Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6807

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
200.141.894/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vordering tot het teveel bijgedrage in de kosten van de huishouding afgewezen onder verwijzing naar het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen vervalbeding. De verzoeken met betrekking tot de aangegane leningen/schulden ten aanzien van de kosten van de huishouding gedeeltelijk afgewezen, vanwege onduidelijkheid over de herkomst en de besteding van de gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.894/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/136427 / HA ZA 12-314)

arrest van de vijfde kamer van 15 september 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.M. Jansen, kantoorhoudend te Roden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.H. Heeg, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

27 februari 2013 en 6 november 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 januari 2014,

- de memorie van grieven d.d. 6 mei 2014 met productie,

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep

d.d. 17 juni 2014 met producties,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep d.d. 7 oktober 2014.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, het moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij arrest:

I. te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 3 juli 2013 (het hof begrijpt: 6 november 2013), gewezen onder zaak- en rolnummer C/18/136427 / HA ZA 12-314, waarvan beroep;

II. opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellant als eiser in conventie in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en de vorderingen van geïntimeerde als eiseres in reconventie en als gedaagde in conventie in eerste aanleg alsnog af te wijzen;

III. geïntimeerde te veroordelen in het nasalaris zijdens appellant, zijnde een bedrag van € 131,-, standaard forfaitair bepaald;

IV. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder de deurwaarderskosten, het griffierecht en het salaris van de (proces)advocaat van appellant, standaard forfaitair bepaald en te begroten volgens het gebruikelijke tarief."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"het uw Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, moge behagen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden te bevestigen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, d.d. 6 november 2013 tussen appellante en geïntimeerde in conventie gewezen, voor zover zulks inhoudt afwijzing van de vorderingen van de man en het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, d.d. 6 november 2013 in reconventie in conventie te vernietigen voor zover de vorderingen van de man geheel of gedeeltelijk zijn toegewezen en de vorderingen van de vrouw zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende dat het uw Gerechtshof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te veroordelen om aan de vrouw een bedrag van € 1.500,00 te voldoen wegens de aflossing van een bedrag van € 3000,00 in het jaar 2008 op de schuld van mevrouw [X] uit privévermogen van de vrouw vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de eis in reconventie d.d. 7 november 2012 dan wel vanaf een door uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen datum;

II. te bepalen dat de vrouw de oorspronkelijke schuld aan mevrouw [X] van € 8.000,00 voor haar rekening dient te houden en te bepalen dat de man een onderbedelingsvordering aan de vrouw dient te voldoen van € 4.000,00 en subsidiair de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen de helft van de bedragen die zij aan mevrouw [X] heeft voldaan, zijnde een bedrag van € 2.125,00 vermeerderd met de bedragen die zij nog aan mevrouw [X] zal moeten voldoen krachtens de bovengenoemde lening en zeer subsidiair, indien uw Gerechtshof van mening is dat de schuld niet aan de vrouw kan worden toebedeeld, te bepalen dat ieder der partijen de helft van de restantschuld van € 3.750,00, dus € 1.875,00 per persoon, voor zijn/haar rekening dient te nemen en indien een van beide partijen een hoger bedrag heeft voldaan dan hij/zij uit hoofde van bovenstaande verplicht is, te bepalen dat de ander een bedrag gelijk aan het teveel betaalde aan deze partij dient te vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum voldoening;

III. de man te veroordelen om aan de vrouw een bedrag van € 7.990,83 te voldoen ten aanzien van de door de vrouw gedane betaling ten behoeve van het café van de man, het Ministerie van Volksvermaak, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de eis in reconventie d.d. 7 november 2012 dan wel vanaf een door uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen datum;

IV. indien uw Gerechtshof van mening is dat de vrouw een gedeelte van de schuld bij Ziggo dient te dragen c.q. te vergoeden aan de man, de man te veroordelen om een vergoeding aan de vrouw te voldoen ten aanzien van de door de vrouw voldane kosten van de huishouding, namelijk de kosten van huur, Essent, waterbedrijf, Menzis, Univé en gemeentelijke belastingen van in totaal € 10.880,98 : 2 = € 5.440,49 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de conclusie van eis in reconventie d.d. 7 november 2012 dan wel te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen datum en te bepalen dat de vrouw recht op verrekening toekomt van haar vordering op de man met de eventuele vordering van de man op de vrouw;

V. de man te veroordelen in de kosten van beide instanties waaronder het griffierecht en het salaris van de advocaat van de vrouw, standaard forfaitair bepaald en te begroten volgens het gebruikelijke tarief alsmede de kosten gemaakt na het vonnis."

3 De feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[appellant] en [geïntimeerde] zijn [in 2003] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

3.3

In deze huwelijkse voorwaarden staan - voor zover hier van belang - de volgende bepalingen opgenomen:

" Aansprakelijkheid voor schulden

Artikel 2

Voor schulden van ieder van de echtgenoten is aansprakelijk degene die de desbetreffende schuld heeft doen ontstaan. Voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding is ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk.

(…)

Vergoedingen

Artikel 4

De echtgenoten zijn, voor zover zij niet anders zijn overeengekomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking.

Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.

