Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7023

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
21-000119-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6186, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3114, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd. Partieel nietigheidsverweer dagvaarding. Voorwaardelijk opzet. Aanvaarding aanmerkelijke kans. Geen eendaadse samenloop. Afwijzing beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000119-14

Uitspraak d.d.: 2 september 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 31 december 2013 met parketnummer 06-851216-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1952] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 augustus 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en veroordeling van verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 tot een gevangenisstraf van één maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en een werkstaf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V. Wolting, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 16 februari 2011 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) die [slachtoffer 1] (welke op een fiets op korte afstand voor hem uitreed) op korte afstand en/of met hoge snelheid is gevolgd en/of is blijven volgen, en/of

- ( vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter die [slachtoffer 1] aan is blijven rijden, en/of

- ( vervolgens) tegen de achterzijde van de fiets van die [slachtoffer 1] is aangereden,

- ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen, en/of - (vervolgens) over de fiets van die [slachtoffer 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 16 februari 2011 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) die [slachtoffer 1] (welke op een fiets op korte afstand voor hem uitreed) op korte afstand en/of met hoge snelheid is gevolgd en/of is blijven volgen, en/of

- ( vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter die [slachtoffer 1] aan is blijven rijden, en/of

- ( vervolgens) tegen de achterzijde van de fiets van die [slachtoffer 1] is aangereden, - ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen, en/of

- ( vervolgens) over de fiets van die [slachtoffer 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1. meer subsidiair:
hij op of omstreeks 16 februari 2011 te [plaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft mishandeld [slachtoffer 1] door

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) die [slachtoffer 1] (welke op een fiets op korte afstand voor hem uitreed) op korte afstand en/of met hoge snelheid is gevolgd, en/of

- ( vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter die [slachtoffer 1] aan is blijven rijden, en/of

- ( vervolgens) tegen de achterzijde van de fiets van die [slachtoffer 1] is aangereden,

- ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen, en/of waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2:
hij op of omstreeks 16 februari 2011 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] op korte afstand en/of met hoge snelheid te volgen, en/of

- ( vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] aan te (blijven) rijden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partieel nietigheidsverweer dagvaarding

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat de termen ‘hoge snelheid’ en ‘korte afstand’ in de tenlastelegging zodanig vaag zijn dat dit zou moeten leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding, heeft de rechtbank het volgende overwogen.

‘De rechtbank overweegt dat de termen ‘hoge snelheid’ en ‘korte afstand’ in het licht van de omstandigheden van dit geval en de situatie ter plaatse voldoende duidelijk in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering zijn. Het verweer van de raadsman strekkende tot partiële nietigheid van de dagvaarding wordt dan ook verworpen.’

Het hof sluit zich aan bij deze overweging en maakt deze tot de zijne.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Bij de beoordeling gaat het hof uit van de navolgende, aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden.

Verdachte was eigenaar van een golfbaan in [plaats] en in die hoedanigheid al vaker geconfronteerd met diefstal van golfballen van zijn terrein. Op 16 februari 2011 zag hij hoe enkele jongens, door hem geschat op 14 tot 16 jaar, onder het hek van zijn terrein doorkropen en vervolgens balletjes gingen rapen. Verdachte, ruim tweehonderd meter van hen verwijderd, schreeuwde naar de jongens die daarop met medeneming van in totaal ongeveer 20 balletjes het terrein verlieten. Verdachte is in zijn auto gestapt en via de openbare weg gereden in de richting van de plek waar de jongens het terrein hadden verlaten. De jongens, drie in getal, feitelijk in de leeftijd van 15 en 16 jaar en ieder op een fiets, reden inmiddels op de Konijnenbergerweg toen zij verdachte vanaf het golfterrein aan zagen komen rijden. Teneinde aan verdachte te ontkomen, zijn de jongens een toeristisch fietspad opgereden. Het was gemotoriseerd verkeer niet toegestaan van dit fietspad gebruik te maken, hetgeen ook verdachte bekend was. Dit fietspad, het Opbroeksterpad genaamd, was ter plaatse 1,70 meter breed en werd geflankeerd door - vanuit de rijrichting van de jongens gezien - links, na een smalle grasberm, het Apeldoorns Kanaal en rechts, eveneens na een smalle grasberm, een (oplopend) talud/dijk. Verdachte is in zijn Renault Espace, een groot formaat personenauto met een breedte van 1,86 meter, achter de jongens aan het fietspad opgereden. Die jongens fietsten hard maar al snel reed verdachte dicht achter de jongens op een afstand van 1,5 á 2 meter. Terwijl zij zo reden, op een afstand van ongeveer 100 meter vanaf het begin van het fietspad, kwam één van de jongens, de 15-jarige [slachtoffer 1] ten val waarbij hij rechts van zijn fiets op de grond belandde. Verdachte trachtte te ontwijken, remde, stuurde naar links, reed over de fiets van [slachtoffer 1] en duwde deze in liggende positie met zijn auto nog ongeveer 10 meter voort over het wegdek van het fietspad. Verdachte bracht zijn auto daarop tot stilstand, stapte uit, sommeerde de jongens hem zijn balletjes terug te geven, nam deze in ontvangst, keerde zijn auto en reed terug naar de golfbaan.

