Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6716

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
200.157.219/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgebreidere voorlopige zorgregeling tussen de minderjarige en haar vader op grond van de bevindingen van de bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.157.219/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/132957 / FA RK 14-330)

beschikking van de familiekamer van 10 september 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.B. de Jong, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.H. Tjabringa, kantoorhoudend te Zwolle.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1 [de bijzondere curator] ,

gevestigd te [C] ,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 17 maart 2015 een tussenbeschikking gegeven.

1.2

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 10 juli 2015 een brief met bijlage (een rapportage van 9 juli 2015) van de bijzondere curator van 9 juli 2015;

- op 17 augustus 2015 een journaalbericht van mr. De Jong van 14 augustus 2015 met bijlagen.

1.3

Ter zitting van 25 augustus 2015 zijn verschenen: de ouders, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is de heer [D] verschenen. Voorts is de bijzondere curator verschenen.

1.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van een andere samenstelling van het hof dan de samenstelling die de (tussen)beschikking van 17 maart 2015 heeft gegeven. De onderhavige tussenbeschikking is door deze gewijzigde samenstelling gegeven.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 17 maart 2015, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof aanleiding gezien om [de bijzondere curator] als neutrale belangenbehartiger, dat wil zeggen als bijzondere curator, van [E] te benoemen. De bijzondere curator is verzocht om te onderzoeken of een uitgebreidere zorgregeling tussen [E] en de vader in haar belang is, en zo ja in hoeverre uitbreiding dient plaats te vinden.

2.3

Uit het verslag van bevindingen van de bijzondere curator blijkt (samengevat) het volgende: "Volgens de moeder is [E] gediagnostiseerd met autisme en kampt [E] met bijzondere (sociale) gedragingen, motorische onhandigheid, grenzeloos gedrag en woedeaanvallen waarbij zij voortdurend veel energie vraagt, prominent aanwezig is en heel wisselend kan zijn in haar gedrag. De vader ziet heel ander gedrag wanneer [E] bij hem is. Hij is er niet van overtuigd dat sprake is van autisme. Hij geeft aan dat [E] niet gewend is met andere kinderen te spelen en zij dat ook niet leert omdat de moeder niet wil dat zij daar met anderen kinderen speelt. [E] is een bijzonder meisje dat is opgevallen door haar wijsheid. Beide ouders zijn het er over eens dat er zorgen zijn over het functioneren van [E] en dat er een vorm van hulpverlening dient te komen. Ook de school maakt zich zorgen over [E] en heeft voorgesteld een (breed) onderzoek naar [E] te laten plaatsvinden. De vader wil graag een uitbreiding van de zorgregeling en is bereid daarvoor te verhuizen terwijl de moeder daartegen bezwaren heeft. De vraag is hoe de verschillende wensen en verlangens van de ouders zich verhouden tot het werkelijke belang van [E] . Een aantal factoren speelt daarbij een rol. Namelijk de als vanzelfsprekende loyaliteit die [E] ervaart naar zowel haar vader als naar haar moeder, wat beide ouders aan haar te bieden hebben, de al dan niet zichtbare behoefte van [E] om zich zo volwaardig mogelijk te ontwikkelen en de mate waarin beide ouders in staat zijn om samen invulling te geven aan de zorg en de opvoeding, in die zin dat er voor [E] sprake kan zijn van zoveel als mogelijk eenduidigheid in de door haar ervaren zorg en opvoeding. Niet ontkend kan worden dat de moeder weigert om met vader in gesprek te gaan over de zorg en opvoeding en dat zij weigert daarvoor hulp te aanvaarden, hetgeen niet in het belang van [E] is. Vanuit het belang van [E] wordt de wens uitgesproken dat de moeder alsnog bereid is om, mogelijk onder deskundige begeleiding, de adequate communicatie met vader alsnog invulling te geven waarbij vader bereid moet zijn de zorgen serieus te nemen die moeder geuit heeft over de gevolgen die zij ziet wanneer er met hem gecommuniceerd wordt. Vader zal mogelijk moeten accepteren dat [E] een meisje is dat bijzondere aandacht vraagt. Onderzoek kan mogelijk meer duidelijkheid geven, waarbij opgemerkt wordt dat het daarbij de vraag zal zijn of er bij [E] sprake is van een stoornis binnen het autistisch spectrum. In het onderzoek kan voorts worden meegenomen of het deel van de opvoedstijl van de moeder waarbij ze [E] probeert te beschermen al dan niet tegen zichzelf, in het belang van [E] is. Wanneer beide ouders in staat zijn, zoals zij dat ook hebben laten zien in de gesprekken in het kader van het onderzoek, om het belang van [E] centraal te stellen en de afstemming te zoeken in de zorg en opvoeding staat er niets aan in de weg om de zorgtijd van vader met [E] uit te breiden.