(…)

Kosten huishouding

Artikel 7

Onder de kosten van de huishouding worden in ieder geval begrepen:

- de uitgaven voor voeding en kleding;

- de uitgaven voor ontwikkeling en ontspanning;

- de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen;

- de belastingen die drukken op inkomen uit werk en woning en de belastingen die drukken op inkomen uit aanmerkelijk belang;

- de premies volksverzekeringen, en

- de kosten van huisvesting.

Premies van een spaarverzekering in verband met een aan beide partijen toebehorende woning behoren tot de kosten van de huishouding, tenzij partijen onderling uitdrukkelijk anders overeenkomen.

In verband met de uitsluiting van de wettelijke pensioenverevening zullen de door ieder van de echtgenoten betaalde (netto)pensioenpremies niet als kosten van de huishouding worden beschouwd en ook niet in mindering kunnen strekken op de inkomsten.

Onder de kosten van de huishouding wordt niet begrepen datgene wat op grond van overlijdensrisicoverzekeringen verschuldigd is.

Geen jaarlijkse verrekening

De echtgenoten komen geen periodieke verrekening van gespaard inkomen overeen.

Geen finale verrekening bij einde huwelijk door overlijden

De echtgenoten komen geen finale verrekening bij het einde van het huwelijk door overlijden overeen.

Geen finale verrekening bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed

De echtgenoten komen geen finale verrekening bij einde van het huwelijk door echtscheiding of scheiding van tafel en bed overeen.

(…)

Verval van rechten

Artikel 9

Het recht tot het vorderen van het te veel bijgedragene in de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 7 vervalt een half jaar na de ontbinding van het huwelijk of in geval van scheiding van tafel en bed een half jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. "

3.4

[in 2011] is het huwelijk van [appellant] en [geïntimeerde] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [2011] in de registers van de burgerlijke stand.

3.5

Bij de echtscheidingsbeschikking is tevens de verdeling gelast van de tussen

[appellant] en [geïntimeerde] bestaande huwelijksgemeenschap, voor zover aanwezig, met inachtneming van de huwelijkse voorwaarden.

3.6

[appellant] heeft op 7 februari 2012 een vaststellingsovereenkomst met [Y] gesloten, waarin zij het volgende zijn overeengekomen:

" (…)

- dat [Y] aan [appellant] een bedrag heeft geleend van € 10.000,-- (zegge tienduizend euro)

- dat [Y] door een misverstand de ex-vrouw van [appellant] mede-aansprakelijk heeft gesteld voor de terugbetaling van datgene dat [appellant] uit hoofde van de lening aan hem verschuldigd is

- dat [Y] geen verdere incasso- en/of rechtsmaatregelen tegen de ex-vrouw [geïntimeerde] zal instellen

- dat [appellant] tegen finale kwijting een bedrag van € 4.500,-- (zegge vierduizend en vijfhonderd euro) aan [Y] zal voldoen

- dat [appellant] bij het ondertekenen van deze overeenkomst een bedrag van

€ 2.000,-- (zegge: tweeduizend euro) direkt zal voldoen

- dat [appellant] in de maand maart 2012 een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro) zal voldoen

- dat [appellant] in de maand april 2012 een bedrag van € 1.500,-- (zegge: éénduizend en vijfhonderd euro) zal voldoen

- dat [Y] kwijting voor de rest van de lening zal verlenen op het moment dat [appellant] zich aan de voorgaande financiele verplichtingen heeft gehouden

- dat [appellant] er mee bekend is dat bij niet (tijdige) nakoming van de financiele verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst, hij aansprakelijk is en blijft voor het totaal bedrag van € 10.000,-- (zegge: tienduizend euro) en dat hij de bedragen die hij reeds voldaan zou kunnen hebben als boete wordt aangemerkt en bij niet nakoming van de financiele verplichtingen niet op het totaal bedrag in mindering kunnen/mogen worden gebracht

- dat [Y] en [appellant] bevoegd zijn om deze overeenkomst te sluiten en te ondertekenen

- dat [geïntimeerde] deze overeenkomst voor gezien en akkoord zal ondertekenen

(…) "

3.7

In de op schrift gestelde verklaring van [X] d.d. 9 juni 2014 staat onder meer het volgende:

" U vroeg mij om een getuigenverklaring van het geld dat ik Dhr. [appellant] en

Mevr. [geïntimeerde] heb geleend.

In 2005 hebben ze € 3000,- van mij geleend, dit hebben ze samen uit [plaats] gehaald en cash ontvangen voor rekeningen/hypotheek.

21-12-2005 heb ik op verzoek van Dhr. [appellant] en Mevr. [geïntimeerde] € 8000,- overgemaakt op rekening [nummer] .

Dit was wederom om hun te helpen voor huishoudelijke kosten, hypotheek e.d.

(…) "

4. De procedure in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft bij dagvaarding in eerste aanleg d.d. 17 september 2012 verzocht bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] ten opzichte van [appellant] aansprakelijk is voor de helft van de gedurende het huwelijk van partijen ontstane schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding;

  • -

    [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen bedragen groot € 1.000,-,

€ 850,- en € 400,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf respectievelijk

7 februari, 9 maart en 30 april 2012, althans 4 september 2012, althans de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

- [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 4.449,94, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 september 2012, althans de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening,

één en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding, waaronder de dagvaardingskosten, het griffierecht en salaris (proces)advocaat, standaard forfaitair bepaald.

