Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6682

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.171.673/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Ambtshalve beoordeling belanghebbende. Contra-expertise.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.171.673

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 376596)

beschikking van de familiekamer van 10 september 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. van den Berg te Arnhem,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdbescherming,

namens Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
(voorheen: Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht),
gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbenden] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 20 mei 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 juni 2015;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen op 13 juli 2015;

  • -

    een brief van de GI met als bijlagen de ontbrekende pagina’s van stukken uit de

procedure in eerste aanleg, ingekomen op 15 juli 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 augustus 2015 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn [A] en [B], beiden jeugdbeschermer, verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is met kennisgeving vooraf niemand verschenen. De pleegouders zijn evenmin verschenen. [belanghebbende] (hierna ook te noemen: de vader) en de nieuwe partner van de moeder hebben de mondelinge behandeling bijgewoond.

2.3

Bij aanvang van de mondelinge behandeling is de GI een kopie verstrekt van het door de advocaat van de moeder eerst op de dag vóór de mondelinge behandeling ontvangen proces-verbaal van de zitting bij de kinderrechter van 18 mei 2015. Het hof heeft de GI een leespauze gegeven, zodat zij dit stuk mede in haar verweer zou kunnen betrekken. De GI heeft ermee ingestemd dat het hof ook dit stuk in zijn beoordeling betrekt. Het hof zal dan ook op dit stuk acht slaan.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [kind] (verder te noemen: [kind]) geboren.

De moeder is alleen belast met het gezag over [kind].

3.2

[kind] staat vanaf 26 november 2012 onder toezicht van (thans) Stichting Samen Veilig Midden-Nederland, die de uitvoering van deze maatregel heeft opgedragen aan de GI. Bij beschikking van 6 november 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van [kind] verlengd met ingang van 26 november 2014 tot 26 november 2015.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 27 mei 2014 is een machtiging tot uithuishuisplaatsing van [kind] verleend.

3.4

Bij beschikking van 6 november 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs verlengd met ingang van 26 november 2014 tot 26 mei 2015. De kinderrechter heeft daarbij de behandeling van het verzoek van de GI voor zover dit verzoek zag op de verlenging van de machtiging voor de periode van 26 mei 2015 tot 26 november 2015, aangehouden in afwachting van nadere informatie.

3.5

Bij beschikking van 24 maart 2015 heeft de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van de GI van 5 februari 2015, waarin de GI de contacten tussen de moeder en [kind] beperkt in die zin dat de frequentie van de bezoekregeling wordt teruggebracht van eenmaal per twee weken naar eenmaal per vier weken, geheel vervallen verklaard.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 20 mei 2015 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een pleeggezin verlengd tot uiterlijk 26 november 2015.

3.7

[kind] verblijft sinds 28 mei 2014 bij de pleegouders.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen voor zover het betreft de periode van 26 mei 2015 tot 26 november 2015, dan wel voor een kortere duur toe te wijzen teneinde een terugkeertraject te starten en de omgangsregeling uit te breiden.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt het hof de moeder in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Hoewel de kinderrechter de vader van [kind], [belanghebbende], als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft aangemerkt, dient het hof in hoger beroep opnieuw en ambtshalve te beoordelen of de vader belanghebbende in voormelde zin is. Aangezien de vader niet (mede) is belast met het gezag over [kind] en [kind] reeds sinds omstreeks maart 2013 niet door de vader wordt verzorgd en opgevoed, is het hof van oordeel dat de vader in deze zaak niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Wel heeft de vader, met toestemming van alle aanwezigen, in de hoedanigheid van informant de mondelinge behandeling in hoger beroep bijgewoond en is hij in die hoedanigheid gehoord.

