Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:707

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
13/00563
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2007:301, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:186
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of de Rechtbank terecht het verzoek om herziening heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/287
V-N 2015/23.2.1
FutD 2015-0350
NTFR 2015/1058 met annotatie van mr. dr. N. Djebali
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 13/00563

uitspraakdatum: 3 februari 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 2 april 2013, nummer AWB LEE 12/1163, op het verzoek van belanghebbende om herziening in de zin van artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 maart 2007, kenmerk AWB 06/1321, op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van

de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

van 20 april 2006, betreffende na te noemen aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.030.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna samen met haar rechtsopvolger, de rechtbank Noord-Nederland, te noemen: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 21 maart 2007 belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank geen hoger beroep ingesteld.

1.5

Belanghebbende heeft bij brief van 18 mei 2012, ontvangen bij de Rechtbank op 24 mei 2012, een verzoek in de zin van (destijds) artikel 8:88 van de Awb ingediend om herziening van voormelde uitspraak van de Rechtbank van 21 maart 2007.

1.6

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 2 april 2013 het verzoek om herziening afgewezen.

1.7

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.8

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.10

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende bijgestaan door [A], alsmede mr. [B] namens de Inspecteur. Het Hof heeft het onderzoek geschorst teneinde de Inspecteur in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen.

1.11

De Inspecteur heeft nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft daarop gereageerd en eveneens nadere stukken ingediend.

1.12

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting hervat op 9 december 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende bijgestaan door [A], alsmede mr. [C] namens de Inspecteur bijgestaan door mr. [D]. Bij de aanvang van de zitting zijn partijen erop gewezen dat de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof tijdens het onderzoek ter zitting op 15 juli 2014 was samengesteld uit mrs. E. Polak, A.J. Kromhout en P. van der Wal, en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de eerste meervoudige belastingkamer door mrs. E. Polak, J.W. baron van Knobelsdorff en P. van der Wal, en wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, derde lid, van de Awb, in de stand waarin zij zich bevond. Partijen hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

1.13

Van het verhandelde ter zitting op beide data zijn processen-verbaal opgemaakt die aan deze uitspraak zijn gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren [in] 1954. Hij leefde vanaf 11 december 2000 duurzaam gescheiden van zijn echtgenote. Op 11 juni 2003 is de echtscheiding ingeschreven in de gemeentelijke administratie. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote waren buiten gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2

De voormalige echtelijke woning aan de [a-straat] 45 te [L] was in gemeenschappelijke eigendom bij belanghebbende en zijn ex-echtgenote, ieder voor een gelijk deel. Deze woning is in 2002 door de bank verkocht. De achterstallige rente bedroeg tot en met 31 juli 2002 € 31.868,14, en de rente van 1 augustus 2002 tot en met 7 augustus 2002 bedroeg € 524,12. Beide bedragen zijn door de bank verrekend met de verkoopsom.

2.3

Belanghebbende heeft over het jaar 2002 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 2.060,--. De Inspecteur is in 2005 afgeweken van de aangifte en heeft met dagtekening 4 juni 2005 een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.030,--, berekend als volgt:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning -/- € 2.060,--

Loon uit vroegere dienstbetrekking hoger € 3.486,--
(ingehouden loonheffing € 1.267,-- hoger)
Minder aftrekbare kosten eigen woning € 16.720,--
Aftrek kosten levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar -/- € 4.116,--

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 14.030,--

2.4

Uit het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 19 november 2003, nr. 56207/HA ZA 03-4 blijkt dat door de bank lopende rente tot en met 21 augustus 2002 is verrekend in plaats van lopende rente tot en met 7 augustus 2002. Het betreft een bedrag van € 1.572,34.

2.5

In de uitspraak van 21 maart 2007 heeft de Rechtbank als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:

“(…) Beoordeling van het geschil

4.1

Uit de onder 2.1 vastgestelde feiten volgt dat verweerder het loon uit vroeger dienstbetrekking terecht heeft verhoogd met € 3.486,--.

4.2

Op grond van de vastgestelde feiten kan eiser de woning gelegen aan de [a-straat] 45 te [L], naar het oordeel van de rechtbank, slechts voor de helft als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 aanmerken. Uit het voorgaande vloeit voort dat eveneens slechts de helft van de achterstallige rente ad. € 31.868,14 en lopende rente ad € 1.572,35, in totaal € 33.440,48, zijnde € 16.720,24, bij eiser als kosten eigen woning kan worden aangemerkt.