4.2

[geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie

d.d. 7 november 2012 in conventie verzocht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure. In reconventie heeft [geïntimeerde] verzocht om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de volgende wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen dan wel partijen te gelasten als volgt de huwelijkse voorwaarden af te wikkelen:

  • -

    [appellant] te veroordelen om een bedrag van € 2.000,-- aan [geïntimeerde] te voldoen uit hoofde van het feit dat [geïntimeerde] uit haar privévermogen een bedrag van € 4.000,-- op de schuld aan [Z] heeft afgelost;

  • -

    [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 1.500,-- te voldoen wegens de aflossing van een bedrag van € 3.000,-- in het jaar 2008 op de schuld aan mevrouw [X] uit het privévermogen van [geïntimeerde] ;

  • -

    [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 7.990,83 te voldoen ten aanzien van de door [geïntimeerde] gedane betalingen ten behoeve van het café van [appellant] , het Ministerie van Volksvermaak;

  • -

    primair te bepalen dat [geïntimeerde] het restant van de schuld aan mevrouw [X] voor haar rekening dient te nemen en [appellant] de overige schulden waaronder de schulden aan [Z] , Ziggo en [Y] en te bepalen dat [appellant] [geïntimeerde] uit hoofde van iedere aanspraak ten aanzien van de schulden die [appellant] voor zijn rekening dient te nemen, dient te vrijwaren;

  • -

    subsidiair indien de rechtbank van oordeel is dat partijen ten aanzien van bovengenoemde schulden nog met elkaar dienen te verrekenen, het volgende te bepalen dan wel partijen te gelasten de schulden als volgt te verrekenen/verdelen:

 te bepalen dat [geïntimeerde] de schuld aan mevrouw [X] volledig voor haar rekening dient te nemen en [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] uit hoofde hiervan een vergoeding te voldoen ter grootte van de helft van de restantschuld aan mevrouw [X] van € 8.000,-- : 2 = € 4.000,--;

 te bepalen dat beide partijen ieder de helft van de schuld aan [Z] voor zijn/haar rekening dient te nemen met de verplichting om de andere partij te vrijwaren uit hoofde van iedere aanspraak ten aanzien van het gedeelte van de schuld dat hij/zij blijkens dit vonnis voor zijn/haar rekening diende te nemen;

 te bepalen dat ten aanzien van de schuld bij Ziggo [geïntimeerde] de helft van de oorspronkelijke schuld van € 2.098,20 voor haar rekening dient te nemen en [appellant] het restant inclusief de verhoging met incassokosten, rente, proceskostenveroordeling en eventuele overige verhogingen/kosten;

 te bepalen dat de ene partij de andere partij dient te vrijwaren voor het gedeelte dat blijkens het in deze te wijzen vonnis voor zijn/haar rekening dient te komen;

 [appellant] te veroordelen om een vergoeding aan [geïntimeerde] te voldoen ten aanzien van de door de vrouw voldane kosten van de huishouding, namelijk de kosten van huur, Essent, Waterbedrijf, Menzis, Univé en gemeentelijke belastingen van in totaal € 10.880,98 : 2 = € 5.440,49;

- [appellant] in reconventie te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.3

[appellant] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie verzocht om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen, één en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de reconventionele kosten van het geding, waaronder griffierecht en salaris (proces)advocaat, standaard forfaitair bepaald. Tevens heeft [appellant] een akte tot voorwaardelijke wijziging van grondslag van eis in conventie genomen.

4.4

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank als volgt beslist:

" In conventie:

5.1.

verklaart voor recht dat ieder van partijen ten opzichte van de ander aansprakelijk is voor de helft van de gedurende het huwelijk ontstane schulden die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding,

5.2.

veroordeelt de vrouw om aan de man te voldoen de bedragen die de man aan Ziggo zal voldoen krachtens het onder de gemeente Winsum gelegde executoriale beslag zo gauw hij meer heeft voldaan dan zijn deel van het bedrag dat partijen aan Ziggo verschuldigd zijn,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie:

5.6.

wijst het gevorderde af,

5.7.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. "

5 De beoordeling

5.1

[appellant] heeft in zijn memorie van grieven vier grieven opgeworpen. De grieven van [appellant] zien - kort gezegd - op de door de rechtbank afgegeven verklaring voor recht (grief 1) en de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan [Y] (grieven 2, 3 en 4).

5.2

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van grieven in incidenteel hoger beroep vijf grieven opgeworpen. De grieven van [geïntimeerde] zien - samengevat - op de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan Ziggo (grieven 1 en 2), ten aanzien van de kosten van de huishouding (grieven 1 en 3), ten aanzien van de schuld aan [X] (grief 4) en ten aanzien van de kosten van het café (grief 5).

5.3

Het hof zal eerst de grieven in het principaal hoger beroep en vervolgens de grieven in het incidenteel hoger beroep bespreken.

* de omvang van het geschil

5.4

[geïntimeerde] stelt in haar memorie van antwoord dat [appellant] in het petitum van zijn memorie van grieven weliswaar verzoekt om zijn vordering in conventie in eerste aanleg alsnog (in zijn geheel) toe te wijzen, doch dat nu er door [appellant] geen grieven zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan [Z] en de schuld aan Ziggo, de vordering van [appellant] reeds om die reden op dit punt dient te worden afgewezen.

