Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6658

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
200.159.905/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afbouw partneralimentatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0284
JIN 2015/177 met annotatie van A.H. van Haga
FJR 2016/41.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.159.905/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/131722 / FA RK 13-2281)

beschikking van de familiekamer van 20 augustus 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Dijkstra, kantoorhoudend te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 augustus 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij beschikking van 29 oktober 2014 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot verbetering van de beschikking van 20 augustus 2014, afgewezen.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 19 november 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 22 december 2014;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 18 februari 2015;

- het journaalbericht van mr. Van Dalen van 8 januari 2015 met bijlage, ingekomen op 9 januari 2015;

- het journaalbericht van mr. Van Dalen van 10 april 2015 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 april 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting hebben zowel mr. Van Dalen als mr. Dijkstra mede het woord gevoerd aan de hand van een door hen overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 2005 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. Sinds april 2010 wonen de man en de vrouw feitelijk niet meer samen.

3.2

De vrouw heeft op 30 december 2013 een verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De echtscheidingsbeschikking is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is het verzoek van de vrouw tot het uitspreken van de echtscheiding en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man € 1.560,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De rechtbank heeft daarbij voorts bepaald dat deze uitkering tot levensonderhoud als volgt dient te worden afgebouwd tot nihil:

- met ingang van 1 september 2017 € 1.300,-;

- met ingang van 1 september 2018 € 1.040,-;

- met ingang van 1 september 2019 € 780,-;

- met ingang van 1 september 2020 € 520,-;

- met ingang van 1 september 2021 € 260,-;

- met ingang van 1 september 2022 nihil.

De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot de uitkering tot levensonderhoud uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vrouw is met elf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 20 augustus 2014. De grieven zien op de echtscheiding, de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw, de draagkracht van de man en de afbouwregeling.

4.3

De man is op zijn beurt met vijf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw en de afbouwregeling.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

De echtscheiding

5.1

Omdat de vrouw ter zitting haar grief tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding heeft ingetrokken, behoeft die grief geen bespreking meer. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook in stand laten.

Ingangsdatum

5.2

Het hof zal met betrekking tot de ingangsdatum van een (eventuele) alimentatieverplichting het oordeel van de rechtbank volgen en derhalve uitgaan van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking ingeschreven zal worden in de registers van de burgerlijke stand, nu partijen hiertegen niet hebben gegriefd.

De behoefte van de vrouw

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw, gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk en berekend op grond van 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen, € 1.800,- netto per maand bedraagt.

5.4

Partijen verschillen van mening over de vraag of de behoefte van de vrouw verbleekt is.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen nog niet zijn gescheiden en dat tijdens het huwelijk geen sprake kan zijn van een verbleekte behoefte. Daarbij komt volgens de vrouw dat partijen in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure zijn overeengekomen dat de netto behoefte kan worden gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk op basis van de zogenaamde 'hofformule' en dat partijen op basis van deze formule een behoefte van € 1.800,- netto per maand hebben afgesproken.

De man heeft gesteld dat de behoefte van de vrouw is verbleekt omdat partijen reeds gedurende vier jaar gescheiden wonen. Sinds partijen uit elkaar zijn, zijn er - zo stelt de man - van hetzelfde inkomen twee huishoudens gefinancierd en hebben partijen beiden met minder besteedbaar inkomen genoegen moeten nemen. Daarom is de behoefte volgens de man lager dan € 1.800,- netto per maand.

5.5

Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om het behoeftebedrag naar beneden bij te stellen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Partijen zijn in april 2010 feitelijk uit elkaar gegaan. Sindsdien heeft de man de volgende onderhoudsbijdragen aan de vrouw betaald:

- april 2010 tot en met februari 2013 € 400,- per maand huishoudgeld en de kosten van de echtelijke woning, welke woning door de vrouw tot en met februari 2013 werd bewoond (conform de tussen partijen gemaakte afspraken);

- van maart 2013 tot november 2013: € 900,- netto per maand (conform de tussen partijen gemaakte afspraken);

- van november 2013 tot maart 2014: € 2.176,- bruto per maand (conform de tussen partijen gemaakte afspraken);

- vanaf maart 2014 tot heden: € 2.195,58 bruto per maand (ingevolge de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 16 april 2014).

