Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6537

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
200.154.901/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatieplichtige onvoldoende concreet gesteld dat de liquiditeit en de solvabiliteit onaanvaardbaar worden aangetast.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.154.901/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/148506 FA RK 13-2545)

beschikking van de familiekamer van 1 september 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat voorheen: mr. S.H.G. Swennen, kantoorhoudend te Schalkhaar;

advocaat thans mr. W.F. van Oostveen, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.A.F. Schoemaker, kantoorhoudend te Deventer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 mei 2014 en 8 augustus 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 25 augustus 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 21 november 2014;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 31 december 2014;

- een journaalbericht van 7 oktober 2014 van mr. Swennen, met bijlage;

- een journaalbericht van 3 maart 2015 van mr. Schoenmaker, met bijlagen;

- een journaalbericht van 4 maart 2015 van mr. Van Oostveen, met bijlagen.

2.2

Bij het beroepschrift heeft de man verzocht de beschikkingen van de rechtbank van 26 mei 2014 en 8 augustus 2014 te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar levensonderhoud af te wijzen, dan wel haar dit te ontzeggen.

2.3

Bij het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, heeft de vrouw het principaal hoger beroep van de man bestreden en verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

2.4

Tevens heeft de vrouw bij haar verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarbij verzocht de beschikkingen van de rechtbank van 26 mei 2014 en 8 augustus 2014 te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vast te stellen van € 873,- (het hof begrijpt: per maand), althans een bijdrage vast te stellen die het hof juist voorkomt.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 16 maart 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6

Ter mondelinge behandeling heeft de man met instemming van het hof een overzicht van zijn vaste kosten per maand overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1991 in de gemeente [B] met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 september 2011 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen is een hoger beroep aanhangig bij dit hof, geadministreerd onder zaaknummer 200.133.133/01.

3.2

De meerderjarige kinderen van de man en vrouw zijn [C] (hierna: [C] ), geboren [in] 1992 in de gemeente [D] en [E] (hierna: [E] ), geboren [in] 1994 in de gemeente [D] .

Het thans nog minderjarige kind van de man en vrouw is [F] (hierna: [F] ), geboren [in] 1997.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2012 is, voor zover hier van belang, de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil bepaald.

3.4

De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht om de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2012 te wijzigen voor zover daarbij is beslist over de uitkering tot haar levensonderhoud en te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.039,- netto per maand, althans met een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist voorkomt.

3.5

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 26 mei 2014 onder wijzing van de beschikking van 21 maart 2012, de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 4 december 2013 vastgesteld op € 264,- bruto per maand. De door de man verzochte verbetering van deze beschikking op voet van artikel 31 het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is door de rechtbank bij beschikking van 8 augustus 2014 geweigerd.

4. De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 26 mei 2014 en 8 augustus 2014. Deze grieven zien op de draagkracht van de man, in het bijzonder op wijze waarop rekening wordt gehouden met de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, en de hoogte van de door hem te dragen lasten ten behoeve van [C] , [E] en [F] . De man stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen jusvergelijking heeft gemaakt. Bij verweerschrift in incidenteel appel heeft de man tevens de hoogte van zijn inkomen ter discussie gesteld.

4.3

De vrouw is op haar beurt met vijf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De eerste grief ziet op haar verdiencapaciteit en de grieven 2 tot en met 5 zien op de hoogte van de door de man te dragen kosten voor [C] , [E] en [F] .

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

De ontvankelijkheid van de man en de vrouw in het hoger beroep van de beschikking van 8 augustus 2014

5.1

Zowel de man als de vrouw heeft het hof mede verzocht de beschikking van 8 augustus 2014 te vernietigen, bij welke beschikking de rechtbank heeft geweigerd de beschikking van 26 mei 2014 op de voet van art 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te verbeteren.

5.2

De man en de vrouw kunnen in deze verzoeken niet worden ontvangen. Op grond van artikel 31 lid 4 Rv. staat tegen de verbetering of de weigering daarvan van een beschikking geen voorziening open, behoudens wanneer zich een of meer van de in de jurisprudentie ontwikkelde doorbrekingsgronden voordoet/voordoen, hetgeen evenwel is gesteld noch gebleken.

