Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6655

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.172.078
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ondertoezichtstelling. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Gewone verblijfplaats kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.172.078

(zaaknummers rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 280083 en 280024)

beschikking van de familiekamer van 8 september 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] (België),
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.E.F. Bergwerf Bok te Arnhem,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[verweerder] ,

wonende te Arnhem,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.L. Pas te Arnhem,

en


William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 en 30 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 23 juni 2015;

- het verweerschrift, ingekomen op 15 juli 2015;

- een journaalbericht van mr. Bergwerf Bok van 14 augustus 2015 met bijlage, ingekomen op 17 augustus 2015. Het hof slaat geen acht op deze stukken nu deze te laat, in het Frans en zonder vertaling zijn overgelegd.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2015 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [A] verschenen. Namens de GI zijn verschenen [B en C].

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de vader en moeder is op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats], België, [kind] (verder te noemen: [kind]) geboren. De moeder is van rechtswege alleen belast met het gezag over [kind]. De moeder heeft de Congolese nationaliteit. De vader en [kind] hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 maart 2015 is op verzoek van de raad het ongeboren kind [van partijen] in de periode van 13 maart 2015 tot 13 juni 2015 voorlopig onder toezicht van de GI gesteld. Voorts heeft de kinderrechter met ingang van 13 maart 2015 machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind [van partijen] verleend in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter [kind] (definitief) onder toezicht gesteld van de GI tot 13 maart 2016 en het verzoek om [kind] uit huis te plaatsen afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

30 maart 2015. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt de beschikking van 30 september 2015 (het hof begrijpt 30 maart 2015) en de beschikking van 13 maart 2015 te vernietigen en de verzoeken van de raad van 9 en 13 maart 2015 niet ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, althans zodanige regeling te treffen als het hof juist acht, onder compensatie van kosten.

4.2

De raad voert verweer en verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Voor zover de moeder hoger beroep instelt tegen de beschikking van 13 maart 2015 acht het hof haar niet-ontvankelijk in dat verzoek omdat op grond van artikel 807 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering geen hoger beroep open staat tegen een voorlopige ondertoezichtstelling (artikel 1:257 BW). Daar komt bij dat het hoger beroep niet tijdig, binnen drie maanden na het wijzen van de beschikking door de rechtbank, bij het hof is ingesteld.

5.2

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het inleidend verzoek van de raad inzake de ondertoezichtstelling voert de moeder aan dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht door aan te nemen dat gewone verblijfplaats van [kind] in Nederland is. De moeder stelt dat [kind] in België is geboren en zij zich daar met [kind] (definitief) heeft gevestigd. Ook de vader voert aan dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de raad omdat de gewone verblijfplaats van [kind] in België is.

De raad is met de rechtbank van mening dat nu moeder nog is ingeschreven in Nederland en niet blijkt dat zij Nederland definitief heeft verlaten, de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak.

5.3

Het hof overweegt dat ingevolge artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (hierna: Brussel II-bis) bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend (artikel 8 lid 1 jo artikel 16 lid 1, sub a, Brussel II-bis).

5.4

Het begrip “gewone verblijfplaats” in artikel 8 lid 1 Brussel II-bis moet volgens het Hof van Justitie van de EU aldus worden uitgelegd dat het de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen zoals de koop of de huur van een woning of de aanvraag voor een sociale woning in de lidstaat van ontvangst, kan een aanwijzing zijn voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats. Voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar de lidstaat van ontvangst geldt vooral de wens van betrokkene om daar het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. De duur van het verblijf kan bij de beoordeling van de bestendigheid van de verblijfplaats dus slechts een aanwijzing vormen. Bovendien kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving. Voor deze omgeving is of zijn bepalend de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen. Dit geldt temeer als het kind in kwestie een zuigeling is. Dit kind maakt noodzakelijk deel uit van de sociale en familiale omgeving van de kring van mensen van wie het afhankelijk is. Wanneer de zuigeling daadwerkelijk onder het gezag van de ouders staat, moet derhalve hun integratie in een sociale en familiale omgeving worden beoordeeld. Daarbij kunnen criteria zoals de redenen voor de verhuizing van de ouders, hun talenkennis en hun geografische en familiale wortels relevant zijn. (Zie HvJ EG 2 april 2009, LJN BI0835, NJ 2009, 457; HvJ EU 22 december 2010, LJN BP0411, NJ 2011, 500.)

5.5

Het vorenstaande brengt mee dat de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak op grond van de bepaling van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis internationaal bevoegd is, indien [kind] op het tijdstip waarop het inleidend verzoekschrift bij de rechtbank tot de definitieve ondertoezichtstelling werd ingediend, te weten op 13 maart 2015, haar gewone verblijfplaats in de zin van die bepaling in Nederland had.

5.6

Vast staat echter dat [kind] in België is geboren en ook sindsdien daar met haar moeder woont. De reden voor de verhuizing naar België is met name de angst voor de instanties die de moeder heeft als gevolg van de uithuisplaatsing van haar andere twee kinderen. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de moeder de intentie uitgesproken om in België bij haar familie te willen wonen. De moeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij zich dezelfde dag nog zal laten uitschrijven uit Nederland, maar dat zij daarvoor de benodigde stukken niet eerder had. De moeder heeft ter mondelinge behandeling overgelegd de verklaring van de burgemeester van [plaats in België], waaruit blijkt dat zij op 25 september 2015 een afspraak heeft om haar inschrijving en die van [kind] in die stad in orde te brengen. Zij woont daar al geruime tijd bij haar ouders. De vader reist regelmatig een weekend naar België toe om tijd met zijn vrouw en dochter door te brengen.

5.7

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de gewone woon- of verblijfplaats van [kind] zich in België bevindt. De grief van de moeder ten aanzien van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter slaagt, zodat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal gelet op de aard van de procedure de proceskosten in beide instanties compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 13 maart 2015;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 30 maart 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het inleidend verzoek van de raad van

13 maart 2015;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, T.M. Blankestijn en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door T.M. Blankestijn en is op 8 september 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.