Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:722

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
200.157.729-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Perikelen betreffende de doorhaling van een zaak. Is overeenstemming over intrekking van het appel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.157.729/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/374917 / KL ZA 14-299)

Beschikking van de eerste enkelvoudige kamer van 3 februari 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde

hierna: [appellant],

advocaat: mr. N.R.H. Boasman-Trustfull, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M. Kashyap, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 11 september van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.

2 Het geding n hoger beroep

2.1

[appellant] heeft op 7 oktober 2014een appeldagvaarding, tevens bevattende de grieven en een vermeerdering van eis, uitgebracht tegen de zitting van 21 oktober 2014 van het hof. De zaak is aangebracht op de rol (als gewoon appel) en is, nadat het aanvankelijk verleende verstek is gezuiverd, vervolgens aangehouden voor de memorie van antwoord, laatstelijk tot de rolzitting van 16 december 2014.

2.2

Bij rolbericht (H-8 formulier) van 27 november 2014, bestemd voor de rol van
2 december 2014, heeft mr. Kashyap verzocht de zaak op de rolzitting van 2 december 2014 te plaatsen voor doorhaling op wederzijds verzoek.

2.3

Op de rolzitting van 2 december 2014 is dienovereenkomstig gehandeld.

Begin januari 2015 heeft mr. Hassan namens mr. Boasman-Trustfull telefonisch contact opgenomen met de griffie van het hof en inlichtingen gevraagd over de doorhaling. Zij heeft aangegeven dat geen sprake zou zijn geweest van een doorhaling op eenstemmig verzoek van partijen, hetgeen het hof bericht zou zijn op 1 december 2014.

2.4

De griffie heeft om toezending van dit bericht verzocht, aangezien zich in het griffiedossier geen verzoek van die datum bevindt.

2.5

Mr. Hassan heeft daarop een H8-formulier gedateerd 1 december 2014, aan het hof gefaxt. Dit bericht bevat de volgende tekst:

"Op 27 november jl. is er bij U het verzoek binnengekomen om de onderhavige zaak door te halen. Partijen hebben echter nog geen algeheel overeenstemming bereikt. Partijen hebben zich daar in het kort geding van hedenochtend over uitgelaten.

Omdat de beslissing van de voorzieningenrechter de doorslaggevende factor is om de onderhavige zaak wel/niet voor te zeten, wil derhalve verzoeken de zaak aan te houden voor de duur van vier weken. Na die vier weken zal ik U berichten of de zaak definitief kan worden doorgehaald."

2.6

De rolraadsheer heeft bij brief van 15 januari 2015 de advocaten van partijen verzocht zich uit te laten over is precies is gebeurd en of en hoe de zaak zou moeten worden voortgezet.

2.7

Mr. Boasman-Trustfull heeft bij H-16 formulier d.d. 22 januari 2015 het hof bericht dat er geen sprake is van een eenstemmig verzoek en het hof verzocht "uitspraak te doen".

2.8

Mr. Kashyap heeft bij brief van 22 januari 2015 aangevoerd dat de H-8formulieren van 27 november 2008 juist zijn. Partijen hebben met wederzijdse instemming om doorhaling van de onderhavige procedure verzocht. Het is onterecht dat [appellant] daarop terug wenst te komen. Hij verzoekt het hof de zaak definitief door te halen.

3 De beoordeling

3.1

[appellant] en [geïntimeerde] zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is in 2004 door echtscheiding ontbonden. Over onder meer de boedelscheiding hebben partijen reeds meerdere gerechtelijke procedures gevoerd.

3.2

De rolraadsheer constateert dat mr. Kashyap ook een H-8formulier d.d. 27 november 2014 van mr. Hassan namens mr. Boasman-Trustfull d.d. 27 november 2014 heeft overgelegd waarin ook mr. Boasman-Trustfull verzoekt om vervroeging en doorhaling van de zaak op de rolzitting van 27 november 2011. Ook dit formulier bevindt zich niet in het griffiedossier.

3.3

Uit dit formulier kan worden afgeleid dat op 27 november 2014 beide partijen een dergelijk verzoek hebben gedaan, zodat terecht is aangegeven op die formulieren dat het gaat om een eenstemmig verzoek.

3.4

Klaarblijkelijk heeft [appellant] op dit verzoek op 1 december 2014 terug willen komen. Mr. Kashyap stelt niet dat hij het H-8 formulier van mr. Hassan van 1 december 2014 ook niet heeft ontvangen.

3.5

Doorhaling, ook op partij-initiatief, is in beginsel een louter administratieve handeling, die geen rechtsgevolgen heeft (zie artikel 246 Rv, tweede lid). Wel kunnen partijen bij overeenkomst de rechtsgevolgen bepalen, hetgeen met zich kan brengen de procedure niet kan worden voortgezet. Een dergelijke overeenkomst kan ook worden gedestilleerd uit bijvoorbeeld de tussen partijen gewisselde correspondentie, ook kan uit de omstandigheden een rechtsgevolg als bijvoorbeeld afstand van recht of rechtsverwerking worden afgeleid (vgl. HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3818).

3.6

In dit geval zijn er wel aanwijzingen dat partijen daadwerkelijk hebben beoogd dat het onderhavige kortgedingappel zou worden ingetrokken in het kader van een tussen partijen op 5 november 2014 gesloten, meer omvattende regeling. Het hof verwijst naar een nieuw kort gedingvonnis d.d. 15 december 2014 dat door mr. Kashyap is overgelegd. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen:

"De voorzieningenrechter overweegt dat gesteld noch gebleken is dat bij niet-nakoming van één of meerdere van de op 5 november 2014 gemaakte afspraken, de andere afspraken zijn komen te vervallen. [appellant] was dan ook, gelet op de gemaakte afspraak, jegens [geïntimeerde] gehouden om het hoger beroep in te trekken. Omdat [appellant] toch heeft gefourneerd op 6 november 2014, heeft [geïntimeerde] zich in die procedure moeten stellen. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld dat zij [appellant] er op heeft gewezen dat zij hem aansprakelijk zou houden voor de onnodige kosten die in verband met dit hoger beroep werd gemaakt. De voorzieningenrechte zal het bedrag van €704,0 dan ook toewijzen."

3.7

Het oordeel of in dit geval [appellant] op enigerlei wijze het recht heeft verloren de zaak voor te zetten, moet ingevolge HR 13 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0329 worden aangemerkt als een arrest. De rolraadsheer zal die beslissing dan ook overlaten aan de

kamer van het hof die te zijner tijd tot oordelen zal worden geroepen. De rolraadsheer zal de zaak thans naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van elk van beide partijen over de vraag of [appellant] zijn recht om in dit kort geding door te procedure al dan niet heeft verspeeld.

4 De beslissing

De rolraadsheer:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 februari 2014 teneinde beide partijen in de gelegenheid te stellen bij akte nadere informatie te verschaffen zoals onder rechtsoverweging 3.7 bedoeld en het hof arrest te verzoeken in dit incident.

Aldus gewezen op 3 februari 2015 door mr. J.H. Kuiper, rolraadsheer, bijgestaan door de griffier.