5.3

Het hof zal de man en de vrouw daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in hun (principaal en incidenteel) hoger beroep.

De bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw
De grondslag van het verzoek

5.4

In de eerste plaats is aan de orde of sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijke Wetboek (BW), die een nieuwe beoordeling van de onderhoudsverplichting rechtvaardigen.

5.5

Nu beide partijen ervan uitgaan dat een nieuwe beoordeling van de partneralimentatie is gerechtvaardigd, sluit het hof zich daarbij aan.
De ingangsdatum

5.6

De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage van de man voor de vrouw van 4 december 2013 is tussen partijen niet in geschil.


De behoefte van de vrouw

5.7

Evenmin in geschil is dat de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw, zoals deze is vastgesteld bij de beschikking van 26 mei 2014 waarvan beroep, € 2.456,- per maand bedraagt. Tussen partijen is in geschil in hoeverre de vrouw zelf in staat is in deze behoefte te voorzien.
De verdiencapaciteit van de vrouw

5.8

De vrouw stelt zich in de eerste grief in het incidenteel hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van
€ 1.500,- netto per maand.

5.9

Uit de door de vrouw overgelegde gegevens blijkt dat haar inkomsten uit WW-uitkering en uitzendbureaus in 2014 afgerond € 1.360,- netto per maand hebben bedragen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw vanaf 20 oktober 2014 enkel nog inkomen uit WW-uitkering heeft. Dit inkomen bedraagt ongeveer € 1.300,- netto per maand. Het hof ziet aanleiding om vanaf 2015 uit te gaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.300,- netto per maand. Van een hogere verdiencapaciteit van de vrouw kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgegaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich inspant zoals van haar mag worden verwacht om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten. Zo verricht de vrouw sollicitaties, heeft zij een training gevolgd om 50-plussers aan werk te helpen en verricht zij vrijwilligerswerk om een netwerk op te bouwen.

5.10

Het hof berekent de (aanvullende) huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw derhalve op afgerond € 1.096 tot 1 januari 2015 en daarna op € 1.156,- netto per maand. De eerste grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep slaagt derhalve deels.
De draagkracht van de man
* Het inkomen

5.11

De man is directeur-grootaandeelhouder, verder: dga, van de beheermaatschappij [G] B.V. (hierna: de beheermaatschappij). De beheermaatschappij vormt samen met [H] B.V. en haar beide 100%-deelnemingen [I] B.V. en [J] B.V. een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting; dat wil zeggen dat deze vennootschappen als één onderneming worden gezien.

5.12

Uit de geconsolideerde winst- en verliesrekening van deze onderneming, zoals opgenomen in de jaarstukken over 2012 en 2013 en de voorlopige jaarstukken over 2014 van de beheermaatschappij, blijkt dat binnen de fiscale eenheid in 2012 een winst is gemaakt van € 25.513,-, in 2013 een verlies is geleden van € 27.511,- en in 2014 een winst is gemaakt van € 11.417,-, welk verlies ten laste is gebracht van de overige reserves en welke winsten zijn toegevoegd aan de overige reserves. De netto-omzet bedroeg in die jaren respectievelijk € 1.744.195,- € 1.386.987,- en € 1.360.532.

5.13

De man ontvangt als dga een salaris van de beheermaatschappij, welk salaris in 2013
€ 80.974,- bedroeg.

5.14

Primair stelt de man zich op het standpunt dat het hem gelet op de financiële positie van de onderneming en de uitkeringstest (artikel 2:216 BW) niet vrij staat om enig salaris aan de onderneming te onttrekken.

5.15

Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van zijn lagere dga-salaris over 2014 van € 63.000,-, veroorzaakt doordat in 2014 gedurende drie maanden geen salaris aan de man is uitgekeerd.

5.16

De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet gesteld in hoeverre de liquiditeit en de solvabiliteit onaanvaardbaar worden aangetast als gevolg van de maandelijks onttrekking van het dga-salaris. Het had op zijn weg gelegen om dit door middel van een berekening aan het hof inzichtelijk te maken. Dat de man in strijd zou handelen met de uitkeringstest is dan ook onvoldoende vast komen te staan.

