Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6571

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
200.012.958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Actio pauliana, zie ook rolnummer 200.124.310

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.012.958 en 200.013.520

(zaaknummer/rolnummer rechtbank Arnhem 91453/ HA ZA 02-1444)

arrest van de derde civiele kamer van 8 september 2015

in de zaak met nummer 200.012.958

[appellante] ,

wonende te [woonplaats appellante],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W.A.J. Hagen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats geïntimeerde],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.M. Wolfs,

en in de zaak met nummer 200.013.520 van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

hierna: [appellant]

advocaat: mr. V.J.A. Hetterscheidt,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.M. Wolfs.

De zaak met nummer 200.012.958

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Dit verloop blijkt uit:

- het arrest van 30 oktober 2012,

- de akte houdende uitlating van [geïntimeerde] d.d. 11 december 2012,

- de antwoordakte van [appellante] d.d. 22 januari 2013,

- de akte houdende uitlating van [geïntimeerde] d.d. 19 maart 2013, met productie,

- de antwoordakte van [appellante] d.d. 16 april 2013.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof wederom arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof blijft bij hetgeen hij heeft overwogen in zijn arresten van 20 maart 2012 en 30 oktober 2012.

2.2

In het tussenarrest van 20 maart 2012 heeft het hof overwogen dat het principaal hoger beroep en grief 4 tot en met 7 van het incidenteeel hoger beroep zich richten tegen de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de vordering die [geïntimeerde], overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:51 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in de dagvaarding in eerste aanleg onder 1. primair had ingesteld tegen zowel [appellant] als [appellante]. Het hof heeft [geïntimeerde] de gelegenheid geboden zich bij akte uit te laten over de vraag of de rechtbank in de procedure tegen [appellant] een eindvonnis had gewezen, waarbij de vordering sub 1. primair niet is toegewezen en wat daarvan de gevolgen voor de op artikel 3:45 BW gegronde vordering zijn.
In het tussenarrest van 30 oktober 2012 heeft het hof [geïntimeerde] opgedragen een akte te nemen, waarin zij dient aan te geven of zij de rechtbank om aanvulling van het vonnis van 9 juli 2008 heeft verzocht en, indien dit het geval is, zij de beslissing van de rechtbank op dit verzoek dient te overleggen, dan wel of zij besloten heeft om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om aanvulling van het vonnis van 9 juli 2008 te verzoeken.

[geïntimeerde] heeft bij akte houdende uitlating van 11 december 2012 meegedeeld dat zij om aanvulling van het vonnis van 9 juli 2008 heeft verzocht. Bij akte houdende uitlating van 19 maart 2013 heeft zij de door de rechtbank Oost-Nederland gepleegde aanvulling op het vonnis van 9 juli 2008 overgelegd.

In verband met het feit dat tegen deze aanvulling door [appellant] hoger beroep was ingesteld, dat bij dit hof aanhangig is onder rolnummer 200.124.310, is de uitspraak in de onderhavige zaak aangehouden. Gelet op het feit dat in de zaak met rolnummer 200.124.310 op dezelfde dag arrest zal worden gewezen, zal het hof met inachtneming van de gepleegde aanvulling onderhavig arrest wijzen.

2.3

Het gaat in de onderhavige zaak om de door [geïntimeerde] gevorderde vernietiging van de rechtshandeling tot levering van de onroerende zaak aan de [adres] (hierna: de woning), althans de verklaring voor recht dat deze rechtshandeling is vernietigd.
De woning wordt sinds 1999 gezamenlijk door [appellant] en [appellante] bewoond en is volgens de transportakte in mei 2000 door [appellant] aan [appellante] verkocht voor een bedrag van ƒ 380.000,-. Op de woning rust een recht van hypotheek voor een geldlening ten bedrage van ƒ 235.000,-. [appellante] is naast [appellant] mede hoofdelijk schuldenaar geworden van de hypothecaire lening. Van de koopsom is volgens [appellante] een bedrag van ƒ 145.000,- voldaan door storting door [bedrijf 1] – een vennootschap waarvan [appellant] alle aandelen hield – op de derdengeldrekening van de notaris.

