Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6633

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.163.043
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie. Niet-wijzigingsbeding. Falend beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.163.043

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 262584)

beschikking van de familiekamer van 8 september 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.H. Broeksema te Zwolle,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.H. Tjabringa te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 17 oktober 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 14 januari 2015;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 2 maart 2015;

- een journaalbericht van mr. Broeksema van 13 juli 2015 met bijlagen, ingekomen op 14 juli

2015;

- een journaalbericht van mr. Tjabringa van 14 juli 2015 met bijlagen, ingekomen op 15 juli

2015;

- een journaalbericht van mr. Broeksema van 16 juli 2015 met één bijlage, ingekomen op

20 juli 2015;

- een journaalbericht van mr. Broeksema van 23 juli 2015 met bijlagen, ingekomen op

24 juli 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 juli 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Broeksema de jaaropgave 2014 van Brandwacht Service Nederland B.V. overgelegd.

2.4

Desgevraagd heeft mr. Tjabringa ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van het journaalbericht van mr. Broeksema van 23 juli 2015 met bijlagen en van voormelde jaaropgave, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook op die bijlagen acht.

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 14 september 2011 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 4 oktober 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Bij voormelde beschikking is tevens bepaald dat het tussen partijen gesloten en op 10 augustus 2011 ondertekende echtscheidingsconvenant, met uitzondering van artikel 28, als in deze beschikking opgenomen moet worden beschouwd en dat hetgeen tussen hen is overeengekomen als ingelast geldt en van die beslissing deel uitmaakt. In voormeld echtscheidingsconvenant zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

Artikel 1

De man zal met ingang van datum ontbinding van het huwelijk bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.318,00 bruto per maand, welk bedrag maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan. Tot datum ontbinding van het huwelijk blijven de inkomsten van de man beschikbaar voor de vrouw op de wijze zoals partijen dat gewend waren.

Artikel 2

Het in artikel 1 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in art. 1:159 lid 3 BW is bepaald.”

3.3

De in het echtscheidingsconvenant bepaalde bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2015 ingevolge de wettelijke indexering € 1.381,01 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). De man heeft de rechtbank, kort gezegd, verzocht de beschikking van 14 september 2011 aldus te wijzigen dat de partneralimentatie met ingang van 1 februari 2014, dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een datum die de rechtbank juist acht, wordt vastgesteld op € 501,- bruto per maand, althans op een bedrag dat de rechtbank juist acht. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 17 oktober 2014 het verzoek van de man afgewezen.

4.2

De man is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de vernietigbaarheid van het niet-wijzigingsbeding op grond van dwaling en misbruik van omstandigheden, de draagkracht van de man en de ingangsdatum van de eventueel te wijzigen partneralimentatie. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zijn verzoek om de partneralimentatie met ingang van 1 februari 2014, althans een datum die het hof juist acht, vast te stellen op € 501,- bruto per maand, althans op een bedrag dat het hof juist acht, toe te wijzen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.3

De vrouw heeft het hof verzocht de man in zijn verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

5 De motivering van de beslissing

Dwaling

5.1

De man heeft zich in eerste aanleg beroepen op de vernietigbaarheid van het in artikel 2 van het echtscheidingsconvenant neergelegde niet-wijzigingsbeding op grond van dwaling. De rechtbank heeft dit beroep getoetst aan de vereisten van artikel 6:228 Burgerlijk Wetboek (BW) en geoordeeld dat aan die vereisten niet is voldaan. De man komt met zijn eerste grief op tegen de verwerping van zijn beroep op dwaling. Hij betoogt dat hij niet heeft begrepen wat de betekenis van dit beding was en dat hij daarover door de vrouw en haar advocaat onvoldoende is geïnformeerd. De advocaat van de vrouw heeft de betekenis van het convenant met het niet-wijzigingsbeding niet nadrukkelijk met hem besproken (evenmin als haar kantoorgenoot). Hij heeft het beding zo begrepen dat hij geen verkorting van de duur van de onderhoudsplicht kon verzoeken, maar niet dat hij geen wijziging van de hoogte van de bijdrage kon verzoeken. Hij voert aan het beding zo te hebben verstaan dat als hij minder zou gaan verdienen, een wijziging van de bijdrage in overleg met de vrouw kon worden geregeld. Hij heeft het concept-convenant ontvangen en had dus alle bepalingen daarvan kunnen lezen, ware het niet dat hij zwaar dyslectisch, bijna analfabeet, is. Bovendien is hij onervaren in het lezen en begrijpen van de juridische taal. Hij betoogt dat hij een onjuiste voorstelling van zaken had bij het niet-wijzigingsbeding.