5.2

Ingevolge het tot 1 januari 2015 geldende artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) respectievelijk het sinds 1 januari 2015 geldende artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in artikel 1 WJZ respectievelijk de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW (oud) respectievelijk het sinds 1 januari 2015 geldende artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad, respectievelijk op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

De moeder kan zich met de verdere verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet verenigen en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De kinderrechter heeft bij beschikking van 6 november 2014 de machtiging tot uithuisplaatsing voor slechts een periode van een half jaar verlengd, zodat tussentijds kon worden bezien welk effect de therapie van de moeder bij de Waag zou hebben. Bij brief aan de kinderrechter van 2 april 2015 met bijlagen heeft de gezinsvoogd de actuele stand van zaken toegelicht en voorts geschreven dat de GI geen aanleiding zag het eerder ingediende verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing te wijzigen of in te trekken. De moeder vindt het onbegrijpelijk dat de kinderrechter, hoewel de moeder in de tussentijd grote stappen heeft gezet, heeft overwogen dat het perspectief van [kind] duidelijk moet zijn en dat niet is komen vast te staan dat de moeder thans over voldoende vaardigheden beschikt om [kind] te kunnen bieden wat zij nodig heeft. Uit berichtgevingen van de Waag en haar persoonlijke begeleidster blijkt volgens de moeder dat zij thans medicatie voor ADHD gebruikt, dat zij therapie krijgt en dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zij krijgt nagenoeg uitsluitend positieve kritiek bij de evaluatie van de omgangsmomenten en zij heeft met de huidige gezinsvoogd geen aanvaringen. De GI heeft nagelaten haar te testen ten aanzien van haar opvoedingsvaardigheden en haar leerbaarheid hierin. Verder heeft de GI niet aan haar laten weten welke opvoedingsvaardigheden zij zich eigen zou moeten maken om [kind] zelf te kunnen opvoeden. Voor de GI was kennelijk vanaf aanvang het uitgangspunt dat [kind] niet teruggeplaatst zou worden en hiermee is aan haar de kans ontnomen om [kind] zelf op te voeden en verzorgen.

De moeder stelt verder dat de huidige gezinsvoogd een aantal zorgen van de voormalige gezinsvoogd niet herkent. Op zijn advies heeft zij zich ingeschreven in Kaatsheuvel en bij Parkwijk voor een plaats in een ouder-kind-project.

5.4

Ter terechtzitting heeft de moeder aanvullend gesteld dat de eerdere plaatsingen in een moeder-kind-huis om verschillende redenen, die voor een groot deel buiten haar macht lagen, niet positief zijn afgerond. De eerste plaatsing in ME Care kon niet worden voortgezet, omdat de GI niet werkt met een pgb-instelling als ME Care. De tweede plaatsing besloeg slechts een periode van acht weken, omdat het een crisisplaatsing betrof. Daarna was sprake van een plaatsing in een andere instelling dan haar aanvankelijk was toegezegd. In verband daarmee was zij minder gemotiveerd en die plaatsing is toen inderdaad niet goed verlopen. In overleg met de huidige gezinsvoogd is onlangs besloten af te zien van een plaatsing in Parkwijk, omdat daar mensen wonen met drank- en drugsproblemen en de plaatsing daar daarom niet passend voor haar is. Het ouder-kind-project in Kaatsheuvel is in verband met bezuinigingen opgeheven. Inmiddels is zeer recent duidelijk geworden dat zij tijdelijk in een moeder-kind-huis in Chaam kan gaan wonen. Zij heeft een schriftelijke bevestiging, gedateerd 3 augustus 2015, ontvangen van de directeur waarin wordt vermeld dat na de opening van het moeder-kind-huis voor haar en [kind] een plek beschikbaar is. Op die locatie kan geen intern onderzoek worden gedaan naar de opvoedvaardigheden van de moeder; dat dient door een extern bureau te gebeuren. De moeder stelt zeer gemotiveerd te zijn van een toekomstige plaatsing in Chaam een succes te maken.

Nu de moeder tegen beperkingen aanloopt en de GI niet wil meewerken aan een onderzoek naar haar opvoedvaardigheden beroept zij zich op artikel 810a Rv en verzoekt zij het hof een deskundigenonderzoek te gelasten.