5.17

De man heeft aangevoerd dat de onderneming praktisch failliet is, nu sprake is van een hoge schuld in rekening-courant, terwijl bovendien inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen een aanzienlijk bedrag aan de vrouw moet worden uitgekeerd. Daar komt bij dat de vrouw aanspraak maakt op een ontslagvergoeding en dat de economische crisis volgens de man nog altijd zijn weerslag heeft op de woninginrichtingsbranche.

5.18

Over de vorderingen van de vrouw op de man is echter tot op heden niet onherroepelijk beslist. Ten aanzien van de schuld in rekening-courant blijkt uit de overgelegde stukken dat deze onder meer is opgelopen als gevolg van de betaling van advocaatkosten door de man. Dit alles in onderlinge samenhang gezien, maakt dat de man naar het oordeel van het hof de door hem gestelde noodzaak om geen salaris, dan wel een lager salaris, aan de onderneming te onttrekken onvoldoende heeft onderbouwd. Ook ten aanzien van 2014, waarin gedurende drie maanden geen dga-salaris aan de man is uitbetaald, zal het hof daarom niet uitgaan van een lager salaris. Het hof zal gelijk de rechtbank, het dga-salaris van de man over 2013 tot uitgangspunt nemen voor de vaststelling van zijn draagkracht.

5.19

De vrouw heeft ter zitting gesteld dat de man tevens inkomsten uit huur en vermogen geniet. Voor zover de vrouw hiermee heeft willen stellen dat van een hoger inkomen uit zou moeten worden gegaan, is het hof van oordeel dat de vrouw deze stelling, gelet op de betwisting daarvan door de man, onvoldoende met stukken heeft onderbouwd.

5.20

Gelet op het vorenstaande gaat het hof uit van een bruto inkomen van de man van
€ 80.974,- (€ 92.764,- minus € 11.790,-, zijnde de bijtelling in verband met het privégebruik van de auto). Tussen partijen staat vast dat de rechtbank in haar berekening van de draagkracht van de man ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Tussen partijen is niet in geschil dat deze € 2.873,- bedraagt. Vanwege een technische onvolkomenheid in het alimentatierekenprogramma van het hof (INA) is van dit bedrag van € 2.873,- een bedrag van € 2.776,- opgenomen onder post 117 en de resterende € 97,- onder post 134 (overige kosten).

5.21

Het hof zal in de periode tot 1 juli 2014 naast de algemene heffingskorting en de arbeidskorting ook rekening houden met de alleenstaande ouderkorting, zoals door de man in zijn draagkrachtberekening opgevoerd. In de periode vanaf 1 juli 2014 houdt het hof geen rekening meer met de alleenstaande ouderkorting, aangezien [F] vanaf 1 juli 2014 weer bij de vrouw woont.
De kosten van de kinderen

5.22

Het hof zal hierna ingaan op de in aanmerking te nemen kosten van de kinderen. Nu partijen niet hebben gegriefd tegen de wijze waarop de rechtbank in haar draagkrachtberekening de verschillende soorten kosten voor de kinderen heeft verwerkt, zal het hof deze op gelijke wijze verwerken.


* De kosten van [C]

5.23

Het hof acht voldoende aannemelijk gemaakt dat het de intentie van partijen is (geweest) om hun kinderen financieel te ondersteunen bij het voltooien van hun studie. Dat betekent dat het hof ook na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar een redelijke periode rekening houdt met de kosten die de man voor [C] voldoet. Nu vast staat dat [C] in augustus 2015 zal afstuderen, ziet het hof aanleiding om tot 1 september 2015 een bedrag in aanmerking te nemen voor de kosten die de man voor [C] voldoet. De rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van € 325,- per maand ter zake van de kosten van kleding, levensonderhoud en collegegeld. De hoogte van dit bedrag komt het hof niet onredelijk voor en de man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ook daadwerkelijk kosten maakt voor [C] ter grootte van dit bedrag. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat rekening kan worden gehouden met de kosten voor het paard van [C] van in totaal € 257,50 per maand (stallingskosten en kosten hoefsmid). Het hof zal daarom in de periode tot 1 september 2015 rekening houden met een bedrag van
€ 582,50 per maand ter zake van de kosten die de man voldoet voor [C] , welk bedrag in de draagkrachtberekening van het hof is opgenomen onder post 129.
* De kosten van [E]

