Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6643

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
200.151.685/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van de terugbetalingsregeling die is opgenomen in een studieovereenkomst.

Is ook sprake van een beëindiging van het dienstverband op verzoek van de werknemer als de werknemer de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wenst voort te zetten na het verstrijken van de bepaalde termijn?

Nee, die uitleg volgt niet uit de bewoordingen van de overeenkomst en is in het nadeel van de werknemer. Bovendien is de werkgever ook tekort geschoten in haar verplichting om de werknemer bij het sluiten van de studieovereenkomst de consequenties uiteen te zetten die (volgens) haar verbonden waren aan de terugbetalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1722
AR-Updates.nl 2015-0935
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.685/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2474615 CV EXPL 13-14073)

arrest van de eerste kamer van 8 september 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W. Schoo, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Hans Prijsoptiek B.V. h.o.d.n. Hans Anders,

gevestigd te Gorinchem,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Hans Anders,

advocaat: mr. M.C.G. van Essen, kantoorhoudend te Alphen aan den Rijn.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 27 maart 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, kantonrechter, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 25 juni 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zoals door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 27 maart 2014, bekend

onder zaak-/rolnummer 2474615 CV EXPL 13-14073, gewezen tussen [appellante] en Hans Anders te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de vordering van Hans Anders alsnog af te wijzen;

- Hans Anders te veroordelen om al hetgeen [appellante] reeds krachtens genoemd vonnis aan Hans Anders heeft voldaan aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der betalingen tot die der algehele voldoening;

- Hans Anders te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, de nakosten daaronder begrepen ten bedrage van € 131,00 zonder dat betekening van het arrest heeft plaatsgevonden, verhoogd met een bedrag van € 68,00, indien en voor zover Hans Anders niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het arrest om die reden is betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over de

proceskostenveroordeling vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen arrest, uitvoerbaar bij voorraad."

De feiten

3.1

De kantonrechter heeft in zijn vonnis onder 1. een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook in appel van die feiten zal worden uitgegaan. Aangevuld met hetgeen in hoger beroep is komen vast te staan luiden de feiten, voor zover in appel van belang, als volgt.

3.2

[appellante] is met ingang van 9 augustus 2010 voor bepaalde tijd in dienst getreden van Hans Anders als verkoopmedewerker. De arbeidsovereenkomst is tweemaal voor bepaalde tijd verlengd en is door het verstrijken van de termijn waarvoor de derde overeenkomst was aangegaan, geëindigd op 8 augustus 2013.

3.3

Op 27 augustus 2010 hebben partijen een studieovereenkomst gesloten in het kader van een door [appellante] te volgen opleiding tot “Opticien (Manager)”. De overeenkomst behelst dat Hans Anders een bijdrage in de studiekosten van [appellante] voldoet. In die overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
3. Vordering

Voor de door de werkgever betaalde studiekosten (…) krijgt de werkgever een renteloze vordering op de werknemer.

4. Opeisbaarheid en invorderbaarheid

Genoemde vordering is zonder gerechtelijke tussenkomst direct en geheel opeisbaar en invorderbaar onder verrekening met te betalen salaris indien:

(…)

2. Het dienstverband wordt beëindigd op verzoek van de werknemer.

(…)

5. Afbouw opeisbaarheid en invorderbaarheid

Nadat de werknemer de opleiding of cursus/training met het behalen van een certificaat beëindigd heeft, (…) zal vanaf dat moment gedurende drie jaren aan het eind van elk dezer jaren 1/3 deel van de ingevolge deze overeenkomst ontstane schuld van de werknemer, door de werkgever worden kwijtgescholden.