2.4

Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat de geuite zorgen omtrent [E] erkend worden door beide ouders. Echter verschillend wordt gedacht over de oorzaak waar de zorgen vandaan komen. De moeder is van mening dat er sprake is van autisme en heeft zich reeds aangemeld bij een autismecentrum. Zij ervaart het als heel zwaar dat zij een dochter heeft gekregen die eerst gezond leek, maar later autistisch bleek te zijn. Ook voor [E] vindt zij dit erg zielig om zo te moeten beginnen met een achterstand in het leven. Ook denkt zij aan hoogbegaafdheid. Zij stelt zich op het standpunt dat het eerst beter moet gaan met [E] voordat aan enige vorm van uitbreiding van de omgang wordt toegekomen. De vader denkt dat [E] kampt met loyaliteitsproblemen en dat zij juist graag met haar beide ouders regelmatig (en onbezorgd) contact zou willen en dat zij veel last heeft van de al jarenlange slechte verhouding tussen de ouders. De oplossing moet dan ook daarin gevonden worden. De vader maakt zich ook zorgen over de onzelfstandigheid van [E] . Volgens de vader dient de moeder dit meer te stimuleren. Ter zitting is door de moeder naar voren gebracht dat het brede onderzoek naar [E] hoogstwaarschijnlijk niet door school zal worden opgestart, omdat er al een diagnose ligt.

2.5

Het hof acht het schrijnend dat de al jarenlange slechte verhouding tussen de ouders thans nog steeds niet is doorbroken, met name ook omdat de moeder geen, althans te weinig, energie wenst te steken in het verbeteren van de onderlinge communicatie met de vader in het belang van [E] . De raad heeft reeds in zijn rapport uit 2012 voor de negatieve consequenties voor [E] van de steeds voortdurende partnerstrijd gewaarschuwd. [E] heeft beide ouders nodig, aldus de raad. Gezien wordt vaak dat een moeder een wat meer beschermende rol en een vader een wat meer stimulerende rol op het gebied van vrijheid heeft, en dat dat beide juist voor een kind belangrijk is. [E] lijkt zich voor haar leeftijd te volwassen te gedragen door zelf met oplossingen voor de ouders te komen. De raad heeft ter zitting aangegeven, en het hof deelt die visie, dat de oplossing niet moet worden gezocht in het onderzoeken en behandelen van [E] maar in een wezenlijke verandering van haar opvoedomgeving; gezamenlijkheid is noodzakelijk. Het heeft geen zin om het kind te behandelen, terwijl het probleem juist bij de ouders ligt. Een traject bij [F] zou nog steeds het meest aangewezen zijn, echter daarvoor mist de bereidheid van de moeder. Wat als enige optie nu over blijft, aldus de raad, is -gelet op de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [E] - een beschermingsonderzoek.

2.6

De raad heeft voorts aangegeven dat duidelijkheid voor [E] belangrijk is; een uitbreiding van de zorgregeling naar bijvoorbeeld de donderdag zou daarom volgens de raad geen problemen moeten opleveren. Ook het hof is, gehoord de raad en de bijzondere curator van oordeel zoals ook al ter zitting aangegeven, dat er geen belemmeringen of contra-indicaties zijn om de reeds bestaande weekendregeling voorlopig al uit te breiden naar de donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, ingaand het eerstvolgende omgangsweekend. Dit brengt geen extra wisselmomenten en dus geen extra belasting voor [E] met zich mee. Integendeel het hof verwacht dat [E] op deze wijze kan profiteren van de minder beschermende houding van de vader en aan haar meer ruimte wordt geboden om zich met vallen en opstaan verder te ontwikkelen. Het hof verwacht daarnaast van de moeder dat zij in de tussenliggende periode contact tussen [E] en vader zal stimuleren.