De vrouw heeft in de zomer van 2012 enkele maanden in Zweden gewoond en vervolgens opnieuw van eind 2012 / begin 2013 tot juni 2014. De man heeft ter zitting verklaard dat hij gedurende die periodes € 900,- netto per maand heeft betaald, zoals partijen reeds eerder waren overeengekomen. Het hof is van oordeel dat de vrouw door naar Zweden te gaan en met de man af te spreken dat hij € 900,- netto per maand aan huishoudgeld zal betalen, geen afstand heeft gedaan van de behoefte waar zij ingevolge de wettelijke onderhoudsverplichting van de man recht op heeft.

Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende onderbouwd dat er in het onderhavige geval sprake is van een verbleekte behoefte. Het enkele feit dat partijen reeds vier jaar feitelijk uit elkaar zijn, is hiertoe onvoldoende. Daarbij komt dat de man niet heeft aangegeven tot welk bedrag de behoefte van de vrouw volgens hem verbleekt is. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat voor partijen duidelijk was dat de eerder overeengekomen bijdrage van € 900,- een tijdelijke bijdrage was en dat de definitieve onderhoudsbijdrage vastgesteld zou worden tijdens de echtscheidingsprocedure. Dat partijen nadat zij feitelijk uit elkaar zijn gegaan, de hiervoor omschreven keuzes hebben gemaakt, betekent niet dat de behoefte van de vrouw in het kader van de onderhavige echtscheidingsprocedure niet meer gerelateerd kan worden aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Het hof gaat dan ook uit van een behoefte van de vrouw van € 1.800,- netto per maand.

Behoeftigheid en afbouwregeling

5.6

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet in staat is om te werken en dat zij om de volgende redenen een kwetsbare positie heeft op de arbeidsmarkt: zij heeft in 2002 in overleg met de man haar werk opgezegd en zij heeft de afgelopen tien jaar geen werkervaring opgedaan, partijen hebben voor en tijdens het huwelijk afgesproken dat de vrouw geen eigen inkomsten hoefde te genereren en dat zou worden geleefd van de inkomsten van de man, het opleidingsniveau van de vrouw, de leeftijd van de vrouw, de slechte arbeidsmarkt en de psychische gesteldheid van de vrouw (die medische beperkingen met zich brengt). De vrouw is daarom van mening dat zij op dit moment niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw vindt het onredelijk om nu reeds de druk bij haar te leggen door de partneralimentatie gefaseerd af te bouwen. Naast de hiervoor vermelde omstandigheden waardoor haar positie op de arbeidsmarkt volgens de vrouw is verslechterd, voert de vrouw aan dat partijen reeds vanaf 1995 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw nooit een inkomen gehad. De vrouw heeft tot en met het mediationtraject in 2012 /2013 de hoop gehad dat partijen weer bij elkaar zouden komen. De vrouw is van mening dat het feit dat de man de vrouw heeft onderhouden nadat zij feitelijk reeds uit elkaar waren, geen reden kan zijn om de onderhoudsbijdrage gefaseerd af te bouwen. Daarnaast stelt de vrouw dat rekening dient te worden gehouden met het feit dat zij in het verleden seksueel misbruikt is en dat zij daardoor last heeft van depressieklachten. Het gaat al geruime tijd niet goed met haar en zij kan niet in staat worden geacht om te werken. De vrouw is thans in behandeling bij GGZ Friesland. Volgens de vrouw is het gezien de lotsverbondenheid tussen partijen redelijk om van de man te vragen dat hij op dit moment zijn maximale draagkracht aanwendt om een onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen.

5.7

De man is van mening dat het huwelijk geen invloed heeft gehad op de verdiencapaciteit van de vrouw en dat de vrouw in staat moet worden geacht om grotendeels in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft verzocht de termijn van de onderhoudsverplichting te beperken in die zin dat de onderhoudsbijdrage in een periode van vijf jaar wordt afgebouwd en na deze periode op nihil wordt gesteld. De man stelt hiertoe dat de verdiencapaciteit van de vrouw door het huwelijk niet is verminderd; de vrouw heeft vóór het huwelijk in 2005 (de man was toen 49 jaar en de vrouw 48 jaar) (fulltime) gewerkt en een goed inkomen gegenereerd. Hij stelt dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen om (een) periode(n) tijdens het huwelijk niet te werken, dat hij haar gestimuleerd heeft om te (gaan) werken juist omdat hij ervan is overtuigd dat deelname aan het arbeidsproces de vrouw zal helpen, dat uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren, dat partijen relatief kort gehuwd zijn en inmiddels ongeveer vier jaar uit elkaar zijn. Naar de mening van de man dient het voor rekening van de vrouw te komen dat zij vanaf het moment dat partijen in 2010 uit elkaar gingen heeft verzuimd te solliciteren dan wel zich te prepareren op de arbeidsmarkt.