5.2

De vrouw heeft betwist dat bij de man een onjuiste voorstelling van zaken bestond. Volgens haar is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de man niet zou hebben begrepen wat hij tekende. Alle bepalingen van het convenant zijn vooraf met de man doorgenomen en haar advocaat heeft de man het niet-wijzigingsbeding wel degelijk uitgelegd. De vrouw stelt dat de dyslexie van de man minder ernstig is dan de man het hof wil doen geloven. De man is niet beperkt in het begrijpend lezen. In ieder geval is een eventuele dwaling van de man niet aan haar of aan haar advocaat te wijten, aldus de vrouw.

5.3

Het hof overweegt omtrent het voorgaande als volgt.

5.4

Als onbetwist staat vast dat de man dyslexie heeft. De mate van zijn dyslexie staat evenwel ter discussie. De vrouw heeft betoogd dat de man geen beperking kent bij het begrijpend lezen. Zij heeft aangevoerd dat zij de man tijdens het huwelijk uitsluitend heeft moeten helpen met het spellen van bepaalde woorden en de zinsopbouw bij het schrijven, hetgeen de man onvoldoende heeft weersproken. Evenmin heeft hij onvoldoende weersproken het betoog van de vrouw dat hij zelf als eerste een convenant/brief heeft opgesteld, dat er diverse e-mails tussen hem en de advocaat van de vrouw zijn gewisseld en dat hij naar aanleiding van het door de advocaat van de vrouw opgestelde en aan hem toegezonden concept-convenant, telefonisch contact met de advocaat van de vrouw heeft opgenomen over artikel 16 omdat hij dit artikel wilde wegstrepen tegen een andere post. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de man zijn theorie-examens, waarvoor hij moet kunnen lezen, allemaal in één keer heeft gehaald, hetgeen de man niet heeft betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat zijn dyslexie hem heeft belet alle bepalingen van het concept-convenant te kunnen lezen en begrijpen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij laat het hof tevens meewegen dat de man een ontwikkeld persoon is en in het verleden leidinggevende functies heeft bekleed. Een bewijsaanbod heeft de man niet gedaan.

5.5

Evenmin heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat de advocaat van de vrouw de betekenis van het beding niet nadrukkelijk met hem heeft besproken en ook hier ontbreekt een bewijsaanbod. Op 9 augustus 2011 heeft de man een bespreking over het convenant gehad met de advocaat van de vrouw en de vrouw. Ter mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de man verklaard dat zij drieën toen het convenant bladzijde voor bladzijde hebben besproken. Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dat de advocaat van de vrouw tijdens die bespreking het convenant bladzijde voor bladzijde heeft doorgenomen, maar niet het bewuste artikel met het niet-wijzigingsbeding. De vrouw heeft dit laatste echter uitdrukkelijk betwist. Zij houdt staande dat elk artikel toen met de man is besproken, ook het artikel met het niet-wijzigingsbeding. Het betoog van de vrouw vindt steun in het e-mailbericht dat de man na afloop van de bewuste bespreking, dezelfde dag nog, van de advocaat van de vrouw heeft ontvangen. Dit e-mailbericht, waarbij het concept-convenant aan de man is toegestuurd, vermeldt onder meer:

“Het convenant is aangepast zoals besproken tijdens de bespreking dd. 09/08/2011 waarbij ook [verweerster] aanwezig was. Ik bevestig dat ik u uitleg heb gegeven bij de bepalingen in het convenant en dat u heeft aangegeven akkoord te gaan met de bepalingen zoals die nu in het concept-convenant staan. (…) Wat mij betreft kan de ondertekening van het convenant morgenmiddag om 17.30 uur plaatsvinden.”

Volgens dit e-mailbericht heeft de advocaat van de vrouw de man tijdens de bespreking op 9 augustus 2011 de bepalingen van het convenant uitgelegd. Weinig aannemelijk is dat een kernbepaling als het niet-wijzigingsbeding, een van de eerste bepalingen van het convenant, daarbij dan niet zou zijn uitgelegd.

Ter mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de man tevens verklaard dat hij vóór de ondertekening op 10 augustus 2011 van het convenant nog heeft gesproken met een kantoorgenoot van de advocaat van de vrouw en dat zij toen samen elke bladzijde van het convenant hebben doorgenomen en dat hij toen tegen deze kantoorgenoot heeft gezegd dat hij het snapte.