5.24

Ten aanzien van [E] is vast komen te staan dat hij vanaf 10 februari 2015 zelfstandig woont en dat hij een hbo-opleiding volgt bij [K] , in verband waarmee hij studiefinanciering ontvangt. Het hof ziet aanleiding om ter zake van de kosten die de man voor [E] voldoet rekening te houden met een bedrag van € 345,- per maand, bestaande uit het collegegeld van € 190,- per maand dat de man voor [E] betaalt, de kosten voor de podoloog van € 70,- per maand en een bedrag van € 85,- per maand ter zake van de maandelijkse bijdrage levensonderhoud die de man aan [E] betaalt. De hoogte van dit bedrag komt het hof niet onredelijk voor en de man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ook daadwerkelijk kosten maakt voor [E] ter grootte van dit bedrag. Het hof heeft dit bedrag in de draagkrachtberekening opgenomen onder post 141.
* De kosten van [F]

5.25

Ten aanzien van [F] is vast komen te staan dat zij in oktober 2014 is gestart met een hbo-opleiding bij [K] en dat zij in verband daarmee studiefinanciering ontvangt. Het hof ziet aanleiding om ter zake de kosten die de man voor [F] voldoet rekening te houden met het bedrag van € 350,- per maand dat de man aan kinderalimentatie voor haar betaalt, welk bedrag door de vrouw niet is betwist, te verhogen met een bedrag van € 190,- per maand ter zake van door de man betaald collegegeld. De vrouw heeft gesteld dat ter zake het collegegeld rekening moet worden gehouden met een lager bedrag, naar het hof begrijpt omdat [F] vanwege psychische klachten niet het volledige studiejaar heeft gevolgd. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw deze stelling echter onvoldoende met stukken onderbouwd. Het hof zal daarom uitgaan van een bedrag van € 540,- per maand. Dit bedrag is in de draagkrachtberekening van het hof opgenomen onder post 141.

5.26

In de periode tot 1 juni 2014 zal het hof voorts rekening houden met de kosten voor de pony van [F] (stallingskosten en kosten hoefsmid) van € 257,50, welk bedrag in de draagkrachtberekening van het hof is opgenomen onder post 129. Vast staat dat de pony van [F] op 21 mei 2014 is verkocht, zodat het hof doelmatigheidshalve tot 1 juni 2014 rekening zal houden met dit bedrag.

5.27

Op grond van het vorenstaande zal het hof in de periode van 4 december 2013 tot 1 juni 2014 onder post 129 rekening houden met een bedrag van € 840,- (€ 582,50 ter zake van [C] en € 257,50 ter zake van [F] ). In de periode van 1 juni 2014 tot 1 september 2015 zal het hof onder post 129 rekening houden met een bedrag van € 582,50 ter zake van [C] en in de periode vanaf 1 september 2015 zal het hof onder post 129 geen bedrag meer in aanmerking nemen.

5.28

Onder post 141 zal het hof in alle perioden een bedrag van € 885,- in aanmerking nemen (€ 345,- ter zake van [E] en € 540,- ter zake van [F] ).
Conclusie ten aanzien van de draagkracht van de man

5.29

Het voorgaande en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekening van de rechtbank in eerste aanleg, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte berekeningen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie.


* De periode van 4 december 2013 tot 1 juni 2014

5.30

Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de draagkrachtruimte van de man in de periode van 4 december 2013 tot 1 juli 2014 € 1.225,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60%, oftewel € 735,- per maand beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw.

5.31

Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met het aandeel dat de man levert in de kosten van de kinderen, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.28 vastgesteld op € 885 per maand.

5.32

Op grond van het vorenstaande heeft de man in de periode van 4 december 2013 tot 1 juni 2014 geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.
* De periode van 1 juni 2014 tot 1 juli 2014

5.33

Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de draagkrachtruimte van de man in de periode van 1 juni 2014 tot 1 juli 2014 € 1.479,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60%, oftewel € 887,- per maand beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw.