2.4

De rechtbank heeft ten aanzien van de door [geïntimeerde] ingestelde vordering overwogen dat de leveringshandeling zelf niet als paulianeus kan worden aangemerkt, omdat die niet onverplicht was in de zin van artikel 3:45 BW, doch dat de koopovereenkomst wel onverplicht was en dat [appellante] dit ook heeft erkend.
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de koopovereenkomst geen rechtshandeling om niet was, zodat niet alleen moet komen vast te staan dat de schuldeisers van [appellant] daardoor in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld en dat [appellant] dit wist of behoorde te weten, maar ook moet komen vast te staan dat [appellante] dit wist of behoorde te weten. Volgens de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat [geïntimeerde] door de transactie daadwerkelijk is benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden. Ten aanzien van de wetenschap van benadeling aan beide zijden heeft de rechtbank het beroep van [geïntimeerde] op de wettelijke vermoedens van artikel 3:46 BW verworpen, omdat de koopovereenkomst is gesloten in mei 2000, derhalve meer dan een jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond. De wetenschap aan de zijde van [appellant] heeft de rechtbank evenwel als vaststaand aangenomen, terwijl de rechtbank ten aanzien van [appellante] heeft aangenomen dat zij wist of behoorde te weten dat de schuldeisers van [appellant] in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld zouden worden door de koopovereenkomst. [appellante] is vervolgens in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen deze aanname.

In de op 2 januari 2013 uitgesproken aanvulling op het vonnis van 9 juli 2008 heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] geen zelfstandig verweer heeft gevoerd tegen de vordering tot vernietiging, c.q. verklaring voor recht, doch dat de eindbeslissing op dit onderdeel van het gevorderde ook ten aanzien van [appellant] zal worden aangehouden om mogelijk tegenstrijdige beslissingen te voorkomen.

De beoordeling van de grieven in principaal hoger beroep

2.5

Met de eerste grief in principaal hoger beroep klaagt [appellante] erover dat de rechtbank artikel 23 en 24 Rv heeft geschonden door meer toe te wijzen dan was gevorderd, nu slechts was gevorderd om de rechtshandeling tot levering te vernietigen.
[geïntimeerde] heeft echter in hoger beroep een beroep gedaan op vernietiging van de koopovereenkomst, althans een verklaring voor recht gevorderd dat deze koopovereenkomst is vernietigd. Nu het [geïntimeerde] vrijstaat om in hoger beroep haar eis en de grondslag daarvan aan te vullen en [appellante] daarop ook heeft kunnen reageren, treft de eerste grief geen doel.

2.6

Met haar tweede grief betoogt [appellante] dat [geïntimeerde] nog geen onherroepelijke vordering heeft op [appellant], omdat tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep is ingesteld. [appellante] betwist dat [geïntimeerde] schade heeft geleden en uit dien hoofde een vordering op [appellant] heeft.
Zoals in de hierna te melden zaak tegen [appellant] zal worden overwogen, staat echter genoegzaam vast dat [geïntimeerde] enige schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellant], zodat [geïntimeerde] recht en belang heeft bij de onderhavige vordering. Zoals de rechtbank heeft overwogen, stond het [geïntimeerde] vrij om op het moment waarop haar duidelijk werd dat zij een schadevordering jegens [appellant] (en [appellante]) had, de vernietiging van de tussen [appellant] en [appellante] gesloten koopovereenkomst in te roepen. De grief faalt derhalve.

2.7

Met haar derde en vierde grief voert [appellante] aan dat er geen benadeling in de verhaalsmogelijkheden heeft plaatsgevonden omdat er een reële prijs is betaald. Bovendien kon de bank zich voorheen ook tot een bedrag van ƒ 235.000,- verhalen op de woning, nu de bank een hypotheekrecht had tot dit bedrag.
Ook deze grief faalt. De vraag of er sprake is van benadeling van schuldeisers dient te worden beantwoord aan de hand van een vergelijking tussen de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte handeling en de situatie waarin zij feitelijk verkeren als de handeling onaangetast blijft. Als niet voldoende weersproken staat vast dat [appellant] naast [appellante] hoofdelijk schuldenaar is gebleven van de hypothecaire lening voor de woning. De bank kan zich dan ook nog steeds tot [appellant] wenden ten behoeve van het verhaal van haar hypothecaire vordering, terwijl [appellant] geen woning meer als verhaalsobject in zijn vermogen heeft. Daarbij komt dat [appellant] hooguit een relatief gering deel van de koopprijs in contanten heeft ontvangen (hooguit hfl. 145.000,- zoals [appellante] stelt en [geïntimeerde] betwist), terwijl dit geld feitelijk afkomstig is van de persoonlijke holdingvennootschap van [appellant], [bedrijf 1], en deze vennootschap geen zekerheden heeft bedongen voor de terugbetaling daarvan door [appellante], zodat daarmee de vermogenspositie van [appellant] is verschraald. Door deze transactie is [appellant] dan ook per saldo achteruit gegaan in zijn vermogenspositie, waardoor andere schuldeisers dan de bank zijn benadeeld.