5.5

Het hof volgt [geïntimeerde] in haar standpunt. Hoewel [appellant] in zijn memorie van grieven onder punt 3 - kort gezegd - heeft aangegeven dat hij alle stellingen die hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht in hoger beroep als herhaald en ingelast wenst te beschouwen, blijkt hieruit naar het oordeel van het hof niet voldoende duidelijk dat

[appellant] tevens bezwaren heeft tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan [Z] en de schuld aan Ziggo, mede nu door [appellant] wel een viertal grieven zijn aangevoerd die specifieke bezwaren behelzen tegen de door de rechtbank afgegeven verklaring voor recht en de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan [Y] (zie HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8278). Het vorenstaande brengt mee dat de vordering van [appellant] zoals opgenomen in het petitum van zijn memorie van grieven niet (onverkort) voor toewijzing gereed ligt.

de grieven in het principaal hoger beroep

* de verklaring voor recht

5.6

[appellant] stelt zich in grief 1 op het standpunt dat de rechtbank buiten de omvang van het voorliggende geschil is getreden door voor recht te verklaren dat ieder van partijen ten opzichte van de ander aansprakelijk is voor de helft van de gedurende het huwelijk ontstane schulden die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, terwijl door hem slechts was verzocht om een verkrijging van een veroordeling in zijn voordeel.

5.7

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] onder punt 31 van haar memorie van grieven in incidenteel hoger beroep bij wijziging/aanvulling van eis heeft verzocht om conform de uitspraak van de rechtbank voor recht te verklaren dat ieder van partijen ten opzichte van de ander aansprakelijk is voor de helft van de gedurende het huwelijk ontstane schulden die zijn aangegaan te behoeve van de gewone gang van de huishouding. Weliswaar heeft [geïntimeerde] dit verzoek - zoals door [appellant] is betoogd - niet in haar petitum gevorderd, doch in haar petitum vordert [geïntimeerde] wel om het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk te bekrachtigen. Het hof zal derhalve verstaan dat [geïntimeerde] ook op dit punt een bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank heeft willen verzoeken.

5.8

Daardoor heeft [appellant] , nu hij geen andere bezwaren heeft aangevoerd ten aanzien van de door de rechtbank afgegeven verklaring voor recht, geen belang meer bij beoordeling van grief 1.

5.9

Het hof zal het verzoek van [geïntimeerde] onder punt 31 van haar memorie van grieven in incidenteel hoger beroep om te bepalen dat [appellant] de wettelijke rente dient te voldoen over de vorderingen van [geïntimeerde] , afwijzen nu dit verzoek in het geheel niet onderbouwd is en evenmin gegrond is op enige beslissing van de rechtbank.

* de schuld aan [Y]

5.10

Voorts komt [appellant] in de grieven 2, 3 en 4 op tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan [Y] .

5.11

[appellant] stelt dat beide partijen een lening bij [Y] ter hoogte van in totaal

€ 10.000,-- zijn aangegaan ter bestrijding van de kosten van de huishouding. Uit de brief van [appellant] aan [Q] (gevoegd als productie 2 bij de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep) blijkt dat de eerste betaling van € 6.500,-- volgens [appellant] contant is uitbetaald in de woning van partijen en de tweede betaling van € 3.500,-- contant aan [appellant] is uitbetaald op het postkantoor te [plaats] . In hoger beroep heeft [appellant] als productie 18 een opnamebriefje in het geding gebracht waaruit blijkt dat op 27 april 2007 om 12:44:49 een bedrag van € 3.500,-- is opgenomen. De van [Y] ontvangen gelden zijn volgens [appellant] door [geïntimeerde] op haar rekening gestort, te weten: een bedrag van € 3.000,-- op 27 april 2007, een bedrag van € 700,-- op

22 mei 2007, een bedrag van € 1.250,-- op 24 mei 2007 en een bedrag van € 5.000,-- op

29 mei 2007. [appellant] geeft aan dat deze gelden onder meer zijn aangewend ter betaling van € 3.034,22 en € 1.923,90 aan de ABN AMRO, € 591,-- en € 293,-- aan Essent,

€ 102,50 aan het Waterbedrijf, € 267,28 aan @Home (Ziggo) en aan overige kosten van de huishouding. [appellant] heeft, naar eigen zeggen, op 7 februari 2012 een bedrag van

€ 2.000,--, op 9 maart 2012 een bedrag van € 1.700,-- en op 30 april 2012 een bedrag van

€ 800,-- aan [Y] voldaan. [appellant] vordert in de onderhavige procedure de helft van dit bedrag van [geïntimeerde] , zijnde een bedrag van € 2.250,--.

5.12

[geïntimeerde] betwist dat partijen gezamenlijk de schuld bij [Y] zijn aangegaan. Zij wijst op de vaststellingsovereenkomst tussen [Y] en [appellant] , waaruit volgt dat [Y] door een misverstand de ex-vrouw van [appellant] mede aansprakelijk heeft gesteld voor de terugbetaling van wat [appellant] uit hoofde van de lening aan hem verschuldigd was. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] de lening bij [Y] bovendien is aangegaan voor het opzetten van een handel in sigaretten en niet - zoals [appellant] betoogt - ter bestrijding van de kosten van de huishouding. Zij betwist dat de kosten van de huishouding die door [appellant] worden opgesomd, zijn voldaan met de van [Y] ontvangen gelden. Daarnaast kan [geïntimeerde] niet duiden van wie het opnamebriefje is dat

[appellant] in het geding heeft gebracht en wiens rekeningnummer daarop staat vermeld. Zij geeft aan dat er op 27 april 2007 geen bedrag van € 3.500,-- op haar rekening is gestort.