4.3

De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat hij ter zake van de onder 2.4 vermelde hypothecaire lening in het onderhavige jaar betaalde rente ad € 6.127,40 aan aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aftrek kan brengen. Weliswaar is er onder die geschetste omstandigheden sprake van rente tengevolge van voor 31 december 1995 gesloten hypothecaire lening, doch er was per die datum geen sprake van een hypotheek op een eigen woning, zodat het achtste lid van artikel 3.120 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 buiten toepassing blijft. De schuld was per die datum immers verzekerd door een hypotheek op door eiser verhuurde onroerende zaken in [M], die eiser op dat moment niet als hoofdverblijf ter beschikking stonden. Evenmin is gesteld en vervolgens aannemelijk geworden dat deze schuld in 2002 verzekerd was door een hypotheek op een woning die eiser toen als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan De rentekosten zijn daarom geen kosten eigen woning in de zin van het hiervoor vermelde artikel.(…)”

2.6

Tot de stukken van het geding behoort een brief van de Belastingdienst Holland Midden/kantoor Leiden van 6 januari 2005 aan [E] Accountants, op dat moment de gemachtigde van de ex-echtgenote van belanghebbende, waarin is vermeld:

“(…)

Geachte heer/mevrouw,

In uw brief van 20 december 2004 heeft u informatie verstrekt over de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 van mevrouw [F], [b-straat] 26 te [L], sofi nummer [0000.00.000]. Na het lezen van deze brief is mij gebleken dat ik nog meer informatie van u nodig heb. Hierna leest u om welke informatie het gaat.

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Eigen woning

Uit de mij ter beschikking staande gegevens blijkt het volgende:

-Dhr. [X] blijft vanaf november 2000 het huis [a-straat] bewonen. (informatie uit: Agreement temporary seperation)

- Hij wordt aansprakelijk voor de aflossing en de rente. (idem)

- De lening ad € 51.553 is een lening van 5 maart 2001 tussen de [a-bank] en dhr. [X] (informatie volgens uitspraak rechtbank Leeuwarden 19 november 2003)

-Alleen [X] wordt aansprakelijkgesteld voor de restschuld. (Idem)

Door de bovenstaande feiten ben ik van mening dat er geen ruimte is voor aftrek hypotheekrente bij mw. [F].

Gaarne uw reactie, tevens hierbij het echtscheidingsconvenant overleggen.

-Uw reactie

Ik verzoek u mij uw schriftelijke reactie vóór 20 januari 2005 toe te sturen. U kunt hiervoor gebruikmaken van de bijgevoegde portvrije retourenvelop. Als uit gegevens blijkt dat ik moet afwijken van de aangifte van uw cliënte, ontvangt u hierover zo spoedig mogelijk bericht. Als ik niet hoef af te wijken van de aangifte, ontvangt uw cliënte enige tijd na uw reactie het aanslagbiljet.

(…)”

2.7

Tot de stukken van het geding behoort een zogeheten behandelvoornemen van de Belastingdienst/kantoor Leiden, waarin als volgt is vermeld:

“(…)

Entiteit: [0000.00.000]-IC-[X]-[F]

Datum aanvraag: 15-07-2014

(…)

In 2002 wordt de eigen woning executoriaal door de bank verkocht. Ook dan wordt de achterstallige rente verrekend. Volgens art 38 oud en 3.147 nieuw is op dat moment de rente pas aftrekbaar, immers, moratoire interessen worden niet aangemerkt als rentedragendheid. Ik heb mw. [G] van [H] een stukje uit de vakstudie daarover toegezonden.

Hoe de verdeling over ex-man en –vrouw moeten plaatsvinden, is een leuk probleem, waar ik je veel succes bij toewens.

[I], 26 januari 2004.

Van [X] stukken ontvangen waaruit moet blijken dat de renteaftrek geheel bij hem moet plaatsvinden. Kopie van die stukken in de IB-map gedeponeerd.

[I], 15 maart 2004”

2.8

Tot de stukken van het geding behoort een tweede behandelvoornemen van de Belastingdienst/kantoor Leiden, waarin als volgt is vermeld:

“22 februari 2004 (doorgehaald)5 conform afgedaan, uitworp:

- rente eigen woning, opgevraagd, blijkt rente eigen woning te zijn waar sinds 2000 de ex partner in woonde. In 2002 is deze woning door de bank verkocht wegens niet betalen hypotheekrente, bij het uiteengaan van de partners is afgesproken dat de man de hypotheekrente zou betalen, man trekt dus alles af, vrouw wil de helft, wie de aftrek?

Werkoverleg uitslag, bij betalen van de rente man volle aftrek, helft bij eigen woning, andere helft als alimentatie, nu niets betaald, maar verrekend met de opbrengst van de woning, man 50% gerechtigd hierin dus 50% aftrek, geen alimentatie (er is niets betaald), vrouw andere 50% ( ook aansprakelijk en medeeigenaar) Inspecteur Leeuwarden ingelicht, deze heeft de man in behandeling, hij zal correctie bij man aanbrengen, vrouw nu afgedaan.

