Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6540

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
200.166.761/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.166.761/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/106090 / FA RK 14-1997 en C/19/104943 FA RK 14-1272)

beschikking van de familiekamer van 1 september 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I.M. Hidding, kantoorhoudend te Nieuw-Amsterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Groningen,

kantoorhoudend te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Jeugdbescherming Noord,

(voorheen genaamd: Bureau Jeugdzorg Drenthe, BJZ),

kantoorhoudend te Assen,

hierna te noemen: de GI,

2. [de grootouders],

wonende te [B] ,

hierna te noemen: de grootouders (mz).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de rechtbank), van 28 mei 2014, 18 juni 2014 en 3 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 maart 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 3 december 2014. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat zij - opnieuw - wordt belast met het gezag over haar minderjarige dochter [de minderjarige] , geboren [in] 2001 (hierna te noemen: [de minderjarige] ), een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 mei 2015, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en de te geven beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.3

Ter griffie van het hof is binnengekomen:

- op 21 april 2015 een journaalbericht van 20 april 2015 van mr. Hidding met bijlage.

2.4

De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 6 juli 2015 aan het hof bericht dat zij niet gehoord wil worden noch haar mening schriftelijk kenbaar wil maken.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 6 augustus 2015 plaatsgevonden. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is verschenen mevrouw [C] . Namens de GI zijn verschenen de heer [D] en de heer [E] . De grootouders (mz) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Ter zitting heeft mr. Hidding mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder en de heer [F] (hierna: de vader) zijn de ouders van [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] in 2011 erkend. Hij heeft geen gezag en is niet betrokken bij de opvoeding.

3.2

[de minderjarige] heeft tot eind januari 2014 bij de moeder op [G] (Griekenland) gewoond. Sinds februari 2014 woont [de minderjarige] bij de grootouders (mz).

3.3

Bij beschikking van 28 mei 2014 heeft de rechtbank het (toenmalige) Bureau Jeugdzorg Drenthe met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] belast en bepaald dat alle bevoegdheden omtrent de persoon en het vermogen van [de minderjarige] op grond van die voorlopige voogdij aan Bureau Jeugdzorg Drenthe worden toegekend. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de raad binnen 12 weken na de datum van de beschikking dient te verzoeken omtrent de voorziening in het gezag over [de minderjarige] . Verder heeft de rechtbank de moeder in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken omtrent het verzoek om Bureau Jeugdzorg Drenthe te belasten met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] .

3.4

Bij beschikking van 18 juni 2014 heeft de rechtbank de beschikking van 28 mei 2014 bekrachtigd voor zover daarbij Bureau Jeugdzorg Drenthe is belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] , bepaald is dat alle bevoegdheden omtrent de persoon en het vermogen van [de minderjarige] op grond van die voorlopige voogdij aan Bureau Jeugdzorg Drenthe worden toegekend en bepaald is dat de raad binnen 12 weken nadien dient te verzoeken omtrent de voorziening in het gezag over [de minderjarige] . De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

3.5

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 25 juli 2014, heeft de raad verzocht om een (tijdelijke) voogd te benoemen over [de minderjarige] , nu de moeder al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen.

3.6

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 3 december 2014 heeft de rechtbank het gezag over [de minderjarige] geschorst gedurende de tijd dat de moeder in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen en heeft zij Bureau Jeugdzorg Drenthe belast met de voogdij over [de minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat alle bevoegdheden omtrent de persoon en het vermogen van [de minderjarige] op grond van die voogdij aan Bureau Jeugdzorg Drenthe worden toegekend. De rechtbank heeft het verzoek van de grootmoeder om haar te belasten met de voogdij over [de minderjarige] , afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

Wettelijk kader

4.1

Ingevolge artikel 1:253q lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank, indien een ouder die alleen het gezag uitoefent en daartoe op één der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd is, de andere ouder belasten met het gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. Alsdan benoemt zij een voogd.

Ingevolge artikel 1:253r lid 1 BW is het bepaalde in voornoemd artikel van overeenkomstige toepassing indien:
a. één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, of
b. het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is.

4.2

De moeder is van mening dat de raad zijn verzoek had moeten baseren op artikel 1:246 BW juncto 1:253q BW in plaats van op artikel 1:253r BW en dat de kinderrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat de moeder onbevoegd is tot het gezag. Hiertoe voert de moeder aan dat de raad zijn verzoek heeft onderbouwd door aan te geven dat de moeder lijdt aan schizofrenie en dat de raad van mening is dat het een structurele stoornis betreft. Voor toepassing van artikel 1:246 BW is - zo voert de moeder aan - vereist dat sprake is van een structurele stoornis van de geestesvermogen. Uit het feit dat de kinderrechter in navolging van het verzoek van de raad een tijdelijke maatregel heeft opgelegd, leidt de moeder af dat de kinderrechter en de raad kennelijk van mening zijn dat er bij de moeder verbetering kan optreden indien zij medicijnen gebruikt en therapie volgt. De moeder stelt dat in dat geval geen sprake is van een structurele stoornis, waardoor artikel 1:246 BW niet van toepassing is. Als er sprake is van een tijdelijke stoornis, kan er volgens de moeder geen sprake zijn van onbevoegdheid tot het gezag.

