Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6993

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
200.158.431/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderlijke verantwoordelijkheid en zorgregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.158.431/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/341312/FL RK 13-772 13-770)

beschikking van de familiekamer van 17 september 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S. Luyt, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat voorheen: mr. J.A. Neslo, kantoorhoudende te Lelystad,

thans zonder advocaat.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 12 februari 2015 een (tussen)beschikking gegeven.

1.2

Ter griffie van het hof zijn nadien binnengekomen:

- op 1 juli 2015 een brief van 29 juni 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) met bijlage;

- op 26 juli 2015 een journaalbericht van 22 juli 2015 van mr. Neslo met bijlagen;

- op 22 juli 2015 een journaalbericht van die datum van mr. Neslo, waarbij zij zich als advocaat van de man onttrekt;

- op 30 juli 2015 een journaalbericht van 28 juli 2015 van mr. Luyt met bijlage.

1.3

Uit genoemde journaalberichten, binnen gekomen op 26 juli 2015 van mr. Neslo en op 30 juli 2015 van mr. Luyt blijkt dat partijen geen behoefte hebben aan een nadere mondelinge behandeling. Daarom zal het hof de zaak thans verder op de stukken afdoen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van

12 februari 2015, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

* de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

2.2

In genoemde (tussen)beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen met betrekking tot hun op 9 september 2009 geboren dochter [de minderjarige] . De raad heeft aan dit verzoek voldaan en op 26 juni 2015 een onderzoeksrapport uitgebracht waarin een advies aan het hof is opgenomen. Zowel door de raad als het hof zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun reactie te geven op het raadsrapport. Partijen hebben van beide gelegenheden gebruik gemaakt.

2.3

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie voldoende voorgelicht om een "definitieve" beslissing te kunnen nemen over welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen in het belang van [de minderjarige] het meest wenselijk is. De door de vrouw verzochte aanhouding van de beslissing voor de duur van een half jaar wijst het hof af omdat het hof van oordeel is dat het belang van [de minderjarige] thans het meest gediend is met duidelijkheid en continuïteit en derhalve met een eindbeslissing in deze zaak.

2.4

Het hof heeft in de (tussen)beschikking van 12 februari 2015 ernstige zorgen geuit over de opvoedingssituatie waarin [de minderjarige] zich bevindt. Destijds bleek dat zij bij voortduring geconfronteerd werd met de (heftige) strijd en de slechte verstandhouding tussen haar ouders. Ondanks dat het hof partijen zowel ter zitting van 30 januari 2015 als in de (tussen)beschikking van 12 februari 2015 daartoe in het belang van [de minderjarige] met klem had opgeroepen, hebben zij geen traject afgerond om aan hun onderlinge communicatie te werken.

2.5

Uit het raadsonderzoek is naar voren gekomen dat bepaalde zaken uit het verleden de ouders nog dwarszitten en dat sprake is van een gebrek aan wederzijds vertrouwen. Partijen diskwalificeren elkaar onveranderd over en weer als ouders van [de minderjarige] .

2.6

Tijdens een gezamenlijk gesprek bij de raad op 21 april 2015 zijn met de ouders de volgende afspraken gemaakt:

- De ouders zullen kijken naar de mogelijkheden om met elkaar op neutraal terrein in gesprek te gaan om te kijken naar wat zij onderling nog kunnen afspreken;

- De ouders houden elkaar op de hoogte van belangrijke gebeurtenissen; zij zullen daarbij gebruik maken van een overdrachtschrift. [de minderjarige] wordt betrokken bij het invullen van het schrift. Als de ouders van [de minderjarige] opmerkingen horen die zij niet kunnen plaatsen of dingen signaleren, zullen zij contact met elkaar opnemen en vragen wat er gebeurd is. Zij zullen dan niet hun eigen invulling eraan geven en zij zullen zich ook niet meteen aangevallen voelen als de vraag gesteld wordt;

- De ouders gaan zich samen aanmelden voor ouderschapsbemiddeling.