2.7

Voor het hof is het evident dat (een deel van) de zorgen over [E] (mede) haar oorsprong vinden in de echtscheidingsproblematiek en de slechte verstandhouding van haar ouders voor haar niet helpend is. In haar belang is het noodzakelijk dat op korte termijn door middel van een onafhankelijk en breed onderzoek duidelijkheid komt over waar de zorgen over [E] vandaan komen en wat voor zorg en hulp zij en/of haar ouder(s) dient/dienen te krijgen. Het er zonder meer van uitgaan dat er sprake is van autisme, waarbij opgemerkt zij dat de eerdere diagnose niet zo zeker was, acht het hof niet in het belang van [E] . Ter zitting heeft het hof reeds aan de (tevens met het gezag belaste) vader laten weten van hem te verwachten dat hij dit brede diagnostische onderzoek van [E] initieert via de huisarts van [E] . De moeder dient daaraan mee te werken, en wel met een open vizier.

2.8

Het hof onderschrijft de door de raad naar voren gebrachte noodzaak om een beschermingsonderzoek te initiëren. Het hof zal de zaak wederom aanhouden en verzoekt de raad een afschrift van de uitkomst van het beschermingsonderzoek aan het hof te doen toekomen en daarnaast, zo mogelijk ook in acht nemend de bevindingen van voornoemd diagnostisch onderzoek alsmede het verloop van de voorlopige zorgregeling als hierna bepaald, een advies uit te brengen over eventuele verdere uitbreiding van de zorgregeling (de vader heeft ter zitting aangegeven uiteindelijk een co-ouderschap voor te staan).

2.9

De bijzondere curator zal gedurende de gehele beroepsprocedure als belanghebbende worden aangemerkt.

2.10

Gelet op het voorgaande, acht het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling (en het verzoek om proceskostenvergoeding) te kunnen geven. Het hof zal daarom de behandeling van de zaak aanhouden en de resultaten van hierboven genoemde afwachten. Het hof verzoekt de raad uiterlijk binnen drie maanden een afschrift van het beschermingsonderzoek en een advies ten aanzien van eventuele (verdere) uitbreiding van de zorgregeling aan het hof toe te zenden, in afschrift aan alle partijen en belanghebbende. Het hof draagt de vader op om voorafgaand aan de volgende mondelinge behandeling informatie te verstrekken over de voortgang en of uitkomst van het door hem geïnitieerde diagnostische onderzoek van de minderjarige, in afschrift aan alle partijen en belanghebbenden. De mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 17 december 2015 om 11.15 uur.

3 De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat als voorlopige zorgregeling heeft te gelden dat de vader de minderjarige bij zich mag hebben; een weekend per veertien dagen van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij de vader haalt en brengt, en de helft van de vakanties en feestdagen, alsmede dat de moeder in de tussenliggende week tussentijds contact tussen de vader en de minderjarige stimuleert;

draagt de vader op om voorafgaand aan de volgende mondelinge behandeling informatie te verstrekken over de voortgang en of uitkomst van het door hem geïnitieerde diagnostische onderzoek van de minderjarige, in afschrift aan alle partijen en belanghebbenden;

draagt de raad op om het hof uiterlijk binnen drie maanden een afschrift van het beschermingsonderzoek en met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.8 een advies ten aanzien van eventuele (verdere) uitbreiding van de zorgregeling aan het hof toe te zenden, in afschrift aan alle partijen en belanghebbende;

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op 17 december 2015 om 11.15 uur.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. M.P. den Hollander en

mr. G.K. Schipmölder, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

10 september 2015 in bijzijn van de griffier.