5.13

Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat uit de vaststellingsovereenkomst tussen [Y] en [appellant] volgt dat [appellant] een lening bij [Y] is aangegaan en niet partijen gezamenlijk, zoals door [appellant] is betoogd. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant] dat de vaststellingsovereenkomst tussen [Y] en [appellant] niet tot bewijs kan dienen omdat deze vaststellingsovereenkomst niet tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten is, nu deze stelling in de kern niet juist is. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst - zoals onder rechtsoverweging 3.6 is opgenomen - blijkt immers dat [geïntimeerde] deze overeenkomst voor gezien en akkoord heeft medeondertekend.

5.14

[appellant] beroept zich subsidiair - zo begrijpt het hof - op artikel 2 van de akte huwelijkse voorwaarden d.d. 28 februari 2003, waarin staat dat ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk is voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet voldoende heeft onderbouwd dat hij de lening bij [Y] is aangegaan ter bestrijding van de kosten van de huishouding, gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] . Weliswaar heeft [appellant] in hoger beroep een opnamebriefje in het geding gebracht, doch de opname van

€ 3.500,-- op 27 april 2007 kan niet rechtstreeks in verband worden gebracht met de door [Y] aan [appellant] geleende gelden en de storting van € 3.000,-- die op diezelfde dag op de rekening van [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden. Temeer nu door [geïntimeerde] een verklaring van haar moeder in het geding is gebracht waaruit blijkt dat zij op 27 april 2007 een bedrag van € 3.000,-- aan [geïntimeerde] heeft geleend voor het betalen van de hypothecaire lasten. Evenmin is aannemelijk dat de stortingen die op 22 mei 2007, 24 mei 2007 en 29 mei 2007 hebben plaatsgevonden, betrekking hebben op de eerste contante betaling van [Y] aan [appellant] van € 6.500,--. Uit de stukken blijkt dat de rekening van [geïntimeerde] (met rekeningnummer [nummer] ) werd gebruikt voor de betaling van de vaste lasten (derhalve de kosten van de huishouding) van partijen, nu partijen geen gezamenlijke rekening hadden en er door [appellant] ook gelden op de rekening van [geïntimeerde] werden gestort. Aangezien er door de jaren heen meermaals stortingen op de rekening van [geïntimeerde] hebben plaatsgevonden zonder enige toelichting, is het onduidelijk wie deze stortingen heeft gedaan en waarop deze stortingen betrekking hebben. Dit brengt met zich dat [appellant] - als degene die zich op het rechtsgevolg beroept - onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de lening van [Y] is aangegaan ter bestrijding van de kosten van de huishouding. Het hof zal het bewijsaanbod van [appellant] dan ook om die reden passeren. Bovendien, ook al zou [appellant] er in slagen te bewijzen dat het opnamebriefje van [Y] is, dan betekent dat nog steeds niet dat een deel van dit bedrag is gestort op de rekening van [geïntimeerde] en dat daarvan kosten van de huishouding zijn voldaan.

5.15

Het vorenstaande brengt naar het oordeel van het hof met zich dat de grieven 2, 3 en 4 van [appellant] falen.

de grieven in het incidenteel hoger beroep

schuld aan Ziggo

5.16

In het dictum van het bestreden vonnis is [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] te voldoen de bedragen die [appellant] aan Ziggo zal voldoen krachtens het onder de gemeente Winsum gelegde executoriale beslag zo gauw hij meer heeft voldaan dan zijn deel van het bedrag dat partijen aan Ziggo verschuldigd zijn.

5.17

[geïntimeerde] legt in grief 1 onder meer dit oordeel van de rechtbank ter beoordeling aan het hof voor. Zij geeft aan dat zij pas na de beëindiging van de samenleving tussen haar en

[appellant] met deze schuld is geconfronteerd, daar de samenleving op 8 oktober 2009 is beëindigd en Ziggo de eerste sommatie op 19 november 2009 heeft verzonden. Volgens haar heeft [appellant] bij het afsluiten van het nieuwe abonnement bij Ziggo rekeningnummers opgegeven die niet meer bestonden. In grief 2 stelt [geïntimeerde] dat zij niet aansprakelijk is jegens [appellant] voor de onnodige extra kosten (zoals boetes, rentes, proceskosten etc.) die zijn ontstaan door het niet-betalen van de abonnementsgelden door [appellant] , aangezien

[appellant] haar nimmer op de hoogte heeft gesteld van het feit dat Ziggo een procedure jegens hem aanhangig had gemaakt.

