Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:713

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
05-02-2015
Zaaknummer
200.126.373-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgeleide schade; toetsingskader. Uitleg doorstartbeding. Hof zoekt praktische oplossing voor beding met open eind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.126.373/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 116307/HA ZA 11-734)

arrest van de eerste kamer van 3 februari 2015

in de zaak van

1 Plan B B.V.,

gevestigd te [plaats],

hierna: Plan B,

2. [appellant sub 2],

wonende te [plaats],

hierna: [appellant sub 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Plan B c.s.,

advocaat: mr. H.P. de Lange, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde sub 2],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde sub 3],

4. Stichting Administratiekantoor [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: De Stichting,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. E. Nijdam, kantoorhoudend te Zwolle.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 mei 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ter uitvoering van het vermelde tussenarrest heeft op 3 oktober 2014 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest van 27 mei 2014 heeft het hof een verschijning van partijen bevolen, onder meer om Plan B c.s. in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door [geïntimeerden] bij memorie van antwoord in het geding gebrachte stukken, en om van partijen nadere inlichtingen te verkrijgen over de bewijsaanbiedingen die zij met betrekking tot de grondslag onrechtmatige daad over en weer hebben gedaan.

2.2

Het hof heeft in rechtsoverweging 5.2 van het bedoelde tussenarrest overwogen dat de op 6 oktober 2008 tussen Plan B c.s. en [geïntimeerden] gesloten overeenkomst moet worden betiteld als een voorovereenkomst, die haar uitwerking heeft gekregen in de (ver)koopovereenkomst aandelen en de aandeelhoudersovereenkomst die op 5 januari 2009 tussen [geïntimeerde sub 1] en [X] B.V. zijn gesloten.

Bij gelegenheid van de voormelde comparitie hebben Plan B c.s. aangegeven het met dat oordeel niet eens te zijn en het hof verzocht om daar op terug te komen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het niet zo kan zijn dat zij door de bij de koopovereenkomst van 5 januari 2009 gekozen constructie buiten spel worden gezet.

2.3

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010, ECLI:NL:

HR:2010:BN8521, overweegt het hof dat de rechter die in een tussenuitspraak een of meer uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist, hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding is gebonden. Dit geldt echter niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van deze eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

2.4

Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om op zijn eerdere beslissing terug te komen. Het hof is niet van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag uitgegaan.

Het hof wijst er in dat verband op dat de bedoelde constructie mede door Plan B c.s. zelf is gekozen. Het hof wil verder wel aannemen dat hun bemoeienis met de voorfase tot een sterke inhoudelijke betrokkenheid bij de overeenkomst van 5 januari 2009 heeft geleid, de juridische realiteit is echter dat zij daarbij geen partij zijn. Hun actieve rol in het voortraject maakt niet dat zij rechtstreeks aanspraken ontlenen aan hetgeen tussen [geïntimeerde sub 1] en [X] B.V. is overeengekomen. In het rechtsverkeer dienen contracterende juridische entiteiten nu eenmaal goed te worden onderscheiden, en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid nemen zelfstandig, als dragers van eigen rechten en verplichtingen, aan dat rechtsverkeer deel, ook als zij door één (rechts)persoon worden beheerst.

2.5

Gelet op hetgeen in het tussenarrest werd overwogen ligt thans allereerst de vraag voor of er sprake is van onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] jegens Plan B c.s.. Plan B c.s. hebben aan hun daarop toegesneden vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] (door het geven van een te rooskleurig beeld van de orderportefeuille van Jachtbetimmering) de deconfiture van [X] Beheer B.V. hebben uitgelokt, als gevolg waarvan het aandelenkapitaal van Plan B c.s. is verdampt.

2.6

Het hof stelt voorop dat de gestelde verkeerde voorstelling van zaken of misleiding, indien deze al heeft plaatsgehad ([geïntimeerden] betwisten dit) in de eerste plaats een onrechtmatige gedraging tegenover de vennootschap oplevert, waartegen slechts door die vennootschap zelf kan worden opgekomen (ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, Poot/ABP). Aan de aandeelhouders, die zogeheten afgeleide schade lijden (ECLI:NL:HR:1996:ZC2214), komt in beginsel geen eigen vordering tot schadevergoeding tegen de onrechtmatig handelende derde of bestuurder van de vennootschap toe. Een uitzondering daarop vormt het geval waarin hun schade het gevolg is van de schending van een jegens hen geldende specifieke zorgvuldigheidsnorm. Een dergelijke schending wordt niet snel aangenomen. De stelling dat de handelwijze van de derde het geplaatste aandelenkapitaal in rook heeft doen opgaan, is in dat opzicht in ieder geval niet toereikend. Ook de omstandigheid dat voor die derde voorzienbaar was dat de vennootschap door zijn handelwijze zou worden benadeeld, brengt de bedoelde schending nog niet mee, ook niet als hij voor eigen gewin onnodig en desbewust het faillissement van de vennootschap zou hebben veroorzaakt (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ0419).

2.7

Dat het optreden van [geïntimeerden] (of een van hen) er in het bijzonder op gericht was om Plan B c.s. (of een van hen) te benadelen, kan naar het oordeel van het hof niet staande worden gehouden. De in het voorlopig getuigenverhoor in eerste aanleg afgelegde verklaringen bieden daarvoor geen steun. Plan B c.s., op wie ter zake de bewijslast rust, hebben in hoger beroep opnieuw bewijs aangeboden. Ter comparitie hebben zij als toelichting daarop aangegeven dat zij geen nieuwe getuigen willen voorbrengen, maar dat zij de getuigen [getuige] en [appellant sub 2] aanvullend willen doen horen, om duidelijk te maken dat [appellant sub 2] door de van de kant van [geïntimeerden] afgegeven garanties is bewogen om de overeenkomst voor € 5.000.000,- aan te gaan.