[slachtoffer 1] was door de val gewond geraakt aan zijn linkerknie, zijn fiets was rondom beschadigd.

[slachtoffer 1] verklaart te zijn gevallen nadat hij voelde dat hij van achteren door (de auto van) verdachte werd aangereden.

Verdachte verklaart te hebben gezien hoe [slachtoffer 1] in aanraking kwam met één van de andere jongens, waarna [slachtoffer 1] ten val kwam. Verdachte ontkent opzet op de dood c.q. zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] te hebben gehad, ontkent [slachtoffer 1] al dan niet opzettelijk te hebben aangereden en ontkent met zijn auto de fiets van [slachtoffer 1] te hebben geraakt voordat de fiets (nagenoeg) op de grond lag.

Het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse (VOA-pv) d.d. 16 maart 2011 behelst met betrekking tot de toedracht de volgende opmerking: "Door ons was niet vast te stellen of de fiets van achteren zou zijn aangereden of dat de fiets voor de Renault op de weg is gelegd."

Het hof overweegt het volgende.

Ten aanzien van de toedracht stelt het hof het volgende voorop. Het VOA-pv verschaft teleurstellend weinig aanknopingspunten voor de beantwoording van een belangrijke vraag in deze zaak: Is de val van [slachtoffer 1] veroorzaakt doordat verdachte met zijn auto tegen de achterzijde van de fiets van [slachtoffer 1] is gereden? Ofschoon de foto's in het dossier mogelijk een positief antwoord zouden kunnen suggereren, is het in het VOA-pv besloten liggend antwoord van de deskundigen summier maar helder: "Wij weten het niet." Een voor de hand liggend onderzoek naar de hoogte van de waargenomen groene verf op de bumper van verdachtes auto (pagina 16 proces-verbaal), de hoogte van de beschadigingen van het groenkleurige achterspatbord van de fiets van [slachtoffer 1] en een mogelijk oorzakelijk verband tussen beide schades, heeft niet plaatsgevonden. Verdachte ontkent. [slachtoffer 1] verklaart te hebben gevoeld dat hij door de auto aan de achterzijde van zijn fiets werd aangereden waardoor hij - in zijn woorden - werd gelanceerd. De beide andere jongens hebben, zoals de raadsman heeft benadrukt, wisselend verklaard over wat zij in dit opzicht wel/niet hebben waargenomen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat voor een positieve beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Daarbij tekent het hof aan dat het geen enkele aanleiding heeft te veronderstellen dat [slachtoffer 1] zou hebben gelogen, d.w.z. opzettelijk onwaarheid heeft gesproken. Wat twijfel doet ontstaan over de precieze toedracht is het gegeven dat naar algemene ervaringsregels de hele gang van zaken, zoals deze wel is komen vast staan en waarover hierna meer, bij met name [slachtoffer 1] een desoriënterende warboel aan impressies kan hebben teweeggebracht. Onder dergelijke omstandigheden plegen zintuigelijke waarnemingen en conclusies moeilijk van elkaar te scheiden te zijn, zodat [slachtoffer 1] ' verklaring met de nodige behoedzaamheid moeten worden beschouwd. Nu die verklaring op dit punt voldoende concludent steunbewijs ontbeert, zal het hof deze dan ook niet voor het bewijs gebruiken en het ervoor houden dat verdachte niet met zijn auto tegen (de achterzijde van de fiets van) de nog fietsende [slachtoffer 1] is gereden.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde (poging doodslag).