5.18

[appellant] betoogt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld zoals hiervoor is overwogen, omdat de kosten van Ziggo tot de kosten van de huishouding behoren. Hij merkt op dat Ziggo op 1 februari 2007 door een fusie is ontstaan uit de providers @Home, Casema en Multikabel. Op 16 mei 2008 zijn voornoemde providers verder gegaan onder de naam Ziggo. Er is volgens [appellant] dan ook geen sprake (geweest) van het opnieuw afsluiten van een abonnement door hem, maar van een overgang van @Home naar Ziggo. Hij stelt dat onweersproken is dat [appellant] financieel niet in staat was de schuld aan Ziggo te voldoen en dat niet aannemelijk is geworden dat hij deze onnodig hoog heeft doen oplopen. Dit brengt volgens [appellant] met zich dat de verschuldigdheid van de rente en kosten simpelweg die van de vordering van Ziggo volgt.

5.19

Het hof is van oordeel dat de rechtbank de schuld aan Ziggo terecht heeft aangemerkt als kosten van de huishouding. Op grond van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden worden immers onder kosten van de huishouding mede begrepen de uitgaven voor ontwikkeling en ontspanning. Dergelijke kosten dienen derhalve voor rekening van beide partijen te komen. Het betreft onbetaald gebleven abonnementsgelden over de periode van

1 augustus 2008 tot 1 november 2009, derhalve grotendeels ontstaan tijdens de feitelijke samenleving van partijen. In hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd omtrent de extra kosten (zoals boetes, rentes, proceskosten etc.) ziet het hof geen aanleiding om anders dan de rechtbank te beslissen, nu uit de veelheid van leningen die partijen zijn aangegaan in die tijd genoegzaam blijkt dat de financiële situatie van partijen niet dusdanig was dat de man in staat was de schuld aan Ziggo in een eerder stadium te voldoen. Grief 1, gedeeltelijk en grief 2 falen derhalve. Dit brengt met zich dat het hof van oordeel is dat de beslissing van de rechtbank onder 5.2. van het dictum bekrachtigd dient te worden.

* de kosten van de huishouding

5.20

Zowel grief 1 als grief 3 in incidenteel hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de kosten van de huishouding. Het hof zal de grieven op dit punt dan ook gezamenlijk bespreken.

5.21

[geïntimeerde] is van mening dat indien zij gehouden is om bij te dragen in de kostenposten van [appellant] (waaronder de schuld aan Ziggo), [appellant] ook gehouden is om bij te dragen in de kosten van de huishouding die zij in 2008 voor haar rekening heeft genomen, te weten: de helft van de huur van € 5.754,32, de kosten van Essent van € 1.280,13, de kosten van het waterbedrijf van € 431,97, de kosten van Menzis van € 2.800,75, de kosten van Univé van € 325,66 en de gemeentelijke belastingen van € 288,15, zijnde een totaalbedrag van € 10.880,98, waarvan [appellant] een bedrag van € 5.440,49 dient te voldoen. [geïntimeerde] beroept zich subsidiair op verrekening van de hiervoor gestelde kosten van de huishouding met de vordering van [appellant] op haar ten aanzien van de schuld aan Ziggo.

5.22

Op grond van artikel 9 van de akte huwelijkse voorwaarden d.d. 28 februari 2003 vervalt het recht tot het vorderen van het teveel bijgedragene in de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 7 een half jaar na de ontbinding van het huwelijk. Daar het huwelijk van partijen [in 2011] is ontbonden (door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand), is het recht tot het vorderen van het teveel bijgedragene in de kosten van de huishouding op 20 januari 2012 vervallen. [geïntimeerde] heeft eerst op 7 november 2012 een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten van de huishouding, hetgeen - op grond van de akte huwelijkse voorwaarden van partijen - derhalve niet tijdig is geschied. [appellant] heeft zich in eerste aanleg beroepen op voornoemd vervalbeding.

5.23

[geïntimeerde] is van mening dat [appellant] geen beroep toekomt op het vervalbeding en verwijst onder meer naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW3044). Het hof overweegt dat uit genoemde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat een beroep op een vervalbeding met betrekking tot de vorderingsrechten in verband met de in de huwelijkse voorwaarden geregelde draagplicht voor de kosten van de huishouding niet zonder meer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Er kunnen bijzondere omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan een dergelijk vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nu [geïntimeerde] degene is die zich op het standpunt stelt dat een beroep op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, had het op haar weg gelegen om in dit kader bijzondere omstandigheden naar voren te brengen. De enkele stelling dat [geïntimeerde] , naar eigen zeggen, naar evenredigheid meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding en geacht wordt om daarnaast bij te dragen in de schuld aan Ziggo, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om het beroep van [appellant] op het vervalbeding onaanvaardbaar te achten. Temeer nu [appellant] betwist dat [geïntimeerde] de door haar genoemde kosten van de huishouding heeft gedragen. Volgens hem had [geïntimeerde] onvoldoende inkomen om een dergelijk aandeel in de kosten van de huishouding te voldoen. Zoals het hof reeds onder rechtsoverweging 5.14 heeft overwogen, werd de rekening van [geïntimeerde] (met rekeningnummer [nummer] ) gebruikt voor de betaling van de kosten van de huishouding van partijen. Op deze rekening werden zowel door [geïntimeerde] als door [appellant] bedragen gestort. Dit brengt met zich dat het niet mogelijk is om vast te stellen wie van partijen welk deel van de kosten van de huishouding voor zijn of haar rekening heeft genomen c.q. heeft gedragen. Het beroep van [geïntimeerde] op verrekening van de door haar verschuldigde bedragen aan [appellant] ten aanzien van Ziggo met de door haar gedragen kosten in de huishouding strandt eveneens op grond daarvan.