5.8

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de vrouw niet in staat is om te werken. Het hof neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking. Uit het door de vrouw overgelegde curriculum vitae blijkt dat de vrouw voor het huwelijk jarenlang op haar niveau heeft gewerkt. Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn geen kinderen geboren. Vast is komen te staan dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen om (een) periode(n) tijdens het huwelijk niet te werken. De man heeft verklaard - en de vrouw heeft dit ter zitting in hoger beroep bevestigd - dat hij de vrouw tijdens het huwelijk bij voortduring gestimuleerd heeft zich te ontwikkelen en weer een baan te zoeken. In het inleidend verzoekschrift heeft de vrouw aangegeven dat zij gezien haar depressiviteit en gezien het feit dat zij altijd de hoop heeft gehad dat het huwelijk zou worden voortgezet, zich de afgelopen drie en een half jaar niet heeft voorbereid op een terugkeer op de arbeidsmarkt. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij de afgelopen maanden ook niet heeft gesolliciteerd. Naar het oordeel van het hof is de vrouw tekortgeschoten in het nakomen van de op haar rustende inspanningsverplichting. De vrouw heeft haar stelling dat haar gezondheid beperkingen op de arbeidsmarkt met zich brengt onvoldoende onderbouwd. Het dient voor rekening en risico van de vrouw te komen, zoals de man ook naar voren heeft gebracht, dat zij haar kansen op de arbeidsmarkt niet, althans onvoldoende heeft benut.

Het hof acht het in het onderhavige geval redelijk om de behoeftigheid van de vrouw vast te stellen op de helft van haar behoefte, te weten € 900,- netto per maand. Gebruteerd is de resterende behoefte van de vrouw ongeveer € 1.552,- bruto per maand. Het hof stelt vast dat dit bedrag de door de man in hoger beroep gestelde draagkracht van € 1.560,- bruto per maand niet overstijgt.

5.9

Het hof zal dan ook de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vaststellen op € 1.552,- bruto per maand.

5.10

Gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 5.8 vermelde omstandigheden, acht het hof een afbouw van de alimentatieverplichting van de man tot nihil - conform het voorstel van de man in zijn incidenteel appel - in een periode van vijf jaren redelijk. Het hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat de vrouw thans een traject volgt bij de GGZ eerst met ingang van 1 januari 2016 de partneralimentatie afgebouwd dient te worden. Tot die datum dient de vrouw de gelegenheid te krijgen dit traject af te ronden. Nadat zij het traject heeft afgerond kan naar het oordeel van het hof van de vrouw verwacht worden dat zij zich inspant om weer volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Het hof is daarom van oordeel dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw als volgt dient te worden afgebouwd tot nihil:

- met ingang van 1 januari 2016: € 1.500,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2017: € 900,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2018: € 700,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2019: € 500,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2020: € 300,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2021: nihil.

Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat bij de vaststellingen van de onderhoudsbijdrage van de man rekening dient te worden gehouden met het feit dat partijen voorafgaand aan het huwelijk samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden, volgt het hof de vrouw niet in haar standpunt. De onderhoudsverplichting van de man volgt enkel uit het feit dat partijen gehuwd zijn geweest en niet uit het feit dat partijen voor het huwelijk hebben samengewoond.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de vastgestelde partneralimentatie betreft, vernietigen en opnieuw beslissen zoals hierna wordt weergegeven. Het hof zal de uitgesproken echtscheiding tussen partijen bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen

(gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 augustus 2014 voor zover het de echtscheiding tussen partijen betreft;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 augustus 2014, voor zover het de partneralimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.552,- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat deze bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw als volgt dient te worden afgebouwd:

- met ingang van 1 januari 2016: € 1.500,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2017: € 900,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2018: € 700,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2019: € 500,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2020: € 300,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2021: nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. I.A. Vermeulen en

mr. W. Foppen, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2015 in bijzijn van de griffier.