Aangaande het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel), overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte een zeer risicovolle situatie in het leven geroepen. Hij deed dit door met zijn auto relatief dicht achter een drietal hard fietsende jongens aan te rijden, op een smal fietspad dat voor die jongens noch voor verdachte een reële mogelijkheid bood om uit te wijken. Niet alleen was dit gedrag van verdachte intrinsiek risicovol, het droeg ook nog eens indirect bij aan het ontstaan van een gevaarlijke situatie. De jongens waren immers, schuldbewust na het pikken van de golfballen, op de vlucht voor verdachte door wie zij niet wilden worden gepakt. En door de jongens op de hiervoor beschreven, letterlijk grensoverschrijdende wijze te achtervolgen - verdachte had met zijn auto op dat fietspad immers niks te zoeken - demonstreerde verdachte hoe ver hij wel niet bereid was om te gaan ten einde de jongens, en zijn balletjes, te pakken te krijgen. Naar algemene ervaringsregels, en de verklaringen van de jongens bieden hiervoor ook aanknopingspunten, mag worden verwacht dat zodanig gedrag van verdachte een schrikreactie zo niet paniek bij de jongens teweeg heeft gebracht. Draagt schrik c.q. paniek in het algemeen al niet bij aan de verkeersveiligheid, in dit geval gold dat eens temeer aangezien het gevaar van achteren kwam waardoor de natuurlijke neiging tot herhaaldelijk achterom kijken ontstond. Een actie die onder de gegeven omstandigheden, gedrieën hard fietsend op een smal fietspad, niet alleen onverstandig maar bovenal nauwelijks te onderdrukken en zeer voorspelbaar was. Het gaat dan ook mis, één van de jongens, [slachtoffer 1] die links naast één van de broers [achternaam slachtoffers 2 en 3] fietst, komt met zijn fiets ten val. De mate van gevaarzetting door verdachtes gedrag blijkt vervolgens onmiskenbaar. De jongen valt naar rechts. Verdachte brengt zijn auto niet tijdig tot stilstand, weet zijn auto nog wel links langs de jongen te manoeuvreren, remt, rijdt niettemin op/over de fiets van de jongen waarbij zijn auto ook licht beschadigd raakt en duwt/sleept de fiets nog een meter of tien voort over het fietspad. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat verdachte door een combinatie van - onder de gegeven omstandigheden - té hoge snelheid en té geringe afstand tot de voor hem fietsende jongens, de controle over de door hem welbewust ingezette actie in feite volledig kwijt was. Er was, zogezegd, geen redden meer aan, waarmee - in juridische termen - de poging was voltooid.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat verdachte een situatie in het leven heeft geroepen die niet alleen een aanmerkelijke kans in zich borg dat (één van) de jongens met de fiets ten val zou(den) komen, maar ook dat verdachte vervolgens met zijn auto de gevallen jongen(s) zou aan- c.q. overrijden. En waar het antwoord op de vraag of een enkele val met/van de fiets een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert nog voor discussie vatbaar is, is dat in redelijkheid niet meer aan de orde in geval van verwezenlijking van het tweede scenario.

Met de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn gedragingen zwaar lichamelijk letsel van - in casu - [slachtoffer 1] tot gevolg zou hebben.

Ook de vraag of verdachte moet worden geacht deze aanmerkelijke kans te hebben aanvaard, beantwoordt het hof, met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman, bevestigend. Die bevestiging vindt haar grond in de eerste plaats in het feit dat verdachte over enige afstand op de hiervoor beschreven wijze achter de jongens aan is blijven rijden. Daar komt bij dat verdachte desgevraagd ter terechtzitting heeft verklaard dat hij voornemens was de jongens op de hiervoor beschreven wijze te blijven volgen tot een, door hem gestelde, verderop gelegen, door bosschages veroorzaakte versmalling van het fietspad. Tot slot duidt ook de handelwijze van verdachte na de valpartij op het feit dat hij kennelijk de mogelijke consequenties van zijn handelwijze op de koop toe had genomen. Die handelwijze duidt op weinig schrik c.q. verraadt grote onverschilligheid. Immers, nadat hij zijn auto tot stilstand had gebracht, vraagt (en krijgt) verdachte zijn golfballen terug, om vervolgens de plaats delict te verlaten en terug te rijden naar de golfbaan, zonder zich verder om de jongens of de door hem overreden fiets te bekommeren. Ofschoon hij erkent te hebben gezien dat [slachtoffer 1] verwond was aan zijn knie, heeft hij hulp aangeboden noch ingeschakeld. Ook zijn gegevens heeft hij niet achtergelaten - hij veronderstelde, zo verklaarde hij nadien, dat zij hem wel wisten te vinden.