2.8

De vijfde grief strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte aanneemt dat bij [appellant] de vereiste wetenschap als vaststaand kan worden aangenomen, nu [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding niet heeft gesteld dat de vereiste wetenschap van benadeling bij [appellant] bestond ten tijde van het aangaan van de rechtshandeling. Bovendien zou [appellant] de wetenschap van benadeling hebben betwist, omdat er sprake was van een reële prijs.

[geïntimeerde] heeft evenwel in hoger beroep gesteld dat bij [appellant] wetenschap van benadeling bestond, zodat het hof deze stelling in zijn beoordeling zal betrekken. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de schuldeisers van [appellant] benadeeld door de verkoop van de woning tegen de hiervoor vermelde condities. Het hof neemt voorts in aanmerking dat in april 1999 de douane een boekenonderzoek is gestart bij de ondernemingen van [appellant] en dat [appellant], in verband met de door dit hof als vaststaand aangenomen frauduleuze handelspraktijken, op grond van dit boekenonderzoek wist, dan wel behoorde te weten dat daaruit een aansprakelijkstelling zou voortvloeien. Door onder die omstandigheden de woning aan [appellante] over te dragen tegen betaling van slechts een gering deel van de koopsom in contanten (welk deel de facto is gestort door een vennootschap waarvan [appellant] alle aandelen hield) moet worden aangenomen dat [appellant] wist, dan wel behoorde te weten dat daarvan benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn. De vijfde grief faalt derhalve eveneens.

2.9

Met de zesde grief voert [appellante] aan dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de wetenschap van benadeling bij [appellante] op [geïntimeerde] rust. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] niet aan deze stelplicht voldaan, zodat de vordering moet worden afgewezen. [appellante] betoogt dat zij niet wist of behoorde te weten dat door de transactie schuldeisers benadeeld zouden worden.

De rechtbank heeft niet miskend dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de wetenschap van benadeling bij [appellante] op [geïntimeerde] rust. Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat vooralsnog bewezen is dat ook [appellante] wist, dan wel behoorde te weten dat door de verkoop en daarop volgende levering van de woning aan haar, schuldeisers van [appellant] zouden worden benadeeld. [appellante] was immers de levenspartner van [appellant] en werkzaam bij een zustervennootschap van [bedrijf 2]. Het hof neemt daarom aan dat zij op zijn minst op de hoogte moet zijn geweest van het boekenonderzoek dat in 1999 plaatsvond. Het ligt in de rede dat zij ook met [appellant] heeft gesproken over de aanleiding voor het boekenonderzoek en over de te verwachten uitkomsten daarvan. Er moet vooralsnog dan ook van uit worden gegaan dat [appellant] zijn redenen voor de – voor de schuldeisers van [appellant] nadelige – overdracht aan [appellante] heeft medegedeeld. Dat de redenen voor de overdracht voor [appellante] wellicht van andere aard waren kan daaraan vooralsnog niet afdoen.

2.10

De grieven zeven, acht en negen missen zelfstandige betekenis en behoeven om die reden geen afzonderlijke bespreking.

2.11

Het principaal hoger beroep faalt derhalve. Aan andere bewijslevering dan de door de rechtbank in haar tussenvonnis gelaste bewijslevering komt het hof niet toe, omdat de te bewijzen aangeboden feiten, indien bewezen, op deze (overige) punten niet tot een andere conclusie zouden kunnen leiden. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep.