DW 0713”

2.9

De Inspecteur heeft aan de gedingstukken toegevoegd een heffingsverslag van de aangifte IB/PVV over het jaar 2002 van de ex-echtgenote van belanghebbende, een print waaruit blijkt dat deze aangifte op 22 februari 2005 is afgerond en een afschrift van de aan de ex-echtgenote opgelegde aanslag inkomensheffing, met dagtekening 9 maart 2005, waarbij - conform de aangifte – voor de [a-straat] 45 te [L] 50% hypotheekrente in aftrek is toegelaten.

2.10

Tot de stukken van het geding behoort een brief van [J] van de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden aan belanghebbende met dagtekening 18 mei 2005, waarin – voor zover relevant – als volgt is vermeld:

“Eigen woning

Gezien de informatie, kan ik geen ander standpunt innemen als geschreven in mijn brief van 20 april. U was beide eigenaar, dan is de rente voor ieder de helft. Hierdoor volgt er een bijtelling van 16.720.

(…)”

2.11

Bij brief van 7 juli 2007 schrijft belanghebbende aan de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden, voor zover relevant:

“(…)

betreft: voorlopige aanslag 2006

(…)

Punt 1 het economische eigendom van [a-straat] 45 te [L] (aangifte 2002)

Ik ga niet accoord met deze beslissing. Ik heb voldoende bewijs ingediend dat ik de economische eigenaar was.Gemeente Oegstgeest heeft dit schriftelijk bevestigd. Ik citeer;

“Per 1 januari van die jaren was u eigenaar van de onroerende zaken waarop de aanslagen betrekking hebben en derhalve belastingplichtige” zie brief d.d. 26 oktober 2006 Gemeente Oegstgeest aan [belanghebbende] (bijlage 2).

Tevens is onder punt 2. Van Exploot d.d. 5 juli 2007 van deurwaarder [K] te [Z] (bijlage 3) is bewijs hiervan te vinden. Ex-vrouw [F] bevestigd hier dat ik verantwoordelijk voor de financiële aspecten van [a-straat] 45 ben. Het kan niet duidelijker zijn dat ik de economische eigenaar was.

De achterstallige rente van 2001 en 2002 dat ik heb betaald uit de overwaarde van de [a-straat] toen de woning op 1 augustus 2002 executoriaal verkocht werd. Het totale 100% bedrag is aftrekbaar op mijn aangifte, niet enkel 50% van dit bedrag.

Waarom zou ik mij eigen geld in de woning investeren? en de waarde van de woning verhogen, als ik niet de economische eigenaar was. Zie mijn brief d.d. 14 juni 2007 aan de heer [N] Belastingdienst kantoor Leeuwarden (…)”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is de vraag of de Rechtbank terecht het verzoek om herziening heeft afgewezen.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank van 2 april 2013 en tot herziening van de uitspraak van de Rechtbank van 21 maart 2007.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Artikel 8:119 Awb bepaalt dat de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2

De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen, reeds omdat niet aan de voorwaarde van artikel 8:119, onderdeel c is voldaan. Naar het oordeel van de Rechtbank zou – samengevat -, indien de brief van 6 januari 2005 eerder bij de rechtbank bekend was geweest, dit niet tot een andere uitspraak van de Rechtbank hebben kunnen leiden.

4.3

Belanghebbende stelt dat de onder 2.6 aangehaalde brief van 6 januari 2005 en de daarop volgende correspondentie, voor de Rechtbank aanleiding had moeten zijn om te oordelen dat de Inspecteur in de procedure van herziening niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb, hetgeen wel had gemoeten, en dat de Rechtbank vervolgens – als die de niet overgelegde stukken wel in aanmerking had genomen - tot een andere uitspraak had kunnen komen in de zin van artikel 8:119 van de Awb.

4.4

Naar het oordeel van het Hof kan uit de tekst van de brief van 6 januari 2005 en de daaropvolgende door de Inspecteur onder 2.7, 2.8 en 2.9 genoemde ingebrachte stukken, de conclusie worden getrokken dat de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Leiden in 2005 heeft getwijfeld aan de beslissing of het recht op aftrek van hypotheekrente voor 50% kon worden toegekend aan belanghebbendes ex-echtgenote. Voorts kan naar het oordeel van het Hof uit genoemde stukken de conclusie worden getrokken dat, al dan niet op instigatie van adviseurs van belanghebbendes ex-echtgenote, uiteindelijk aan belanghebbendes ex-echtgenote toch een recht op 50% aftrek van hypotheekrente is toegekend. Anders dan belanghebbende meent, kan uit de hiervoor genoemde stukken niet de conclusie worden getrokken dat de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Leiden de beslissing heeft genomen om aan belanghebbende het recht op aftrek van hypotheekrente van 100% over 2002 te onthouden. Zoals blijkt uit de brief van 18 mei 2005 heeft de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden uiteindelijk zelf die beslissing genomen. Deze vaststellingen als uitgangspunt nemend, zal het Hof belanghebbendes onder 4.3 genoemde stellingen behandelen.