5.5

De GI voert verweer tegen de verzoeken van de moeder. De moeder heeft met [kind] in drie moeder-kind-huizen gezeten waar zij ook haar opvoedvaardigheden en leerbaarheid heeft kunnen tonen, evenwel zonder positief resultaat. Het is juist dat de rechter de moeder de kans heeft geboden te laten zien wat zij binnen een half jaar kan bereiken. De moeder heeft weliswaar stappen vooruit gezet, maar deze zijn niet zodanig groot dat deze voor de GI aanleiding vormen haar standpunt omtrent het toekomstperspectief van [kind] te herzien. Evenmin vormt deze vooruitgang aanleiding voor de GI om een onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder te verrichten. Het gaat om een minimale vooruitgang die maakt dat de omgangsregeling niet verder behoeft te worden beperkt, maar kan worden gehandhaafd op de huidige duur en frequentie. De omgang verloopt nu redelijk goed. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij recent een verslag van een medewerkster van De Rading heeft ontvangen met betrekking tot het verloop van de contactmomenten. Daarin wordt aangegeven dat deze momenten goed verlopen, dat de moeder erg haar best doet en zich rustig gedraagt. Tijdens de contactmomenten, waarbij ook de vader aanwezig is, is het hoofdzakelijk de moeder die het initiatief neemt. Het bespreken van zorgpunten met de moeder verloopt echter nog steeds moeizaam, omdat zij dan boos reageert.

De nieuwe gezinsvoogd heeft weliswaar laten weten dat de samenwerking met de moeder goed verloopt en dat de moeder zijn adviezen goed oppakt, maar dat wil niet zeggen dat hij de zorgpunten niet herkent. Er is geen sprake van een tegenstrijdigheid tussen de visie van de huidige en die van de vorige gezinsvoogd. Ten slotte heeft de GI nog naar voren gebracht dat, nadat de nieuwe gezinsvoogd had besloten de intake voor Parkwijk door te laten gaan, de moeder zonder zich af te melden niet op de intake is verschenen.

5.6

Ten aanzien van het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige die haar opvoedingsvaardigheden zal onderzoeken en haar leerbaarheid daarin, dit met het oog op een eventuele terugplaatsing van [kind] bij haar, overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 810a lid 2 Rv benoemt de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Het hof verstaat dit artikel aldus dat het ook ziet op een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een ondertoezichtstelling, maar waarin een geschil bestaat over het voortduren van een uithuisplaatsing van de minderjarige. Het hof voegt hieraan nog toe dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel zal moeten worden toegewezen, indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

Het hof is van oordeel dat het onderhavige verzoek van de moeder om de navolgende redenen niet kan worden toegewezen. Het hof dient immers te beoordelen of de door de kinderrechter over de periode van 26 mei 2015 tot 26 november 2015 verleende machtiging uithuisplaatsing van [kind] terecht is verleend. Gelet op de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, was de uithuisplaatsing van [kind] in het pleeggezin in voormelde periode in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind] nog steeds noodzakelijk. Het hof volgt hierin de overwegingen van de kinderrechter en maakt deze tot de zijne. De moeder heeft tijdens mondelinge behandeling verklaard dat zij een geleidelijke, fasegewijze terugplaatsing van [kind] bij haar het beste voor [kind] acht. Een deskundigenonderzoek zoals door haar verzocht en dat ziet op de mogelijkheden van terugplaatsing in de toekomst bij de moeder zal, zo leert de ervaring, evenwel niet voor 26 november 2015 zijn afgerond. Een dergelijk onderzoek zal dan ook niet mede kunnen leiden tot een beslissing van de zaak zoals die thans aan het hof voorligt.

Het hof overweegt nog wel dat het de moeder vanzelfsprekend vrij staat in het kader van een eventueel verzoek tot verlenging van de machtiging van de uithuisplaatsing aan de kinderrechter (opnieuw) een verzoek te doen als bedoeld in artikel 810a Rv.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank midden-Nederland, locatie Utrecht van 20 mei 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, P.M.M. Mostermans en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 10 september 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.