De verdere beoordeling van de grieven in incidenteel hoger beroep

2.12

[geïntimeerde] betoogt in incidenteel hoger beroep met haar vierde grief dat [appellant] en [appellante] met de transactie hebben beoogd om crediteuren te benadelen. Zij wijst er in haar vijfde grief op dat het volstrekt ongebruikelijk is dat de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO volledig in stand is gebleven, waarbij [appellante] enkel hoofdelijk medeschuldenaar is geworden. Met haar zesde grief betwist [geïntimeerde] uitdrukkelijk dat [appellante] niet wist en niet behoorde te weten dat schuldeisers van [appellant] door de onderhavige transactie werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

Met haar zevende grief betoogt [geïntimeerde] tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de koopovereenkomst zou zijn gesloten in mei 2000. Volgens [geïntimeerde] had de rechtbank [appellante] dienen te belasten met het bewijs van het bestaan en het tijdstip van de betreffende overeenkomst.

2.13

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de transactie niet als een transactie om niet kan worden aangemerkt, nu uit de door [appellante] in het geding gebrachte, ondertekende, verklaring blijkt dat zij in ieder geval mede hoofdelijk aansprakelijk is geworden voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening. Daarnaast is het hof van oordeel dat, ook indien er van moet worden uitgegaan dat de koopovereenkomst pas is aangegaan op het moment van de feitelijke levering van de woning (16 maart 2001), het in artikel 3:46 BW neergelegde vermoeden van wetenschap van benadeling niet van toepassing is. Ook in dat geval geldt immers dat de vernietiging niet binnen een jaar is ingeroepen. Nu de wetgever de vermoedens van wetenschap van benadeling limitatief heeft willen regelen, is er geen ruimte om op grond van de redelijkheid en billijkheid de in artikel 3:46 BW genoemde termijn van één jaar pas te laten ingaan op het moment dat [geïntimeerde] redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met het gegeven dat er sprake was van een paulianeuze transactie aan de zijde van [appellant] en [appellante]. In het principaal hoger beroep heeft het hof voor het overige reeds een oordeel gegeven over de benadeling van schuldeisers van [appellant] en de door [geïntimeerde] gestelde wetenschap van benadeling bij [appellant] en [appellante]. De grieven behoeven gelet daarop voor het overige geen bespreking meer.

2.14

De slotsom luidt dat het incidenteel hoger beroep, voor zover zich dat richt tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] niet aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen jegens [geïntimeerde], faalt, en voor zover zich dat richt tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de pauliana, deels faalt en voor het overige geen behandeling behoeft. [geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep.

Het hof zal de zaak in de stand waarin zij zich bevindt terugwijzen naar de rechtbank Oost-Nederland, locatie Arnhem, in verband met de in het bestreden vonnis aan [appellante] verstrekte bewijsopdracht.

De zaak met nummer 200.013.520

3 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

3.1

Dit verloop blijkt uit:

- het arrest van 30 oktober 2012,

- de akte houdende uitlating na aanvulling vonnis met verzoek aanhouding procedure van [appellant], met productie,

- de antwoordakte van [geïntimeerde], met productie.

3.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof wederom arrest bepaald.

4 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het hof verwijst naar zijn arresten van 20 maart 2012 en 30 oktober 2012.

Ook in deze zaak geldt dat, in verband met het feit dat tegen de op verzoek van [geïntimeerde] op 2 januari 2013 uitgesproken aanvulling op het vonnis van 9 juli 2008 door [appellant] hoger beroep was ingesteld (bij dit hof aanhangig onder rolnummer 200.124.310), de uitspraak in de onderhavige zaak – conform het door [appellant] bij akte van 5 maart 2013 gedane verzoek – is aangehouden. Gelet op het feit dat in de zaak met rolnummer 200.124.310 op dezelfde dag arrest zal worden gewezen, waarbij de aanvulling op het vonnis van 9 juli 2008 zal worden bekrachtigd, zal het hof met inachtneming van de gepleegde aanvulling onderhavig arrest wijzen.