5.24

Het vorenstaande brengt met zich dat het hof van oordeel is dat grief 1, voor het overige, en grief 3 van [geïntimeerde] geen doel treffen.

* de schuld aan [X]

5.25

In grief 4 komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de schuld aan [X] .

5.26

[geïntimeerde] verwijst in hoger beroep onder meer naar de verklaring van [X] . [X] geeft in haar schriftelijke verklaring d.d. 9 juni 2014 aan dat [appellant] en [geïntimeerde] in 2005 een bedrag van € 3.000,-- van haar hebben geleend voor rekeningen/hypotheek, welk bedrag zij in contanten hebben ontvangen. [X] stelt op 21 december 2005 op verzoek van [appellant] en [geïntimeerde] een bedrag van € 8.000,-- te hebben overgemaakt op de rekening met rekeningnummer [nummer] , wederom voor huishoudelijke kosten en hypotheek en dergelijke. Daarnaast heeft [geïntimeerde] een aantal rekeningafschriften overgelegd.

5.27

[appellant] betwist de lening van € 3.000,--, nu uit de stukken - afgezien van de verklaring van [X] - niet van een betaling blijkt van [X] in 2005 van € 3.000,--, noch van het aanwenden van een zodanig bedrag voor het voldoen van de kosten van de huishouding. Het bedrag van € 8.000,-- dat op 21 december 2005 door [geïntimeerde] van [X] is ontvangen, wordt door [appellant] niet betwist. Hij bestrijdt echter wel dat dit een gezamenlijke lening van partijen zou zijn, die is aangegaan ter bestrijding van de kosten van de huishouding. [appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een privélening van [geïntimeerde] bij [X] . Daarenboven betwist [appellant] dat het bedrag van € 8.000,-- (geheel) is aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding, nu uit het door [geïntimeerde] verstrekte overzicht slechts van een bedrag van € 5.453,34 blijkt dat aan de kosten van de huishouding zou zijn besteed. [appellant] is van mening dat de overboekingen aan hem op 22 december 2005 ter hoogte van € 600,--, aan Intrum Justitia op 27 december 2005 ter hoogte van € 513,22 en Geove Zorgverzekeraar op 27 december 2005 ter hoogte van

€ 160,30 en € 160,30 bovendien niet tot de kosten van de huishouding gerekend kunnen worden, zodat die bedragen daarop nog in mindering dienen te worden gebracht. Hij wijst in dit verband nog op het feit dat er door [geïntimeerde] op 20 en 21 december 2005 diverse contante opnames bij NSC in Groningen zijn gedaan voor in totaal € 1.800,--, welke bedragen door haar zijn vergokt en dat er op 21 december 2005 in totaal nog € 560,-- contant is opgenomen bij geldautomaten. Vervolgens is in de dagen daaropvolgend nog eens in totaal € 550,-- contant opgenomen bij geldautomaten. Derhalve was volgens [appellant] van het saldo op de rekening van [geïntimeerde] al niet veel meer over.

5.28

Het hof stelt vast dat [appellant] kennelijk niet bestrijdt dat van het van [X] ontvangen bedrag van € 8.000,-- een bedrag van € 4.019,52 (te weten: € 5.453,34 minus

€ 600,-- minus € 513,22 minus € 160,30 en € 160,30) is aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding. Gelet op artikel 2 van de akte huwelijkse voorwaarden

d.d. 28 februari 2003 is ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Dit brengt met zich dat [appellant] , naar het oordeel van het hof, in ieder geval aansprakelijk kan worden geacht voor de helft van € 4.019,52, derhalve voor een bedrag van € 2.009,76. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] ten aanzien van het restant van € 8.000,-- onvoldoende heeft onderbouwd dat dit zou zijn aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding. Ook de lening bij [X] ter hoogte van € 3.000,-- is, naar het oordeel van het hof, niet komen vast te staan.

5.29

[appellant] verwijst weliswaar naar het vervalbeding zoals opgenomen in artikel 9 van de akte huwelijkse voorwaarden, doch het hof is van oordeel dat dit artikel - waarin slechts een verwijzing naar artikel 7 van de akte huwelijkse voorwaarden staat opgenomen - derhalve niet van toepassing is op artikel 2 van de akte huwelijkse voorwaarden. Ook het beroep van [appellant] op verjaring van de vordering van [X] gaat niet op, daar van verjaring van de vordering geen sprake kan zijn zolang hierop wordt afgelost en dit beroep overigens door [appellant] ook onvoldoende is onderbouwd.

5.30

Voorts dient te worden beoordeeld welk bedrag [appellant] aan [geïntimeerde] dient te vergoeden op grond van artikel 4 van de akte huwelijkse voorwaarden d.d. 28 februari 2003.

Op grond van dit artikel zijn de echtgenoten, voor zover zij niet anders overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking.