Van indicaties dat verdachte de hiervoor besproken 'aanmerkelijke kans' niet heeft aanvaard, is het hof niet gebleken. Daarbij verdient opmerking dat het feit dat verdachte bij het innemen van de golfballen een keer het woord "sorry" heeft uitgesproken, niet als zodanige contra-indicatie kan gelden. In de eerste plaats niet, omdat het feitelijke gedrag van verdachte scherp contrasteert met de mogelijk aan het woordje toe te kennen betekenis. In de tweede plaats niet, omdat verdachte, gevraagd naar de bedoeling van zijn "sorry", heeft verklaard dat de uiting ervan berustte op een reflex.

Het verweer van de raadsman aangaande het onder 2 ten laste gelegde (bedreiging), vindt weerlegging in het hiervoor overwogene en in de (eventueel) nader aan te duiden bewijsmiddelen. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat bij de jongens de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en ook dat het opzet van verdachte op het teweegbrengen van die vrees was gericht.

Eendaadse samenloop

Anders dan de rechtbank en de raadsman, is het hof niet van oordeel dat de beide bewezenverklaarde feiten moeten worden aangemerkt als te zijn gepleegd in eendaadse samenloop. Het toepassingsbereik van het leerstuk van de eendaadse samenloop is blijkens vaste rechtspraak vernauwd tot 'uitzonderlijke gevallen' (De Hullu, vijfde druk, VIII, 2.3.2). De gebruikelijke toetsstenen zijn eenheid van tijd en plaats, alsmede een vergelijkbare strekking van de betrokken strafbepalingen.

In dit geval ligt meerdaadse samenloop reeds besloten in de bewezenverklaring onder 2. waarin immers naast [slachtoffer 1] , slachtoffer van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, ook de twee andere jongens als subject van verdachtes bedreiging worden aangemerkt. De (relatief academische) vraag of ten aanzien van [slachtoffer 1] dan toch nog sprake is van (partieel) eendaadse samenloop beantwoordt het hof, in aanmerking genomen de restrictieve interpretatie in de jurisprudentie, ontkennend nu de strekkingen 'lichamelijke integriteit' (het beschermd rechtsbelang van art. 302 Sr.) en 'persoonlijke vrijheid' (het beschermd rechtsbelang van art. 285 Sr.) weliswaar een zekere overlap kennen maar niet kunnen gelden als vergelijkbaar in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Noodweer

Anders dan de rechtbank, is het hof niet van oordeel dat ten tijde van de door verdachte begane feiten niet langer sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de literatuur (vgl. De Hullu, vijfde druk, V.3.3, nt. 201) valt immers af te leiden dat de aanranding ook kan voortduren nadat het strafbare feit waartegen de verdediging zich richt, in casu de diefstal van de golfballen, is voltooid. Dit klemt temeer nu in dit geval de diefstal op heterdaad is ontdekt, verdachte meteen de achtervolging heeft ingezet en de jongens, met hun buit, de plaats delict zojuist hadden verlaten.

Wel is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat verdachtes beroep op noodweer afstuit op de eis dat de handelwijze van verdachte moet zijn 'geboden door de noodzakelijke verdediging'. Aan die eis is in dat geval niet voldaan, sterker nog, naar 's hofs oordeel is hier sprake van een forse wanverhouding tussen het aangerande rechtsbelang: het bezit van een 20-tal golfballen, en de door de verdachte gekozen verdedigingswijze: het met behulp van een daartoe onder de gegeven omstandigheden bij uitstek geschikt middel, een auto, creëren van een ernstig risico op zwaar lichamelijk letsel voor de dief.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 16 februari 2011 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) die [slachtoffer 1] (welke op een fiets op korte afstand voor hem uitreed) op korte afstand en/of met hoge snelheid is gevolgd en/of is blijven volgen, en/of

- ( vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter die [slachtoffer 1] aan is blijven rijden, en/of

- (vervolgens) tegen de achterzijde van de fiets van die [slachtoffer 1] is aangereden,

- ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen, en/of

- ( vervolgens) over de fiets van die [slachtoffer 1] is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2:
hij op of omstreeks 16 februari 2011 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] op korte afstand en/of met hoge snelheid te volgen, en/of

- ( vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] aan te (blijven) rijden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met het oog op de bepaling van de op te leggen strafmodaliteit en -maat dient in aanvulling op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de toedracht van de misdrijven, te worden stilgestaan bij de gevolgen voor de slachtoffers en de attitude, toen en thans, van verdachte.