2.7

Tijdens een tweede gezamenlijk gesprek bij de raad op 9 juni 2015 is gebleken dat nog nauwelijks vorderingen waren geboekt; de onenigheid tussen de ouders over de uitvoering van de zorgregeling en de verwijten over en weer als ouder van [de minderjarige] zijn onverminderd doorgegaan en de ouders zijn geen gebruik gaan maken van een overdrachtschrift. De vrouw heeft wel contact opgenomen met [B] voor het programma " [C] ".

Ter gelegenheid van dit gesprek hebben de ouders afgesproken dat de vrouw een overdrachtschrift zou kopen. Ook hebben zij beiden toegezegd een voor de toelating tot het programma " [C] " benodigde verwijsbrief bij de huisarts te zullen vragen.

2.8

Uit het raadsrapport komt naar voren dat de verhoudingen tussen partijen nog steeds op scherp staan. Beide ouders willen een zorgregeling die is afgestemd op hun eigen persoonlijke omstandigheden en komen daarin niet tot overeenstemming. Ouders lijken hiermee te vervallen in een machtsstrijd over wie wat bepaalt in plaats van met elkaar samen te werken en te komen tot een werkbare oplossing voor iedereen. Uitermate zorgelijk in dit verband acht het hof het feit dat de man het, gelet op de onder 2.7 genoemde afspraak en toezegging aanvankelijk kennelijk constructieve, gesprek van 9 juni 2015 bij de raad uiteindelijk boos heeft verlaten nadat hem was meegedeeld dat niet tegemoet zou worden gekomen aan zijn wens om de zorgregeling op vrijdagavond in plaats van zaterdagochtend te laten ingaan. De indruk van zowel de aanwezige raadsmedewerkers als de vrouw was dat de man zich daarbij bedreigend richting de vrouw opstelde.

2.9

De ouders lijken zo op te gaan in hun onderlinge strijd dat zij voorbij gaan aan wat de gevolgen van hun slechte verstandhouding voor [de minderjarige] zijn en wat het meest in haar belang is. Ook de overdrachtsmomenten verlopen namelijk nog steeds niet soepel. Dit is belastend voor [de minderjarige] . Desondanks gaat het gelukkig wel goed met haar. Zij is net 6 jaar geworden. [de minderjarige] heeft een opgeruimd karakter. Haar cognitieve en sociale ontwikkeling verloopt goed en zij gaat graag naar haar vader. Gezien haar nog jonge leeftijd is het op dit moment voor [de minderjarige] het belangrijkste dat er duidelijkheid komt over wanneer en hoelang zij bij wie van haar beide ouders verblijft. Dat geeft haar rust en houvast. De door de vrouw verzochte aanhouding van de beslissing om de ontwikkelingen af te wachten, in het bijzonder of de man zijn medewerking gaat verlenen, acht het hof daarom niet in het belang van [de minderjarige] . Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

2.10

Mede gelet op het raadsadvies acht het hof het onverminderd, in het belang van [de minderjarige] , het meest wenselijk dat zij om de week van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijft. Ook ziet het hof geen aanleiding om anders te kijken naar de haal- en brengtaak van de man zoals verwoord onder 4.7 van de (tussen)beschikking. In het feit dat de man [de minderjarige] in verband met zijn werk op vrijdagavond niet altijd kan ophalen, ziet het hof reden temeer om de zorgregeling, anders dan de man wenst, pas op zaterdagochtend te laten aanvangen. Wat betreft de vakantieregeling sluit het hof zich (deels) aan bij het advies van de raad in die zin dat de zomervakantie en de kerstvakantie (en mogelijk overige (grote) vakanties van minimaal twee weken) tussen partijen bij helfte verdeeld dienen te worden, dat de feestdagen, zoals Kerstmis en Oudjaar, gelijk moeten worden verdeeld en dat [de minderjarige] op Vaderdag bij de man en op Moederdag bij de vrouw is. De vakanties van korter dan twee weken verblijft [de minderjarige] bij de vrouw.