4.2

Het hof heeft in het tussenarrest van 20 maart 2012 overwogen dat geen van de door [appellant] voorgedragen grieven doel treft. Het hof heeft vervolgens – uitsluitend – in verband met de door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord gevorderde veroordeling van [appellant] in de volledige buitengerechtelijke kosten en proceskosten, waaronder de kosten van de gelegde beslagen, de zaak naar de rol verwezen teneinde [appellant] de gelegenheid te bieden op deze – als incidenteel hoger beroep opgevatte – eisvermeerdering te reageren..

4.3

[appellant] heeft in plaats van het nemen van een akte ter rolle, ervoor gekozen om in de onderhavige zaak pleidooi te vragen. Anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, betekent dit niet dat [appellant] zichzelf daarmee de mogelijkheid heeft ontnomen om te reageren op de eisvermeerdering van [geïntimeerde], nu dit evengoed tijdens het pleidooi kan worden gedaan. Het hof acht het daarom niet in strijd met de goede procesorde dat [appellant] (pas) tijdens het pleidooi heeft gereageerd op de eisvermeerdering.

4.4

Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn, zonder voorbehoud gegeven, eindbeslissingen in het tussenarrest van 20 maart 2012 op de door [appellant] aangedragen grieven. Er is immers niet gebleken dat de eerdere eindbeslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, die met zich zouden brengen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou worden gedaan. Het hof beschouwt hetgeen [appellant] tijdens het pleidooi heeft aangevoerd ook niet als een (uitdrukkelijk of impliciet) verzoek om terug te komen op deze eindbeslissingen.

4.5

Thans ligt derhalve uitsluitend nog ter beoordeling voor of [appellant] in de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde] dient te worden veroordeeld.

Bij de beoordeling van deze vordering van [geïntimeerde] staat voorop dat de partij die bij vonnis of arrest in het ongelijk wordt gesteld op grond van artikel 237 Rv in de kosten wordt veroordeeld. Ingevolge artikel 239 Rv kunnen in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. In beginsel worden deze kosten berekend op grond van een forfaitair tarief, waarvan de uitkomst enerzijds wordt bepaald door tal en aard van de verrichtingen, anderzijds door het financieel belang van de zaak (het zogenaamde liquidatietarief). De rechter is echter niet gehouden dit liquidatietarief in acht te nemen, maar mag de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de werkelijke kosten die aan de zijde van de andere partij zijn gevallen, indien de rechter oordeelt dat daartoe gronden zijn.

4.6

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat het opzettelijk onrechtmatig handelen door [appellant] van dien aard is geweest dat [appellant] redelijkerwijs wist, althans kon weten, dat daardoor omvangrijke kosten zouden ontstaan voor [geïntimeerde] ten einde de geleden schade te verhalen.
Het hof stelt voorop dat het een partij in beginsel vrijstaat om gebruik te maken van de hem ten dienste staande processuele bevoegdheden en daarbij die standpunten in te nemen die zijn vordering of zijn verweer ondersteunen, ook indien naderhand mocht blijken dat voor die vordering of dat verweer van meet af aan onvoldoende aanknopingspunten in de stukken van het geding waren te vinden. Het hof ziet in de door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief, aangezien deze omstandigheden niet nopen tot de gevolgtrekking dat [appellant] op een zodanige wijze misbruik heeft gemaakt van zijn processuele bevoegdheden, dat dit rechtvaardigt dat hij de volledige proceskosten van [geïntimeerde] dient te dragen. Daartoe is niet voldoende het feit dat [appellant] een ernstig persoonlijk verwijt treft jegens [geïntimeerde] door jarenlang, stelselmatig en op grote schaal als indirect bestuurder van [bedrijf 2] werknemers opdracht te geven te frauderen met documenten ter ontduiking van invoerrechten en door zelf ook te frauderen met documenten, waarbij hij wist of behoorde te weten dat deze fraude grote schade zou kunnen toebrengen aan [geïntimeerde]. Evenmin is daartoe voldoende het feit dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door het vermelden van te lage waarden van het vlas op de aan [geïntimeerde] aangeleverde facturen. Evenmin vindt het hof in de door [appellant] tegenover de rechtbank in de strafprocedure afgelegde getuigenverklaringen of in de proceshouding van [appellant], aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de advocaatkosten van de wederpartij in beginsel worden berekend aan de hand van het liquidatietarief.

