Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7037

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
200.156.588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke verbondenheid vennoten van vennootschap onder firma voor alle schulden die ten tijde van hun toetreden tot de vennootschap bestaan en nadien ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1924
OR-Updates.nl 2015-0361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.156.588

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 129681)

arrest van 22 september 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. D.P. Kant,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. C.C.M. Peper.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 10 oktober 2012, 26 juni 2013, 4 december 2013 en 11 juni 2014 die de rechtbank Almelo, later Overijssel, zittingsplaats Almelo, tussen onder meer [appellante] als een der gedaagden en [geïntimeerde] als eiser heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 september 2014,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties.

2.2

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis van 26 juni 2013 heeft vastgesteld.
Voorts gaat het hof uit van navolgende feiten.

3.2

Uit de overgelegde uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 9 augustus 2013 en de bijbehorende historie blijkt dat [appellante] op 19 oktober 2011 is toegetreden tot de vennootschap onder firma V.O.F. Adviesgroep [A] (hierna: Adviesgroep [A]) en dat [B] op die datum is uitgetreden. [C] was op dat moment eveneens geregistreerd als vennoot. Tevens blijkt dat de onderneming met ingang van 10 augustus 2012 is overgedragen aan en als eenmanszaak is voortgezet door [C].

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Deze zaak gaat kort gezegd over het volgende. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg Adviesgroep [A] als ook [C] en [appellante] als voormalig vennoten van Adviesgroep [A] gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van € 35.000,-- en een schadebedrag van € 5.075,--, alsmede de wettelijke rente over die bedragen en de buitengerechtelijke kosten ad € 1.000,--. Aan die vordering heeft [geïntimeerde] – kort samengevat en voor zover hier van belang – ten grondslag gelegd dat Adviesgroep [A] haar verplichtingen jegens hem niet adequaat is nagekomen, omdat zij in 2007 het door hem ter beschikking gestelde bedrag van € 35.000,-- in strijd met de gegeven opdracht niet in een polis van [D] heeft gestort.

4.2

Nadat op 28 augustus 2013 Adviesgroep [A] en [C] in staat van faillissement waren verklaard, is de zaak tegen hen van rechtswege geschorst en tegen [appellante] voortgezet. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 11 juni 2014 [appellante] wegens de gestelde toerekenbare tekortkoming (een door Adviesgroep [A] beweerde overmaking in 2007 aan een andere maatschappij) veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een schadevergoeding van € 16.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der voldoening en een bedrag van € 1.000,-- wegens buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4.3

[appellante] vordert in het hoger beroep - samengevat – de vonnissen van 10 oktober 2012, 26 juni 2013, 4 december 2013 en 11 juni 2014 te vernietigen en het door [geïntimeerde] gevorderde af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en in de nakosten. Zij heeft hiertoe één grief aangevoerd, gericht tegen het eindvonnis van 11 juni 2014. Volgens [appellante] is zij ten onrechte veroordeeld tot betaling van de in 4.2 genoemde bedragen, omdat zij op grond van het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY7840) niet aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] gestelde schulden die al vóór haar toetreden tot Adviesgroep [A] waren ontstaan. Zij is enkel tot Adviesgroep [A] toegetreden omdat dit na het uitreden van [B] noodzakelijk was voor het voortbestaan van de vennootschap en zij hield zich als vennoot slechts bezig met eenvoudige administratieve handelingen en schoonmaakwerkzaamheden, aldus [appellante].

4.4

Tegen het tussenvonnis van 10 oktober 2012 staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geen hogere voorziening open, zodat het hof [appellante] in haar hoger beroep tegen dit tussenvonnis niet-ontvankelijk zal verklaren.

4.5

Het hof overweegt verder als volgt. In zijn arrest van 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:588) heeft de Hoge Raad, voor zover relevant, geoordeeld dat de in artikel 18 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) neergelegde hoofdelijke verbondenheid van de vennoten van een vennootschap onder firma alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot die vennootschap bestaan, of nadien ontstaan. De Hoge Raad overweegt dat deze bepaling de schuldeisers van een vennootschap onder firma beoogt te beschermen in een situatie waarin het afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen, door hun een verhaalsmogelijkheid te geven op het vermogen van de vennoten zelf. Het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van een vennootschap onder firma voor bij hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap dient bovendien de rechtszekerheid, omdat een onderzoek naar het ontstaansmoment van verbintenissen van de vennootschap, met het oog op de vraag welke vennoot daarvoor kan worden aangesproken, achterwege kan blijven. De Hoge Raad overweegt voorts dat de wettelijke regeling van de maatschap anders luidt dan die van (onder meer) de vennootschap onder firma, zodat de in het arrest van 15 maart 2013 voor de maatschap geformuleerde regels (waar [appellante] naar verwijst) niet bepalend zijn voor een vennootschap onder firma.

4.6

Uit het voorgaande volgt dat [appellante], anders dan zij betoogt, hoofdelijk aansprakelijk is voor verbintenissen van Adviesgroep [A] die vóór haar toetreden zijn ontstaan. Gelet op de met (de uitleg van) artikel 18 WvK beoogde rechtszekerheid en bescherming van schuldeisers, geven de door [appellante] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om een uitzondering op die regel toe te laten (zie in soortgelijke zin: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4141). De conclusie is dan ook dat [appellante] aansprakelijk is voor de – vóór haar toetreding ontstane – schuld aan [geïntimeerde]. De grief faalt.

5 Slotsom

5.1

Tegen het tussenvonnis van 10 oktober 2012 staat op grond van artikel 131 Rv geen hogere voorziening open, zodat het hof [appellante] in haar hoger beroep tegen dit tussenvonnis niet-ontvankelijk zal verklaren.

5.2

De grief faalt, zodat het bestreden vonnis van 11 juni 2014 zal worden bekrachtigd.

5.3

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] – zoals [geïntimeerde] heeft gevorderd: uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 704,-- aan griffierecht en € 894,--
(1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Almelo van 10 oktober 2012;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 juni 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 704,-- aan griffierecht en op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, Ch.E. Bethlem en R.C. Moed en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2015.