Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7058

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
14/00153
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:114, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1214
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur terecht het door D op de rekening van de Stichting G gestorte bedrag van € 250.000 in de heffing heeft betrokken, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2085
FutD 2015-2360
NTFR 2015/2594
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 14/00153

uitspraakdatum: 22 september 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 januari 2014, nummer AWB LEE 11/1088, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 247.645. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 23.171.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 14 januari 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [B] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende en zijn dochter [C] hebben op 22 juni 2001 [D] N.V. ( [D] ) gedagvaard in een civiele procedure. Volgens de dagvaarding heeft belanghebbende in dienst van [E] BV ( [E] ) een pensioenfonds opgezet voor de [a-Bond] . [D] zou hiervoor levensverzekeringsproducten gaan ontwikkelen. In de loop van 1996 verslechterde de verhouding tussen belanghebbende en de directie van [E] . Belanghebbende en de directie hebben toen besloten om afscheid van elkaar te nemen. Belanghebbende zou vervolgens in dienst treden bij een door [D] op te richten vennootschap. Deze vennootschap zou het gedeelte van de assurantieportefeuille van [E] dat betrekking had op het door belanghebbende opgezette pensioenfonds overnemen. Belanghebbende zou bij de nieuwe vennootschap dit pensioenfonds tot verdere bloei brengen. Op 6 februari 1997 is daartoe door de directeur en enig aandeelhouder van [E] , de besloten vennootschap [F] , enerzijds en [D] anderzijds, een overeenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de overname van de gedeeltelijke assurantieportefeuille plaatsvond onder de voorwaarde dat belanghebbende en zijn dochter in dienst zouden komen van de nieuwe vennootschap onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als bij [E] . Op 20 maart 1997 heeft belanghebbende van [D] vernomen dat de overeengekomen constructie geen doorgang kon vinden. Op 26 maart 1997 is het faillissement van [E] uitgesproken. Belanghebbende is door de curator ontslagen. Belanghebbende heeft volgens de dagvaarding ernstige schade geleden. Volgens de dagvaarding is [D] ten opzichte van belanghebbende ernstig toerekenbaar te kort geschoten, althans heeft zij jegens belanghebbende onrechtmatig gehandeld door te weigeren uitvoering te geven aan de overeenkomst van 6 februari 1997. De hoogte van de door belanghebbende geleden schade, die in het bijzonder bestaat uit gederfde inkomsten, is onder meer afhankelijk van de vraag in hoeverre het belanghebbende lukt deze te beperken door vervangende inkomsten te verwerven.

2.2

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 11 december 2002 geoordeeld dat bij belanghebbende het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de overeenkomst van 6 februari 1997 tot oprichting van een vennootschap, waarbij belanghebbende in dienst kon treden, zou worden uitgevoerd. Aldus is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat [D] jegens belanghebbende onrechtmatig heeft gehandeld door geen uitvoering te geven aan de overeenkomst van 6 februari 1997 en dat [D] aansprakelijk is voor de door belanghebbende als gevolg daarvan geleden schade. De vorderingen van belanghebbendes dochter zijn bij hetzelfde vonnis afgewezen.

2.3

[D] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep is herhaaldelijk door belanghebbende en vertegenwoordigers van [D] gesproken over de afdoening van de kwestie. Dit heeft geresulteerd in een minnelijke regeling tussen belanghebbende en zijn dochter enerzijds, en [D] anderzijds. Deze minnelijke regeling is opgenomen in een brief van 18 april 2005, gericht aan belanghebbende en zijn dochter. De brief is ondertekend door de advocaat van [D] . Verder hebben belanghebbende en zijn dochter enerzijds en een directielid van [D] anderzijds, de brief voor akkoord ondertekend. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

"Inmiddels heeft het Gerechtshof te Den Haag het vonnis van de rechtbank waarbij de vorderingen van mevrouw [C] zijn afgewezen bekrachtigd met veroordeling van mevrouw [C] in de kosten en zijn wij wachtend op de uitspraak van het Gerechtshof in de zaak tussen de heer [X] en [D] .

Inmiddels heb ik veelvuldig contact gehad met de heer [X] , die mede namens u, mevrouw [C] , sprak. Uiteindelijk hebben die contacten ertoe geleid, dat er tussen ons een minnelijke regeling tot stand is gekomen.

Deze minnelijke regeling houdt in, dat er door [D] aan u een bedrag groot € 250.000,-- (zegge: tweehonderdvijftigduizend Euro) betaald wordt en op verzoek van u gestort wordt op postrekeningnummer [000000] ten name van de Stichting [G] te [H] . Die minnelijke regeling houdt vanzelfsprekend ook in, dat wij in het midden laten wie er nu gelijk heeft.

Na betaling van dit bedrag hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen, uit welke hoofde dan ook. Zo hoeft mevrouw [C] dus de kostenveroordeling die is uitgesproken door de rechtbank en het Hof niet te betalen en hoeft [D] verder niets meer te betalen aan de heer [X] ."

2.4

Op 28 april 2005 heeft [D] een bedrag van € 250.000 gestort op de rekening van de Stichting [G] onder vermelding van "schikking [D] ".

2.5

De Stichting [G] is opgericht omstreeks 1998, kort na de geboorte van [I] , de kleinzoon van belanghebbende en de zoon van belanghebbendes eerdergenoemde dochter. [I] heeft aangeboren hartafwijkingen. Belanghebbende en zijn dochter waren ten tijde van de storting de enige bestuurders van de stichting.