3.4

Bij brief van 11 juli 2013 bevestigt Hans Anders aan [appellante] dat zij te kennen heeft gegeven dat zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wenst voort te zetten. Hans Anders deelt mee dat [appellante] daarom op 8 augustus 2013 uit dienst treedt en dat een eindafrekening zal worden opgemaakt, waarin onder meer de studiekosten zullen worden opgenomen. In een andere brief van eveneens 11 juli 2013 deelt Hans Anders aan [appellante] mee dat zij de mededeling van [appellante] om geen contractverlenging aan te gaan ziet als een mondelinge opzegging. [appellante] antwoordt bij brief van 24 juli 2013 dat zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd uitdient zodat zij aan de criteria in de studieovereenkomst heeft voldaan om zonder opeisbaarheid van de studieschuld bij Hans Anders te vertrekken. Hans Anders bericht bij brief van 26 juli 2013 dat [appellante] niet wilde ingaan op het aanbod van Hans Anders om de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voort te zetten, dat dit door haar wordt beschouwd als een beëindiging van het dienstverband op verzoek van de werknemer, en dat zij daarom aanspraak maakt op betaling van de studieschuld van € 1.721,30. Na nog enige correspondentiewisseling sommeert Ultimoo, de incassogemachtigde van Hans Anders, [appellante] bij brieven van 21 augustus 2013 en 9 september 2013 tot betaling van de studieschuld, vermeerderd met rente en incassokosten. Aan deze sommaties geeft [appellante] geen gevolg.

4
4. De vorderingen in eerste aanleg en de beslissing daarop

4.1

Hans Anders heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd [appellante] te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 1.991,52 (waarin begrepen aan hoofdsom € 1.721,30, aan rente € 12,02 en aan incassokosten € 258,20), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 5 oktober 2013.
Aan de vordering heeft Hans Anders ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat [appellante] geen contractverlenging meer wilde ondanks een aanbod van een contract voor onbepaalde tijd. Dat dient te worden aangemerkt als een beëindiging van het dienstverband op verzoek van werknemer. Om die reden is de studieschuld opeisbaar geworden, welke schuld over de jaren 2010 t/m 2013 € 1.721,30 bedraagt.

4.2

[appellante] heeft bij antwoord verweer gevoerd.

4.3

De kantonrechter heeft de vordering van Hans Anders toegewezen, met uitzondering van de incassokosten, en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

inleiding

5.1

De centrale vraag in dit geding is of, gelet op de wijze waarop het dienstverband is beëindigd, [appellante] op grond van de studieovereenkomst gehouden is de studiekosten die Hans Anders voor haar heeft betaald - onweersproken een bedrag van € 1.721,30 -, aan Hans Anders te betalen. Volgens Hans Anders is sprake van een beëindiging van het dienstverband op verzoek van [appellante] , terwijl [appellante] zich op het standpunt stelt dat aan het dienstverband een einde is gekomen door een beëindiging van rechtswege en zij in dat geval niet gehouden is de studiekosten terug te betalen.

5.2

[appellante] heeft tegen het vonnis van de kantonrechter vier grieven ontwikkeld.


bespreking van de grieven

5.3

Het hof zal eerst grief 2 behandelen. In grief 2 richt [appellante] zich, mede gelet op de toelichting die zij op die grief heeft gegeven, tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij de studiekosten dient terug te betalen. Die grief slaagt. Het hof overweegt daartoe het volgende.

5.4

Op zichzelf is het een werkgever toegestaan met een werknemer afspraken te maken over een eventuele terugbetaling van studiekosten, die aanvankelijk door de werkgever zijn voldaan. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt. In het arrest dat ziet op een beding tot terugbetaling van loon in geval van beëindiging van de dienstbetrekking dadelijk na de voltooiing van de studie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de terugbetaling wordt begrensd door wettelijke bepalingen, door de eisen van goed werkgeverschap en de norm van art. 6:248 BW (Hoge Raad 10 juni 1983 NJ 1983/796; Muller/Van Opzeeland). De Hoge Raad heeft in dat verband onder meer overwogen:
“(…) Bovendien zal, wil een zodanige regeling – zoals in het onderhavige geval – bij beëindiging van de dienstbetrekking binnen een bepaalde tijd na afloop van de studie een verplichting tot terugbetaling van de reeds gedurende de studieperiode ontvangen loonbedragen meebrengen, deze voor de werknemer zo ernstige consequentie duidelijk aan hem moeten zijn uiteengezet (…).