5.34

Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met het aandeel dat de man levert in de kosten van de kinderen, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.28 vastgesteld op € 885 per maand. Voor de vrouw resteert derhalve een bedrag van € 2,- per maand.

5.35

Gelet op de het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw in de periode van 1 juni 2014 tot 1 juli 2014 een bedrag van € 4,- per maand betalen.


* De periode van 1 juli 2014 tot 1 september 2015

5.36

Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de draagkrachtruimte van de man in de periode van 1 juli 2014 tot 1 september 2015 € 1.400,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60%, oftewel € 840,- per maand beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw.

5.37

Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met het aandeel dat de man levert in de kosten van de kinderen, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.28 vastgesteld op € 885 per maand en te worden vermeerderd met het fiscaal voordeel dat de man kan genieten uit de buitengewone lastenaftrek van € 50,- per maand.

5.38

Op grond van het vorenstaande resteert voor de vrouw in de periode van 1 juli 2014 tot 1 september 2015 een bedrag van € 5,- per maand (€ 840,- minus € 885,- plus € 50,-).

5.39

Gelet op de het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw in de periode van 1 juli 2014 tot 1 september 2015 een bedrag van € 10,- per maand betalen.


* De periode vanaf 1 september 2015

5.40

Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de draagkrachtruimte van de man in de periode vanaf 1 september 2015 € 2.246,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60%, oftewel € 1.348,- per maand beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw.

5.41

Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met het aandeel dat de man levert in de kosten van de kinderen, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.28 vastgesteld op € 885 per maand. Voor de vrouw resteert derhalve een bedrag van € 463,- per maand.

5.42

Gelet op de het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw in de periode vanaf 1 september 2015 een bedrag van € 959,- per maand betalen.


Jusvergelijkingen

5.43

Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie meer vrij te besteden inkomen overhoudt, ziet het hof aanleiding om ten aanzien van de laatste drie perioden jusvergelijkingen te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60. De man heeft gesteld dat met ingang van 1 januari 2015 ter zake het inkomen van de vrouw rekening dient te worden gehouden met de alleenstaande ouderkop. Daarvoor ziet het hof echter geen aanleiding, nu vast staat dat de vrouw hier in verband met de studiefinanciering die [F] ontvangt geen recht op heeft. Het hof heeft de door de man overgelegde draagkrachtberekening van de vrouw tot uitgangspunt genomen, met dien verstande dat het hof geen rekening heeft gehouden met de arbeidskorting. Daar heeft de vrouw immers geen recht op nu zij een ww-uitkering ontvangt.

5.44

Uit de door het hof gemaakte jusvergelijkingen blijkt dat de vrouw met een alimentatie van € 4,- per maand in de periode van 1 juni 2014 tot 1 juli 2014, respectievelijk € 10,- per maand in de periode van 1 juli 2014 tot 1 september 2015 niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man.

5.45

Bij een door de man te betalen partneralimentatie in de periode vanaf 1 september 2015 van € 959,- per maand zou de vrouw wel meer vrij te besteden overhouden dan de man. Bij een door de man te betalen partneralimentatie van € 907,- per maand hebben de man en de vrouw een gelijke vrije ruimte. De op te leggen bijdrage wordt echter begrensd door de door de vrouw in hoger beroep verzochte bijdrage van € 873,- per maand. Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in de periode vanaf 1 september 2015 dan ook vaststellen op een bedrag van € 873,- per maand.


De slotsom

5.46

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn principaal hoger beroep van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 8 augustus 2014;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar principaal hoger beroep van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 8 augustus 2014;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 26 mei 2014 voor zover daarbij de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2012 is gewijzigd, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2012 voor zover daarbij is beslist over de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en bepaalt dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw:

- in de periode van 1 juni 2014 tot 1 juli 2014 met een bedrag van € 4,- per maand;

- in de periode van 1 juli 2014 tot 1 september 2015 met een bedrag van € 10,- per maand;

- in de periode vanaf 1 september 2015 met een bedrag van € 873,- per maand.

telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. J.G. Idsardi en mr. W. Foppen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 september 2015 in bijzijn van de griffier.