2.6

De Stichting [G] heeft geen verzoek gedaan om te worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling (ANBI) en is derhalve niet bij beschikking aangemerkt als ANBI.

2.7

Belanghebbende heeft in zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2005 ten aanzien van de betaling door [D] van het bedrag van € 250.000 niets opgenomen. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 24 februari 2010 een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2005 opgelegd overeenkomstig belanghebbendes aangifte.

2.8

De Inspecteur heeft op 2 september 2008 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Tijdens dit onderzoek is de Inspecteur op de hoogte gekomen van de minnelijke regeling en van de storting van het bedrag van € 250.000 op de rekening van de Stichting [G] . De Inspecteur heeft naar aanleiding hiervan aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2005 opgelegd. Hierbij heeft de Inspecteur het bedrag van € 250.000 in aanmerking genomen als vervanging van gederfd of te derven loon ex artikel 3.82, aanhef en onderdeel a, ten eerste, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet).

2.9

Belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd. Aan hem is ten laste gelegd dat hij onjuist en/of onvolledig aangifte heeft gedaan door opzettelijk een bedrag van € 250.000 aan inkomsten niet op te nemen in zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2005. Bij vonnis van 22 april 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland het tenlastegelegde niet bewezen verklaard en belanghebbende daarvan vrijgesproken. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst zich strikt genomen terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrag van € 250.000 moet worden aangemerkt als loon en derhalve had moeten worden aangegeven. De rechtbank oordeelde echter dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat belanghebbende zich ervan bewust was dat het door [D] uitgekeerde bedrag moest worden aangemerkt als een schadeloosstelling en daarmee als loon, zodat niet gezegd kan worden dat hij opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte heeft gedaan.

2.10

[D] heeft bij brief van 18 mei 2009 op verzoek van de Inspecteur een nadere toelichting gegeven op het aan belanghebbende uitbetaalde bedrag van € 250.000. [D] heeft daarbij het volgende meegedeeld:

"Terzake treft u bijgaand een kopie van de dagvaarding die [D] heeft ontvangen. In de onderdelen 13 en 15 wordt aangegeven dat de heer [X] schade heeft geleden doordat geen uitvoering is gegeven aan de tussen [D] en [F] BV gesloten overeenkomst van 6 februari 1997. Tevens wordt hierin aangegeven dat deze schade met name bestaat uit gederfde inkomsten.

Zoals bekend is het bedrag van € 250.000 middels schikking tot stand gekomen. In een eerdere fase heeft de heer [X] bij [D] een schade geclaimd van een hoger bedrag."

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht het door [D] op de rekening van de Stichting [G] gestorte bedrag van € 250.000 in de heffing heeft betrokken, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij het bedrag van € 250.000 niet heeft ontvangen, dat het bedrag niet is betaald als vergoeding van te derven loon, en dat hij met [D] was overeengekomen dat een nettobedrag zou worden uitgekeerd.

3.3

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en van de navorderingsaanslag.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De Rechtbank heeft overwogen dat de vaststaande feiten ˗ in het bijzonder de inhoud van de minnelijke regeling tussen [D] en belanghebbende en de procedure waaruit die regeling is voortgevloeid, te weten een aansprakelijkstelling van [D] door belanghebbende voor de schade van belanghebbende uit de weigering van [D] om uitvoering te geven aan de tussen hen gesloten overeenkomst van 6 februari 1997, welke schade volgens de in die procedure namens belanghebbende uitgebrachte dagvaarding voornamelijk bestaat uit te derven inkomsten ˗ geen andere conclusie toelaten dan dat de uitbetaling door [D] van € 250.000 betrekking heeft op de derving van loon dat door belanghebbende zou zijn genoten indien de dienstbetrekking bij de door [D] op te richten nieuwe vennootschap tot stand zou zijn gekomen. Dit brengt mee, aldus de Rechtbank, dat die uitbetaling op grond van het bepaalde in artikel 3.82, aanhef en onderdeel a, ten eerste, van de Wet tot belanghebbendes belastbare loon moet worden gerekend.

4.2

Aldus heeft de Rechtbank op goede gronden een juist oordeel gegeven.

4.3

Evenzeer terecht heeft de Rechtbank geoordeeld dat het door [D] op de bankrekening van de Stichting [G] gestorte bedrag bestemd was voor belanghebbende en door hem is genoten in de zin van artikel 3.146, eerste lid, van de Wet. Bij die betaling deed zich een samenval van rechtsmomenten voor, waarbij enerzijds belanghebbende het door [D] betaalde bedrag genoot en anderzijds belanghebbende het door hem genoten bedrag deed toekomen aan de Stichting [G] .

4.4

Voorts heeft de Rechtbank terecht en op goede gronden belanghebbendes stelling verworpen dat het bedrag van € 250.000 als een met [D] afgesproken nettobedrag buiten de heffing moet blijven.

4.5

Belanghebbende heeft ter zitting met betrekking tot zijn stellingen over gemaakte kosten verklaard dat deze uitsluitend zien op door de Stichting [G] gemaakte kosten. Wat er zij van de gevolgen die belanghebbende aan die stellingen zou willen verbinden, de door belanghebbende gestelde kosten kunnen reeds hierom niet leiden tot een vermindering van zijn belastbare inkomen.

4.6

Onder hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd bevinden zich geen stellingen die zouden kunnen leiden tot een ander oordeel dan de Rechtbank heeft gegeven.

4.7

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de navorderingsaanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. J. Lamens, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 22 september 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma )

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 september 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.