Uit de verklaringen c.q. voegingsformulieren van de gebroeders [achternaam slachtoffers 2 en 3] blijkt dat zij bijzonder geschrokken zijn van de gedragingen van verdachte en - met name - van de gevolgen die deze voor hun vriend [slachtoffer 1] hebben gehad. Die gevolgen laten zich als volgt samenvatten: [slachtoffer 1] is per ambulance van de plaats delict afgevoerd en bleek bij onderzoek aan zijn linkerknie een "vieze wond" door de val te hebben opgelopen waarbij een pees bloot heeft gelegen. Hij heeft daarna twee weken met een brace moeten lopen en lange tijd fysiek hinder ondervonden van het letsel in zowel zijn werk (autoschadehersteller), als in zijn sport (motorcross). Ook mentaal heeft [slachtoffer 1] geruime tijd te kampen gehad met de naweeën van de delicten. Naar hij aangeeft niet alleen door de delicten als zodanig maar ook door verdachtes gedrag direct na de valpartij. Bij de bespreking van 'de aanvaarding' is reeds weergegeven waarin dat gedrag bestond.

In de visie van het hof roept de doldrieste actie van verdachte de analogie op van schieten met een kanon op een mug. Op de bewuste middag wilde verdachte maar één ding: zijn golfballen terug. En daar moest, zo niet alles, dan toch veel, teveel, voor wijken. Tot de fysieke veiligheid van de jongens aan toe. Verdachtes verklaring dat hij alleen maar een stichtelijk gesprek met de jongens wilde voeren, is volstrekt ongeloofwaardig en vindt weerlegging in de feitelijke gang van zaken. Niet alleen in het feit van het plegen van de delicten, maar ook in het feit dat verdachte dat gesprek helemaal niet voert. Op de plaats delict niet, maar ook in het natraject onderneemt hij daartoe geen enkel initiatief. Zodra hij zijn golfballen terug heeft, is het kennelijk klaar voor verdachte, en de rest is verzekeringswerk. Bezit, ook als het gaat om golfballen die op een golfbaan zijn achtergebleven, is beschermenswaardig en de wet biedt hiertoe de nodige ruimte. Maar het gaat niet aan om, wat toch bij uitstek heeft te gelden als een - let wel: straf- en vervolgbare - kwajongensstreek betaald te zetten met een fors geweldsdelict als waarvan hier sprake is en aldus een relatief bescheiden rechtsconflict te laten ontaarden in een traumatische gebeurtenis voor de betrokkenen.

De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn tot strafmatiging strekkend pleidooi erop gewezen dat de gebeurtenissen van die dag ook voor verdachte al de nodige negatieve consequenties teweeg hebben gebracht - nadat de pers lucht had gekregen van zijn veroordeling in eerste aanleg, zag verdachte zich genoodzaakt zijn politieke carrière vroegtijdig te beëindigen. Het hof kent aan dit gevolg geen betekenis toe. Een strafrechtelijke veroordeling heeft voor heel veel mensen ver(der)strekkende consequenties, onder meer in de sfeer van werk, bijvoorbeeld door de onthouding van een Verklaring Omtrent Gedrag. Daarmee pleegt slechts in geval van bijzondere omstandigheden rekening te worden gehouden, waarvan hier niet is gebleken. Daarbij komt het volgende. Aan het einde van zijn politieverhoor d.d. 3 mei 2011, maakt verdachte kenbaar dat hij nog een opmerking wil maken. Daartoe in de gelegenheid gesteld, merkt hij dan op dat hij als vader van [slachtoffer 1] "naar de bestuurder van de auto was gegaan om samen met hem de schade onderling te regelen". Desgevraagd verklaarde verdachte ter terechtzitting van het hof nog steeds die mening te zijn toegedaan. Naar het oordeel van het hof getuigt deze opstelling van het feit dat verdachte (nog altijd) niet (voldoende) doordrongen is van de ernst van zijn misstap. Dit onderstreept het belang van een justitiële correctie en sanctionering.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juli 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van nu te noemen duur passend zijn.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 759,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de gevorderde materiele schade is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. A.J. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier,

en op 2 september 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. B.J.J. Melssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 2 september 2015.

Tegenwoordig:

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. W.V. Gerretschen, advocaat-generaal,

mr. M. Nijhuis, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.