Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6676

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.151.383/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzing Hoge Raad. Ontheffing gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.383

(zaaknummer rechtbank 's-Hertogenbosch 226785)

beschikking van de familiekamer van 10 september 2015

na verwijzing door de Hoge Raad

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. van Vliet te 's-Hertogenbosch,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord en Zuidoost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de vader,

en

[belanghebbenden] ,

beiden wonende te [woonplaats],

verder tezamen te noemen: de pleegouders.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 30 oktober 2014 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de raad van 3 maart 2015, met als bijlage het raadsrapport van die datum;

- een brief van de raad van 9 maart 2015, ingekomen op 10 maart 2015, met als bijlage de

bereidverklaring voogdij van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en

Jeugdreclassering te Amsterdam als gevolg van het subsidiair verzoek van de raad deze tot

voogd te benoemen;

- een brief van de raad van 9 maart 2015 met als onderwerp ‘Wijziging bijlagen definitieve

rapportage’, ingekomen op 11 maart 2015, met bijlagen;

- een brief van de raad van 24 maart 2015;

- een brief van de raad van 9 maart 2015 met als onderwerp ‘Wijziging bijlagen definitieve rapportage’, ingekomen op 25 maart 2015, met bijlage.

1.3

Op 14 juli 2015 is de mondelinge behandeling voortgezet. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van [A]. Namens de raad is [B] verschenen. Voorts is [C] namens de stichting verschenen. De pleegouders en de vader zijn behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van

30 oktober 2014, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de volgende vragen:

1. draagt een ontheffing bij aan de positieve ontwikkeling van [kind] c.q. draagt de maatregel bij aan de opheffing van de bedreiging in de ontwikkeling?

2. zijn er mogelijke negatieve effecten te verwachten op de ontwikkeling van [kind] indien de moeder wordt ontheven van het gezag?

3. wat is het resultaat van voormelde belangenafweging c.q. is een verderstrekkende maatregel geïndiceerd?

4. indien een verderstrekkende maatregel is geïndiceerd, wie dient er dan belast te worden met de voogdij over [kind]?

5. welke bezoekregeling is onder de huidige omstandigheden het meest in het belang van [kind]?

2.3

De raad heeft op 3 maart 2015 rapport uitgebracht.

2.4

Het hof is, gelet op de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling over en weer

is verklaard, van oordeel dat gegronde vrees bestaat dat de maatregelen van

ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, door de ongeschiktheid en onmacht van de moeder

om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende zijn om de ernstige

bedreiging van de belangen van [kind] af te wenden. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

2.5

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake

de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot

ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat

niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting

in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

2.6

[kind] is sinds december 2007 uit huis geplaatst. Zij heeft twee jaar in een kortverblijf pleeggezin gewoond en verblijft sinds 15 februari 2010 in het huidige pleeggezin. [kind] had bij aankomst in het huidige pleeggezin gedragsproblemen, die samenhingen met het onzekere opvoedingsklimaat dat haar ontwikkeling heeft gekenmerkt. Bij [kind] was sprake van een groot loyaliteitsconflict en hechtingsproblemen. [kind] heeft lange tijd erg sociaal wenselijk gedrag laten zien in het pleeggezin. Zij was overdreven volgzaam, stemde haar gedrag af op anderen en bleef afstand houden tot anderen. Emoties waren niet of nauwelijks af te lezen aan [kind]. Volgens het raadsrapport van 3 maart 2015 heeft [kind] de afgelopen jaren in het pleeggezin een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De hechting en het vertrouwen in het pleeggezin is toegenomen. [kind] voelt zich thuis in het pleeggezin en zij heeft thans goede contacten met de pleegouders, de pleegbroer en de pleegzus. Zij durft beter haar eigen mening te geven en zich te uiten. [kind] doet het goed op school, heeft veel vriendinnen en doet aan sport. De inbedding van [kind] in het pleeggezin verloopt positief.

2.7

Voor [kind] is het belangrijk dat er duidelijkheid komt over haar verblijf in het pleeggezin, om stabiliteit en continuïteit voor haar te garanderen. Het hof is met de raad van oordeel dat (on)voorwaardelijke terugplaatsing van [kind] bij de moeder thuis niet haalbaar is en niet in het belang van [kind] is. Het hof erkent dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij een sterke affectieve relatie met [kind] heeft. Echter, het feit dat de moeder haar leven heeft gebeterd, weegt niet op tegen het belang van [kind] om op te groeien in een stabiel pleeggezin en in een stabiele sociale omgeving.

De afgelopen jaren is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is om in te spelen op de

specifieke behoeften van [kind], omdat zij vanuit zichzelf onvoldoende in staat is om aan te

sluiten bij de persoonlijke belevingswereld van [kind]. De moeder kan nog steeds impulsief

zijn, ondanks de positieve ontwikkelingen in haar leven. Zij maakt dan ondoordachte keuzes

en verlangt van [kind] dat zij hier makkelijk in meegaat. Daarbij komt dat de moeder haar

verdriet over de uithuisplaatsing van [kind] en hoe die destijds is verlopen boven het belang

van [kind] plaatst. De moeder deelt dit verdriet telkens met [kind] en doet belastende

uitspraken tegen [kind] over een mogelijke thuisplaatsing. De moeder heeft de afgelopen

jaren verschillende relaties gehad die ook direct bij de bezoekcontacten met [kind] zijn

betrokken. De moeder vindt het voorts erg lastig om ouder op afstand te zijn. De moeder kan

de uithuisplaatsing van [kind] niet ondersteunen, waardoor het loyaliteitsconflict van [kind]

blijft bestaan. [kind] heeft de behoefte om te weten dat zij in het pleeggezin, waar zij al

jaren woont en waarin zij zich goed ontwikkelt, kan blijven wonen. [kind] houdt van de

moeder maar ook van de leden van het pleeggezin. Ze kan en wil niet tussen hen kiezen,

zolang de moeder haar geen toestemming geeft om op te mogen groeien in het pleeggezin.

2.8

Door de gezagontnemende maatregel komt er meer duidelijkheid voor [kind] en de

moeder en is het voor hen beiden duidelijk dat het verblijf in het pleeggezin niet meer ter

discussie gesteld hoeft te worden. Hiermee kunnen de positieve ontwikkelingen van [kind]

worden bestendigd en uitgebreid.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen, daaronder begrepen de benoeming van de stichting tot voogd, dit overeenkomstig het primaire verzoek van de raad en nu het hof ambtshalve bekend is met de - voorlopige (voor de duur van twee jaar geldende) - certificering van de stichting.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep,

na verwijzing door de Hoge Raad:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 augustus 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, A. Smeeïng-van Hees en

M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. Smeeïng-Van Hees, en is op 10 september 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.