Gelet op het hiervoor onder 2.3 weergegeven toetsingskader is dit aanbod (waarin overigens nog steeds ten onrechte de gedachte besloten ligt dat [appellant sub 2] contractspartij zou zijn) echter niet ter zake dienend. Het gaat immers, zoals hiervoor reeds werd overwogen, niet om de vraag of [X] B.V. met een bij voorbaat kansloze missie is opgezadeld, maar om de vraag of de vennootschap als vehikel werd gebruikt met het oogmerk om Plan B c.s. te treffen. Dat laatste is niet, althans niet voldoende onderbouwd, gesteld.

2.8

De conclusie is dat de grieven gericht tegen de afwijzing van de op de voorovereenkomst en de (ver)koopovereenkomst aandelen gegronde vorderingen falen.

2.9

Vervolgens ligt de vraag voor in hoeverre Plan B c.s. op grond van het doorstartbeding dat in de aandeelhoudersovereenkomst van 5 januari 2009 is opgenomen een vordering toekomt. Dat beding geeft [appellant sub 2] (en niet: Plan B) bij een doorstart na faillissement door [geïntimeerde sub 2] aanspraak op de helft van het verschil tussen de overnameprijs voor voorraden en vorderingen bij de doorstart en de nadien werkelijk gerealiseerde waarde daarvan, verminderd met hetgeen [geïntimeerde sub 1] na faillissement nog van de vennootschap te vorderen heeft uit hoofde van de overeenkomst van lening ad € 1.000.000,-.

Het standpunt van [geïntimeerden] dat het beding hier geen opgeld doet, omdat er geen sprake is van een doorstart van [X] B.V. maar slechts van het van de curator overnemen van de voorraden, wordt door het hof niet gevolgd. Gelet op de formulering van het beding, waarin niet alleen het woord 'doorstart' wordt gebruikt maar ook de overname van voorraden en vorderingen uitdrukkelijk wordt genoemd, gecombineerd met het gegeven dat de na faillissement voortgezette activiteiten de kern van de gefailleerde vennootschap vormden, is hier naar ’s hofs oordeel wel degelijk sprake van een situatie in de overeengekomen zin.

2.10

Afgaand op hetgeen partijen dienaangaande ter comparitie hebben verklaard, gaat het hof ervan uit dat het faillissement van [X] B.V. intussen werd opgeheven zonder dat er enig bedrag op de bedoelde lening van € 1.000.000,- werd afgelost.

De vraag die ingevolge het beding moet worden beantwoord is dus of, en zo ja in hoeverre, de werkelijk gerealiseerde waarde van de uit het faillissement overgenomen voorraden meer bedraagt dan de aan de curator betaalde overnameprijs van € 620.000,- plus

€ 1.000.000,- oftewel € 1.620.000,-. Als dat zo is, is [geïntimeerde sub 1] aan [appellant sub 2] de helft daarvan als afkoopsom verschuldigd (en verbeurt zij mogelijk ook een boete). Aangezien de voorraad tot op heden nog niet integraal is verkocht, kan deze rekensom vooralsnog echter niet, althans niet volledig, worden gemaakt.

De complicatie die zich hier voordoet is dat er geen termijn aan het beding is verbonden, hetgeen impliceert dat er pas wordt afgerekend als de voorraad is verkocht. Dat betekent dat [geïntimeerden] het intreden van verzuim zou kunnen tegenhouden door een deel van de voorraad onverkocht te laten. Een dergelijke uitkomst zou naar ’s hofs oordeel niet billijk zijn.

2.11

Uit de comparitie van partijen komt naar voren dat partijen zich van deze onbillijkheid bewust zijn. Beide partijen staan een benadering voor, waarbij enerzijds de gerealiseerde waarde oftewel de opbrengst van het tot dusver verhandelde teakhout wordt betrokken, en anderzijds de waarde van de (naar het hof begrijpt: resterende) voorraad door taxatie wordt vastgesteld.

Het hof zal, hierin meegaand, allereerst [geïntimeerden] - overeenkomstig hun aanbod daartoe - in de gelegenheid stellen om inzichtelijk te maken wat de overgenomen voorraad tot dusver heeft opgebracht en welke handelswaarde aan het restant moet worden toegekend. Gelet op hun vérstrekkende standpunt dat tot dusver in het geheel geen marge werd gerealiseerd en dat ook de waarde van het restant beneden de overnameprijs ligt, ligt dit naar 's hofs oordeel op hun weg.

2.12

[geïntimeerden] dienen daartoe inzicht te geven in de tot dusver feitelijk behaalde opbrengsten en aan te geven met welk deel van de overgenomen voorraad deze zijn behaald. Voorts dienen zij onderbouwd aan te geven welke onderhandse verkoopwaarde aan het restant moet worden toegekend en op welke termijn verkoop daarvan te verwachten is.

Vervolgens zullen Plan B c.s. daar op kunnen reageren.

Het hof verzoekt partijen om in hun over en weer te nemen aktes aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre de uit het doorstartbeding voortvloeiende drempel van € 1.620.000,- wordt gehaald.

3 Conclusie

3.1

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich uit nader te laten zoals hierna in het dictum vermeld.

3.2

Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen:

stelt [geïntimeerden] in de gelegenheid zich bij akte ter rolle uit te laten over de hiervoor onder 2.12 opgeworpen vraagpunten;

verwijst daartoe de zaak naar de rolzitting van dinsdag 3 maart 2015 voor akte aan de zijde van [geïntimeerden]

Dit arrest is gewezen door mr. R.E. Weening, mr. A.M. Koene en mr. K.E. Mollema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 februari 2015.