4.3

Het hof volgt de moeder niet in dit standpunt. Het hof stelt voorop dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat de moeder onbevoegd is tot de uitoefening van het gezag. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de moeder al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen over [de minderjarige] en dat op grond daarvan en het bepaalde in artikel 1:253r BW het gezag over [de minderjarige] dient te worden geschorst. Het hof onderschrijft de visie van de raad dat hoewel de stoornis van de moeder als chronisch kan worden aangeduid, niet duidelijk is of deze stoornis ook tot gevolg heeft dat de moeder blijvend in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen, omdat factoren zoals het volgen van passende behandeling en medicatiegetrouwheid hierop mogelijk ook van invloed zijn. Daarmee staat thans op voorhand niet vast dat sprake is van een blijvende geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 1:246 BW en dient ingevolge het bepaalde in artikel 1:253r BW beoordeeld te worden of de moeder al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen. Het hof is dan ook van oordeel dat de raad zijn verzoek terecht op dat artikel heeft gebaseerd.

Tijdelijke schorsing van het gezag

4.4

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de moeder al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen over [de minderjarige] . Het hof overweegt hiertoe als volgt.

4.5

In het raadsrapport van 23 juli 2014, waarbij het hof zich aansluit, wordt ten aanzien van [de minderjarige] en de moeder het volgende geconcludeerd. [de minderjarige] heeft een zeer belaste voorgeschiedenis als gevolg van langdurige psychiatrische en persoonlijke problematiek van de moeder. [de minderjarige] is gedurende de tijd dat zij bij de moeder in Griekenland woonde, blootgesteld aan de langdurige psychotische belevingen van de moeder, waardoor [de minderjarige] niet een reëel beeld van de wereld heeft gekregen en waardoor zij niet volledig kon deelnemen aan onderwijs en aan activiteiten passend bij haar leeftijd. [de minderjarige] heeft onvoldoende sociale vaardigheden ontwikkeld, is emotioneel zwaar belast en heeft een leerachterstand. Dit heeft dermate invloed op haar huidig functioneren en haar ontwikkeling, dat zij intensieve behandeling nodig heeft.

Bij de moeder is in Griekenland een "Delusional Disorder" vastgesteld ten tijde van haar gedwongen opname in januari 2014. De door de psychiater geïndiceerde hulpverlening, te weten psychotherapeutische ondersteuning in haar moedertaal, ononderbroken medicamenteuze behandeling en systematisch onderzoek door een psychiater, is door de moeder gedurende haar verblijf in Griekenland niet in gang gezet.

Uit het raadsrapport blijkt verder dat het de moeder ontbreekt aan inzicht in haar psychisch functioneren en wat het gevolg van haar gedrag is op [de minderjarige] . De moeder heeft geen zelfinzicht, ontkent haar psychoses en onderkent de problemen en behoeften van [de minderjarige] niet, althans onvoldoende. De moeder legt de verantwoordelijkheid voor het uit huis plaatsen van [de minderjarige] bij anderen, met name de grootouders (mz). De verwachting van de raad is dat de moeder niet binnen afzienbare tijd haar denkpatronen kan wijzigen zonder intensieve therapie.

4.6

Weliswaar is de situatie ten opzichte van de periode van het raadsonderzoek in die zin gewijzigd dat de moeder sinds mei 2015 weer in Nederland woont, maar naar het oordeel van het hof zijn de overige omstandigheden op grond waarvan de schorsing van het gezag is verzocht, nog altijd aanwezig. Het hof volgt de moeder dan ook niet in haar standpunt dat de inhoud van het raadsrapport van 23 juli 2014 sterk verouderd is. [de minderjarige] kampt nog steeds met ernstige problematiek en gedragsproblemen. Zij is inmiddels gediagnosticeerd met borderline en PTSS. Ook gaat zij nog altijd niet naar school omdat dit teveel van haar vraagt. Voorts is het hof op grond van hetgeen de moeder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, van oordeel dat er bij de moeder nog altijd sprake is van beperkt inzicht in haar eigen psychisch functioneren en in de problematiek van [de minderjarige] en dat zij nog altijd onvoldoende gemotiveerd lijkt om de zowel voor [de minderjarige] als voor haarzelf noodzakelijke behandelingen te volgen. Zo is ter zitting gebleken dat de moeder van mening is dat [de minderjarige] op korte termijn weer bij haar kan wonen, dat zij [de minderjarige] de hulp kan geven die zij nodig heeft en dat zij van mening is dat de problematiek van [de minderjarige] pas is ontstaan sinds [de minderjarige] in Nederland woont. Daarnaast heeft de moeder verklaard dat als intensieve therapie noodzakelijk zou zijn, zij zich daarbij zou aansluiten, maar dat die vraag nooit aan haar is gesteld. De moeder gaat thans eens per maand naar een psychiater in het kader van haar medicatie. Niet gebleken is van een behandelplan. Daarnaast heeft zij wekelijks een gesprek met een verpleegkundige van de GGZ bij haar thuis en volgt zij gezinstherapie met de grootouders (mz). De moeder vindt dat het op deze wijze goed gaat. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de moeder weliswaar thans medicijnen gebruikt en enige hulp krijgt, maar dat zij de door de psychiater geïndiceerde intensieve hulpverlening, die noodzakelijk is voor haar problematiek, nog niet heeft gestart en dat zij dit ook niet nodig lijkt te vinden.

4.7

[de minderjarige] , thans bijna 14 jaar, bevindt zich in een fase waarin veel beslissingen ten aanzien van haar moeten worden genomen, onder meer over de voor haar noodzakelijke therapie en behandeling en over de vraag welk onderwijs passend is voor haar. Het hof is met de raad van oordeel dat het van belang is dat de voogd en de grootouders, bij wie [de minderjarige] reeds sinds februari 2014 verblijft (in Nederland) en die sindsdien de zorg voor haar dragen, snel kunnen handelen in het belang van [de minderjarige] , zonder daarbij afhankelijk te zijn van medewerking van de moeder.

4.8

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] geschorst dient te worden.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 3 december 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. I.A. Vermeulen en mr. B.J. Voerman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 september 2015 in bijzijn van de griffier.