5.5

Nu partijen van mening verschillen over de reikwijdte van het studiekostenbeding dient deze te worden vastgesteld aan de hand van het Haviltex-criterium (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9430) dat erop neerkomt dat dat de rechter aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de betekenis van dat beding dient vast te stellen. Uit dit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen.

5.6

Het hof stelt vast dat de studieovereenkomst taalkundig alleen voorziet in een opeisbare vordering van Hans Anders ingeval het dienstverband op verzoek van de werknemer, dus in dit geval van [appellante] , wordt beëindigd.

Hans Anders wil ingang doen vinden dat ook de situatie dat [appellante] een aanbod tot verlenging van de overeenkomst voor bepaalde tijd afslaat, gelijk gesteld moet worden met een beëindiging op verzoek van de werknemer. [appellante] betwist deze uitleg. [appellante] stelt zich, zo leidt het hof uit haar stellingen af, daarbij op het standpunt dat Hans Anders de in de studieovereenkomst opgenomen terugbetalingsregeling met haar consequenties niet duidelijk heeft gemaakt. In het bijzonder was het [appellante] niet duidelijk dat volgens Hans Anders van “beëindiging van het dienstverband op verzoek van de werknemer” ook sprake is wanneer, zoals in dit geval, de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt door het verstrijken van de daarvoor bepaalde tijd, en de werknemer de arbeidsovereenkomst niet wil voortzetten door het aangaan van een opvolgende arbeidsovereenkomst.

Omdat de opvatting van Hans Anders niet zonder meer volgt uit de tekst van de bepaling, maar berust op een uitleg die Hans Anders daaraan in de context van de studieovereenkomst geeft, terwijl die uitleg in het nadeel is van [appellante] , volgt het hof niet de door Hans Anders voorgestane uitleg van het studiekostenbeding en legt die uit in de [appellante] voorgestane zin, zodat het beding geen basis meer biedt voor toewijzing van de vordering van Hans Anders. Het hof overweegt daarbij nog dat Hans Anders ook tekort is geschoten in haar verplichting als goed werkgever om aan [appellante] bij het sluiten van de studieovereenkomst uiteen te zetten welke consequenties (volgens haar) waren verbonden aan de daarin opgenomen terugbetalingsregeling bij beëindiging van het dienstverband (voor bepaalde tijd).

5.7

De grieven 3 en 4 richten zich tegen de toewijzing door de kantonrechter van de wettelijke rente en tegen de veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Nu grief 2 slaagt, slagen ook die grieven. Nu het vonnis op grond van de grieven 2 t/m 4 wordt vernietigd, heeft [appellante] geen belang meer bij behandeling van grief 1.

de slotsom

5.8

De grieven 2 t/m 4 slagen, zodat het bestreden vonnis wordt vernietigd, en Hans Anders wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellante] heeft voldaan.

Het hof zal Hans Anders als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen. Daarbij zal voor de procedure in eerste aanleg alleen één punt volgens het liquidatietarief in aanmerking worden genomen, nu niet is gebleken dat in eerste aanleg de conclusie van dupliek wél tijdig was genomen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen aldus worden vastgesteld op € 150,-.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

93,80

- griffierecht

308,-

totaal verschotten

401,80

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 632,-

632,-

te vermeerderen met nasalaris/-kosten

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 27 maart 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling privaatrecht, kantonrechter, locatie Groningen en doet opnieuw recht;

wijst de vorderingen van Hans Anders af;

veroordeelt Hans Anders tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen zij reeds krachtens genoemd vonnis aan Hans Anders heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der betalingen tot die der algehele voldoening

veroordeelt Hans Anders in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 150,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na betekening van deze uitspraak tot de dag der algehele voldoening, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 401,80 voor verschotten,
te vermeerderen met € 131,00 voor nasalaris van de advocaat, en met de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 14 dagen na betekening van deze uitspraak tot de dag der algehele voldoening, en met € 68,00 voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde veroordelingen betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. J.H. Kuiper en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 september 2015.