4.5

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan zijn verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen en stelt dat de Inspecteur dit alsnog dient te doen. Belanghebbende noemt daarbij alle stukken die zijn gewisseld tussen de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Leiden en de adviseur [H], alsmede stukken tussen de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Leiden en de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden en die de renteaftrek van de woning aan de [a-straat] 45 betreffen.

4.6

Aan belanghebbende moet gelet op de inhoud van de onder 2.7, 2.8 en 2.9 genoemde stukken worden toegegeven dat het standpunt van de Inspecteur, in de herzieningsprocedure bij de Rechtbank alsmede in hoger beroep, dat hij niet gehouden zou zijn informatie omtrent de afwikkeling van de toepassing van hypotheekrenteaftrek in het jaar 2002 van belanghebbendes ex-echtgenote te verstrekken, niet houdbaar is. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur echter met de stukken die hij na de mondelinge behandeling op 15 juli 2014 heeft ingebracht, vermeld onder 2.9, voldaan aan de opdracht van het Hof. Een verdergaande opdracht dan de indiening van de stukken genoemd onder 2.9 is de Inspecteur niet gegeven. Evenmin vindt belanghebbendes stelling, dat het gehele dossier van de ex-echtgenote dient te worden ingebracht als behorend bij de stukken van het geding als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, geen steun in het recht (vgl. HR 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182).

4.7

In vervolg op ’s Hofs in 4.6 gegeven oordeel, kan het enkele feit dat aanvankelijk is getwijfeld over de aftrekbaarheid van hypotheekrente bij belanghebbendes ex-echtgenote, niet worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 8:119 Awb. De Rechtbank heeft immers in de uitspraak van 21 maart 2007 aan belanghebbende enkel 50% aftrek van hypotheekrente toegestaan op de voet van de juridische eigendomsverdeling van de [a-straat] 45. De Rechtbank heeft noch de economische eigendomsverdeling noch de mate van aftrek van hypotheekrente bij de ex-echtgenote meegewogen in haar oordeel. In die omstandigheid kan reeds daarom niet worden geoordeeld dat de brief van 6 januari 2005 (en de daarop volgende correspondentie) een nieuw feit is als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, omdat kennis van deze brief noch het feit dat de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Leiden aanvankelijk twijfelde over het recht op aftrek van 50% van de hypotheekrente bij belanghebbendes ex-echtgenote, tot een andere uitspraak van de Rechtbank had kunnen leiden.

4.8

Uit de stukken van het geding (onder meer vermeld in 2.11) volgt voorts dat belanghebbende reeds voor de uitspraak van de Rechtbank van 21 maart 2007 op de hoogte was van alle feiten leidend tot zijn eigen stelling dat hem als economisch eigenaar 100% aftrek van hypotheekrente moest toekomen. Dat de Rechtbank deze stelling niet heeft gehonoreerd had belanghebbende in hoger beroep of in cassatie kunnen bestrijden, hetgeen hij heeft nagelaten. Het enkele bij belanghebbende na de uitspraak van de Rechtbank van 21 maart 2007 bekend geworden feit, te weten dat de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Leiden aanvankelijk heeft getwijfeld aan het aftrekrecht van de ex-echtgenote is ook om die reden geen nieuw feit dat tot herziening van de uitspraak kan leiden. Evenmin kan belanghebbendes stelling dat de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden onder druk is gezet door de Belastingdienst kantoor Leiden, wat daar ook van zij, tot herziening leiden. Ook deze stelling is geen feit dat, naast al hetgeen al in 2007 in de procedure voor de Rechtbank naar voren is gebracht aangaande belanghebbendes economische belang bij de woning aan de [a-straat] 45, tot een ander oordeel had kunnen leiden.

4.9

Het Hof ziet evenmin in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd reden om het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank in de herzieningsprocedure gegrond te verklaren.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Gezien hetgeen het Hof heeft geoordeeld in 4.6 omtrent belanghebbendes stelling, dat de Inspecteur ten onrechte heeft verzuimd bepaalde stukken omtrent de aanslag IB/PVV van belanghebbendes ex-echtgenote in het geding te brengen, leidt het Hof tot de beslissing de Inspecteur te veroordelen in het griffierecht in hoger beroep.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    gelast de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 118 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

Wegens verhindering van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door mr. Van Knobelsdorff.

De beslissing is op 3 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong – Braaksma )

( J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 februari 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.