene schuldenaar ook zijn medeschuldenaren bevrijdt tegenover de schuldeiser (artikel 6:7 lid 1 en lid 2 BW). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan daar niet uit worden afgeleid dat het verzuim van [B] om over te gaan tot teruggave van de stukken – voor zover daar al sprake van zou zijn – tevens een schending van de teruggaveplicht door [geïntimeerde] zoals bedoeld in artikel 5 van de geheimhoudingsovereenkomst oplevert.

5.14

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] geen boete heeft verbeurd wegens schending van haar teruggaveplicht als bedoeld in artikel 5 van de geheimhoudingsovereenkomst, zodat grief III eveneens faalt.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, althans, kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, zodat dit zal worden bekrachtigd.

6.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant 1] c.s. – zoals [geïntimeerde] heeft gevorderd: uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 704,-- aan griffierecht en € 894,-- aan salaris advocaat (1 punt x appeltarief II)

6.3

De nakosten en de wettelijke rente daarover zullen, als gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 juli 2014;

veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 704,-- voor verschotten en op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant 1] c.s. in de nakosten, begroot op € 131,--, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. Wammes, M.B. Beekhoven van den Boezem en
R.C. Moed en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
29 september 2015.