5.6

Het hof constateert dat partijen bij de besprekingen over het te sluiten convenant onder ogen hebben gezien dat de man in de nabije toekomst met FLO (functioneel leeftijdsontslag) zou gaan en dat de FLO-uitkering in aanvang circa 80% en na enige jaren 70% van het oude salaris zou bedragen. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de man tijdens de besprekingen, waarin hem werd uitgelegd dat het niet-wijzigingsbeding slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan worden doorbroken, telkens aangaf dat hij zou gaan bijverdienen als hij met FLO zou gaan. De man heeft de stelling van de vrouw dat hij tijdens de besprekingen heeft aangegeven te zullen gaan bijverdienen als hij met FLO zou gaan, niet weersproken, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan. Het feit dat partijen bij de besprekingen over het te sluiten convenant onder ogen hebben gezien dat de man met FLO zou gaan, wijst dan ook niet op een verkeerde voorstelling van zaken bij de man met betrekking tot het niet-wijzigingsbeding. De verwachting te zijner tijd te zullen gaan bijverdienen vormt een gerede verklaring voor het feit dat de man geen bezwaar zag om niettegenstaande het naderende FLO met het niet-wijzigingsbeding akkoord te gaan.

5.7

Gelet op het voorgaande heeft de man zijn betoog dat hij ten aanzien van het niet-wijzigingsbeding een onjuiste voorstelling van zaken had, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Reeds om die reden faalt zijn beroep op dwaling. De eerste grief treft geen doel.

Misbruik van omstandigheden

5.8

De man heeft in eerste aanleg tevens een beroep gedaan op misbruik van omstandigheden. De rechtbank heeft ook dit beroep verworpen. Daartegen richt de man zijn tweede grief.

5.9

De man voert, kort samengevat, het volgende aan. De vrouw was bekend met de dyslexie van de man en zijn onervarenheid met het lezen en begrijpen van juridische teksten. Hij heeft geen eigen advocaat genomen omdat hij in de veronderstelling was dat de echtscheiding in onderling overleg zou worden geregeld en dat daarbij ook met zijn belangen rekening zou worden gehouden. Die veronderstelling mocht hij mede hebben omdat partijen waren overeengekomen de kosten van de advocaat van de vrouw bij helfte te dragen.

De vrouw heeft tegen een en ander gemotiveerd verweer gevoerd.

5.10

Het beroep van de man op misbruik van omstandigheden faalt. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW is geen sprake. Zoals hiervoor geoordeeld, bestaat namelijk onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de man niet begreep waarvoor hij tekende. Het moge verder zo zijn dat de man erop heeft vertrouwd dat de advocaat van de vrouw ook zijn belangen zou behartigen, maar er is onvoldoende grond om dit vertrouwen te rechtvaardigen. Vast staat namelijk dat de advocaat van de vrouw de man uitdrukkelijk heeft meegedeeld uitsluitend voor de vrouw op te treden. Het feit dat partijen met elkaar hadden afgesproken de kosten van de advocaat van de vrouw te delen, vormt een onvoldoende rechtvaardiging voor de veronderstelling dat deze advocaat ook met de belangen van de man rekening zou houden. Voorts staat vast dat vrienden en familie van de man de man hebben geadviseerd een eigen advocaat in te schakelen. Desalniettemin heeft de man ervoor gekozen geen eigen advocaat te nemen en advies bij een bevriende leek in te winnen.

Ook de tweede grief is tevergeefs voorgesteld.

Tot slot

5.11

Het hof leidt uit het beroepschrift van de man af, en diens advocaat heeft dit ter mondelinge behandeling bij het hof ook bevestigd, dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen de verwerping van het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden. De strekking van het betoog van de man in hoger beroep is dat het niet-wijzigingsbeding moet worden vernietigd en dat zijn verzoek tot verlaging van de partneralimentatie dus uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:401 lid 1 BW, en niet volgens de strenge maatstaf van artikel 1:159 lid 3 BW zoals de rechtbank heeft gedaan. Tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.7 dat niet is gebleken van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, is de man niet opgekomen. Derhalve wordt van de juistheid van dat oordeel uitgegaan.

Aangezien het beroep van de man op dwaling en misbruik van omstandigheden faalt, dient van de geldigheid van het niet-wijzigingsbeding te worden uitgegaan en is voor een beoordeling van het wijzigingsverzoek aan de hand van artikel 1:401 lid 1 BW geen plaats. Daarmee mist grief 3 doel en behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

5.12

Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep tevergeefs ingesteld. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 17 oktober 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, R. Krijger, en J.P. Balkema, bijgestaan door mr. A.B. de Wit als griffier, en is op 8 september 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.