2.11

In aanvulling op het vorenstaande acht het hof, evenals de raad, een uitbreiding van het contact tussen de man en [de minderjarige] middels Skype wenselijk. Anders dan in haar reactie aan de raad van 27 juni 2015, heeft de vrouw in haar reactie aan het hof van 28 juli 2015 weliswaar aangegeven dat zij geen Skypefaciliteit heeft, maar nu dit een gratis internetservice betreft die via de computer of mobiele telefoon - communicatiemiddelen die in deze tijd voor zo goed als iedereen beschikbaar zijn - te activeren is, ziet het hof daarin geen onoverkomelijk bezwaar. Tussen de fysieke contactmomenten door is het in het belang van [de minderjarige] dat zij op vaste tijden voor een duur die passend is bij haar leeftijd Skype-contact heeft met de man. Het hof denkt daarbij aan een Skypemoment op de woensdag tussen 19.00 en 19.15 uur. Hoe jonger [de minderjarige] is, hoe korter haar aandachtspanne hiervoor zal zijn. Het hof vertrouwt er op dat ouders hiermee rekening zullen houden.

2.12

Met de raad is het hof van oordeel dat het voor een goede uitvoering van de zorgregeling en in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat er hulpverlening ingezet wordt gericht op het ouderschap van de man en de vrouw als ex-partners en de invloed van hun vechtscheidingsproblematiek op [de minderjarige] alsmede op individuele hulpverlening voor de ouders zelf om de impact van de relatiebreuk te verwerken. Van belang is dat de ouders op een constructieve manier met elkaar over [de minderjarige] leren te communiceren. Voor zover zij dit nog niet hebben gedaan behoren de ouders zich hiertoe zelf zo spoedig mogelijk aan te melden. Zij hebben beiden tijdens het gesprek op 9 juni 2015 met de raad toegezegd een verwijsbrief bij de huisarts te vragen op naam van [de minderjarige] voor hulpverlening van [B] voor het programma " [C] ". Mocht deze hulpverlening niet binnen afzienbare termijn toegankelijk zijn, dan kan er via de jeugdwijkteams van de gemeente gekeken worden welk hulpverleningsaanbod er op dat moment in de regio wel beschikbaar is. Ook in dat geval wordt actie en initiatief van de ouders verwacht. Dat hoort bij hun taken van ouderlijke verantwoordelijkheid.

2.13

Als in de loop van de tijd mocht blijken dat één van partijen geen hulpverlening accepteert, ernstige conflicten tussen hen voortduren en [de minderjarige] daarvan (meer) last gaat krijgen, is ook het hof - gelijk de raad - van oordeel dat toezicht en aansturing in een gedwongen kader overwogen dient te worden.

* de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]

2.14

Nu geen van partijen de bij (tussen)beschikking van 12 februari 2015 verzochte nadere en actuele financiële (inkomsten)gegevens heeft overgelegd, ziet het hof geen reden wat betreft de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen per 1 januari 2015 anders te oordelen dan in die (tussen)beschikking is gedaan.

2.15

Het hof ziet in de inhoud van de "definitief" vast te stellen zorgregeling zoals hiervoor overwogen geen reden om af te wijken van het eerder gebezigde percentage van 15 wat betreft de zorgkorting, mede nu de man daar niets tegenin heeft gebracht. Derhalve dient de man vanaf 1 januari 2015 onveranderlijk € 209,- per maand aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als volgt:

4 De beslissing

Het gerechtshof:

ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 22 juli 2014, voor zover het de zorgregeling betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw als volgt:

- [de minderjarige] verblijft om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man;

- [de minderjarige] verblijft de helft van de zomervakantie en van de kerstvakantie en van mogelijke overige vakanties van minimaal twee weken bij de man;

- [de minderjarige] verblijft de helft van de feestdagen bij de man;

- [de minderjarige] verblijft op Vaderdag bij de man en op Moederdag bij de vrouw;

- de man haalt en brengt [de minderjarige] steeds;

- [de minderjarige] heeft op woensdag Skype-contact met de man tussen 19.00 uur en 19.15 uur voor een duur die passend is bij haar leeftijd;

ten aanzien van de kosten van verzorging en opvoeding

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 januari 2015 en voor zover nog niet voldaan, € 209,- per maand aan de vrouw zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. M.P. den Hollander en

mr. D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 september 2015 in bijzijn van de griffier.