4.7

Het hof zal daarom deze vordering afwijzen en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in het principaal hoger beroep berekenen aan de hand van het liquidatietarief.

4.8

Ten aanzien van de proceskosten die zijn gevallen op de – als incidenteel hoger beroep aangemerkte – eisvermeerdering merkt het hof het navolgende op. (De advocaat van) [appellant] heeft tijdens het pleidooi vrijwel uitsluitend standpunten naar voren gebracht die betrekking hebben op de hoogte van de schade, waarvoor [appellant] aansprakelijk gehouden zou kunnen worden. Het hof had echter reeds in zijn tussenarrest van 20 maart 2012 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat de door [appellant] voorgedragen grieven stranden. Dit betekent dat reeds voorafgaand aan het pleidooi aan [appellant] duidelijk behoorde te zijn dat de door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor alle door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade in verband met uitnodigingen tot betalingen van boetes met betrekking tot de aangiften ten invoer welke door [geïntimeerde] voor [bedrijf 2] B.V. zijn verricht en de door de rechtbank uitgesproken veroordeling van [appellant] tot het betalen van vergoeding van alle schade die [geïntimeerde] in verband met de aangiften ten invoer voor [bedrijf 2] B.V. heeft geleden en nog zal lijden, daaronder uitdrukkelijk begrepen alle kosten die zij heeft gemaakt in verband met het verkrijgen van een zekerheidstelling, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, in stand zou blijven. [appellant] heeft tijdens het pleidooi ook niet verzocht om terug te komen op de eindbeslissingen van het hof op de grond dat deze zouden berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Op de eisvermeerdering van [geïntimeerde] heeft (de advocaat van) [appellant] slechts, nadat het hof hem daarnaar een aantal malen tijdens de zitting had gevraagd, marginaal gereageerd.
Bij die stand van zaken ziet het hof geen grond om een proceskostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde] uit te spreken ten aanzien van de op de in incidenteel hoger beroep afgewezen eisvermeerdering. Iedere partij dient hierin derhalve de eigen kosten te dragen.

Slotsom

4.9

De slotsom luidt dat het door [appellant] ingestelde principaal hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod wordt afgewezen, nu de te bewijzen aangeboden feiten, indien bewezen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden. [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten die daarin aan de zijde van [geïntimeerde] zijn gevallen, welke worden begroot conform het liquidatietarief op € 2.682,-. [appellant] zal tevens worden veroordeeld in de proceskosten die gevallen zijn in het door [geïntimeerde] opgeworpen incident tot voeging. Het hof zal de onderhavige zaak terugwijzen naar de rechtbank Oost-Nederland, opdat deze rechtbank, zoals overwogen in haar aanvulling op het bestreden vonnis, tevens een beslissing kan nemen op de in de inleidende dagvaarding sub 1 primair tegen [appellant] ingestelde vordering tot vernietiging van de tussen [appellant] en [appellante] gesloten koopovereenkomst betreffende de woning.
De door [geïntimeerde] (in incidenteel hoger beroep) ingestelde eisvermeerdering wordt afgewezen. Partijen dienen ieder de eigen proceskosten die inzake de eisvermeerdering in incidenteel hoger beroep zijn gevallen te dragen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in de zaak met nummer 200.012.958:

in principaal hoger beroep:

verwerpt het principaal hoger beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 303,- voor verschotten en op € 4.023,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

in incidenteel hoger beroep:

verwerpt het incidenteel hoger beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 1.564,50 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

in principaal en incidenteel hoger beroep voor het overige:

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt terug naar de rechtbank Arnhem;

in de zaak met nummer 200.013.520

in principaal hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 9 juli 2008, zoals aangevuld bij vonnis van 2 januari 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak in het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 303,- voor verschotten en op € 3.129,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en in het incident vastgesteld op € 894,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierboven vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak, ten aanzien van de in de inleidende dagvaarding sub 1 primair ingestelde vordering, in de stand waarin zij zich bevindt terug naar de rechtbank Arnhem;

in incidenteel hoger beroep:

wijst de gevorderde eisvermeerdering af;

compenseert de kosten van het hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, A.E.B. ter Heide en Chr.H. van Dijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015.