5.31

[geïntimeerde] stelt privévermogen (namelijk de door haar ontvangen uitkering uit haar levensverzekering) te hebben aangewend ter aflossing van een bedrag van € 3.000,-- op de schuld aan [X] . Het hof stelt vast dat [appellant] niet heeft betwist dat het door [geïntimeerde] ontvangen bedrag van € 11.065,46 van AXA Leven N.V. tot het privévermogen van [geïntimeerde] gerekend dient te worden. Aangezien voornoemd bedrag op 12 september 2008 is ontvangen, en [geïntimeerde] op 16 september 2008 een bedrag van € 3.000,-- aan [X] heeft overgemaakt met de omschrijving 'aflossing 1', acht het hof aannemelijk dat de aflossing aan [X] met privévermogen van [geïntimeerde] is geschied. [appellant] bestrijdt ook niet dat er een bedrag van € 3.000,-- is afgelost door [geïntimeerde] . Hoewel [geïntimeerde] heeft gesteld daarnaast nog een bedrag van € 4.250,-- te hebben afgelost, is één en ander - mede gelet op de betwisting door [appellant] - niet gebleken. Derhalve zal het hof slechts rekening houden met de aflossing van € 3.000,-- door [geïntimeerde] .

5.32

Aangezien het hof heeft geoordeeld dat slechts een gedeelte van de lening bij [X] ter hoogte van € 8.000,-- (te weten: € 4.019,52 / € 8.000,-- = 0,5024) is aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding, zal het hof een evenredig deel van de aflossing aan [X] ter hoogte van € 3.000,-- toerekenen aan de kosten van de huishouding, hetgeen neerkomt op een bedrag van afgerond € 1.507,-- (te weten: € 3.000,-- x 0,5024). Hiervan dient [appellant] de helft, derhalve een bedrag van € 753,50, aan [geïntimeerde] te vergoeden. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen en het meer of anders verzochte in dit kader afwijzen.

* de kosten van het café

5.33

In grief 5 stelt [geïntimeerde] de beslissing van de rechtbank omtrent de kosten van het café aan de orde.

5.34

[geïntimeerde] stelt ten behoeve van het café van [appellant] een bedrag van € 7.990,83 uit privémiddelen te hebben voldaan. Zij geeft aan dat uit de stukken blijkt dat de betalingen zijn verricht vanaf de rekening van [geïntimeerde] , welk saldo volgens haar voornamelijk werd aangevuld met haar salaris en de teruggaven van de Belastingdienst. [geïntimeerde] meent dat de belastingteruggaven eveneens tot haar privémiddelen behoren, daar deze teruggaven volgens haar onder het inkomensbegrip vallen en de inkomens op grond van de huwelijkse voorwaarden niet met elkaar verrekend worden.

5.35

[appellant] betwist dat de betalingen ten behoeve van zijn café zijn voldaan uit privémiddelen van [geïntimeerde] . Hij is van mening dat [geïntimeerde] niet aan haar stelplicht in dit kader heeft voldaan. [appellant] bestrijdt dat het saldo van de rekening van [geïntimeerde] voornamelijk werd aangevuld met haar salaris en wijst op de stortingen - onder meer afkomstig van de inkomsten uit het café - die op de rekening van [geïntimeerde] hebben plaatsgevonden. Het inkomen van [geïntimeerde] was volgens [appellant] volstrekt onvoldoende om de vaste lasten te kunnen dragen. De belastingteruggaven kwamen partijen gezamenlijk toe en behoren op grond van artikel 7 van de akte huwelijkse voorwaarden d.d.
28 februari 2003 tot de kosten van de huishouding, aldus [appellant] .

5.36

Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat de betalingen ten behoeve van het café zijn verricht vanaf de rekening van [geïntimeerde] met rekeningnummer [nummer] onvoldoende is om aan te nemen dat [geïntimeerde] deze betalingen uit haar privémiddelen heeft verricht. Zoals het hof onder rechtsoverweging 5.14 heeft overwogen staat vast dat de rekening van [geïntimeerde] werd gebruikt door beide partijen gezamenlijk om de kosten van de huishouding te voldoen en dat op deze rekening door [appellant] ook gelden werden gestort. Voor zover [geïntimeerde] bedoeld heeft te stellen dat de belastingteruggaven tot haar privémiddelen gerekend dienen te worden, heeft zij in dit kader onvoldoende naar voren gebracht, temeer nu de belastingteruggaven - blijkens de door [geïntimeerde] overgelegde rekeningafschriften - op naam van [appellant] stonden en op grond van de akte huwelijkse voorwaarden d.d.
28 februari 2003 aan partijen gezamenlijk toekwamen. Nu niet gebleken is dat [geïntimeerde] de kosten van het café uit haar privémiddelen heeft voldaan, faalt grief 5.

* de proceskosten

5.37

Aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn en het onderhavige geschil betrekking heeft op de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding in beide instanties, waaronder de door [appellant] onder 11 van de memorie van grieven bedoelde kosten, te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit brengt met zich dat het door [appellant] onder III. en IV. gevorderde en het door [geïntimeerde] onder V. gevorderde dient te worden afgewezen.

5.38

Gelet op het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van

6 november 2013 voor zover daarbij het verzoek van [geïntimeerde] ten aanzien van de schuld aan [X] is afgewezen en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te vergoeden een bedrag van € 753,50 met betrekking tot de aflossing op de schuld aan [X] ;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van

6 november 2013 voor het overige;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G. Jonkman en mr. B.J.H. Hofstee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

15 september 2015.