Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6529

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
200.133.144/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldigheid van een in Marokko gesloten huwelijk. Exceptie openbare orde in verband met een bigaam huwelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2015/4803
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.144/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/07/200959 FL RK 12/1548)

beschikking van de familiekamer van 25 augustus 2015

inzake

volgens de beschikking van de rechtbank en het uittreksel uit de basisadministratie: [appellante] (geboren [in] 1965),

volgens het beroepschrift: [appellante1] ,

volgens de huwelijksakte: [appellante2] , wonende te [A] ,

appellante in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.G. Wiebes, kantoorhoudend te Lelystad,

tegen

[de geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de man,

geïntimeerde in hoger beroep,

advocaat: mr. E. Lucas, kantoorhoudend te Lelystad.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

sinds 1 januari 2015 Samen Veilig Flevoland

gevestigd te Lelystad,

hierna te noemen: BJZ of GI.

1 Het verdere procesverloop

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 10 februari 2015.

1.2

Na de tussenbeschikking zijn ter griffie van het hof binnengekomen:

- een journaalbericht van 20 februari 2015 met bijlage van mr. Wiebes;

- een brief van 26 juni 2015 met bijlagen van het Openbaar Ministerie;

- een journaalbericht van 24 juli 2015 met bijlage van mr. Wiebes;

- een journaalbericht van 30 juli 2015 met bijlagen van mr. Lucas.

2 De verdere beoordeling

2.1

In de tussenbeschikking van 10 februari 2015 heeft het hof, zakelijk weergegeven, de vraag of inmiddels voldoende vast staat dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen de man en [appellante] vooralsnog ontkennend beantwoord. Het hof heeft aanleiding gezien om de zaak aan te houden voor een onderzoek door het Openbaar Ministerie, en wel ter beantwoording van de navolgende vragen:

* met betrekking tot de gegevens die omtrent de vrouw - [appellante] - en het huwelijk en in het bijzonder de huwelijkspartner, de huwelijksdatum, alsmede de voor- en achternaam en geboortedatum van [appellante] - zijn opgenomen in de (voorlopers van de) BRP:

a. a) op welke datum zijn deze gegevens opgenomen;

b) aan de hand van welk(e) brondocument(en) zijn deze gegevens opgenomen;

c) is dit brondocument nog voorhanden, zo ja dan graag een afschrift bijvoegen;

d) welke andere informatie is tijdens het onderzoek naar voren gekomen en mogelijk van belang voor het antwoord op de vraag naar de identiteit van de vrouw en het al dan niet bestaan van een huwelijk tussen haar en de man;

* met betrekking tot de gegevens die ten aanzien van de man omtrent de burgerlijke staat zijn opgenomen in de (voorlopers van de) BRP:

a. a) welke gegevens zijn opgenomen;

b) op welke datum zijn deze gegevens opgenomen;

c) aan de hand van welk(e) brondocument(en) zijn deze gegevens opgenomen;

d) is dit brondocument nog voorhanden, zo ja dan graag een afschrift bijvoegen;

e) welke andere informatie is tijdens het onderzoek naar voren gekomen en mogelijk van belang voor het antwoord op de vraag naar de identiteit van de vrouw en het al dan niet bestaan van een huwelijk tussen haar en de man;

* kan op grond van voorstaande informatie volgens het Openbaar Ministerie de conclusie worden getrokken dat de man en de vrouw huwelijkspartners zijn.

2.2

Het Openbaar Ministerie heeft op 26 juni 2015 zijn standpunt aan het hof kenbaar gemaakt. Op basis van de verkregen informatie van de gemeente [A] bestaande uit een aantal brondocumenten en de persoonskaarten en persoonslijsten van elk van partijen die als bijlagen bij de brief van 26 juni 2015 zijn gevoegd - is het Openbaar Ministerie tot de conclusie gekomen dat [appellante] , geboren [in] 1965 te [B] (Marokko), [in] 1987 in het huwelijk is getreden met [de geïntimeerde] , de man.

nader standpunt partijen

2.3

De man stelt zich op het standpunt dat zijn verzoek om ontbinding van het [in] 1987 tussen partijen gesloten huwelijk voor inwilliging in aanmerking komt.

2.4

De vrouw heeft te kennen gegeven dat zij niet heeft ontkend dat zij in het huwelijk is getreden met de man. Zij heeft benadrukt dat zij twijfels blijft houden over de authenticiteit van het de door de man overgelegde uittreksel van een huwelijksakte en is uitdrukkelijk bij haar standpunt omtrent de juiste schrijfwijze van haar persoonsgegevens gebleven.

motivering van de beslissing

2.5

De vraag of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen de man en [appellante] , waarvan de man in eerste aanleg de ontbinding door echtscheiding heeft verzocht, wordt door het hof thans bevestigend beantwoord. Het hof onderschrijft het standpunt van het Openbaar Ministerie omtrent zowel het huwelijk als de identiteit van de vrouw, tevens de echtgenote van de man.

2.6

Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de gegevens die zijn opgenomen in de basisadministratie dan wel basisregistratie - op de persoonskaart en naderhand, na oktober 1994, de (digitale) persoonslijst - zijn ontleend aan brondocumenten die op het moment van verwerking hebben voldaan aan de richtlijnen c.q. de daaraan te stellen eisen.

Uit de door het Openbaar Ministerie overgelegde stukken blijkt het volgende:

a. De gemeente heeft in 1978 - naar het hof aanneemt op het moment dat de vrouw zich met haar ouders in Nederland heeft gevestigd - een persoonskaart aangelegd op grond van een aangifte waarbij de naam van de vrouw is geregistreerd als [appellante3] . Een door de vrouw overgelegde geboorteakte - een brondocument met een hogere rang dan een aangifte - heeft geleid tot aanpassing van de opgenomen persoonsgegevens; de naam is op 14 oktober 1991 gewijzigd in [appellante] . Daarenboven staat vast dat [appellante] in 2005 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, in welke procedure zij haar identiteit ook heeft moeten aantonen.

b. De heer [de geïntimeerde] heeft zich ingeschreven in 1987, waarbij op grond van een aangifte vervolgens een persoonskaart gemaakt. Hij heeft in 1998 een geboorteakte - een brondocument met een hogere rang dan een aangifte - ingeleverd en op grond daarvan is zijn geboorteplaats gecorrigeerd.

c. Het huwelijk tussen [de geïntimeerde] en [appellante] , aangegaan [in] 1987 te [C] , Marokko, is op basis van een overgelegde huwelijksakte brondocument - op 9 januari 1998 op de persoonskaarten van beiden geregistreerd en ook daarna op de persoonslijst opgenomen.

2.7

Op grond van het vorenstaande komt ook het hof tot het oordeel dat vast is komen te staan dat de man [in] 1987 in het huwelijk is getreden met [appellante] , zijnde de vrouw van wie hij thans van echt wenst te scheiden. Daarbij tekent het hof aan dat de vrouw in haar reactie op de bevindingen van het Openbaar Ministerie kenbaar heeft gemaakt dat zij nimmer heeft ontkend - en dus kennelijk thans ook niet ontkent - dat zij in het huwelijk is getreden met de man.

2.8

Volledigheidshalve merkt het hof op dat uit de persoonskaart en de persoonslijst van de vrouw blijkt dat zij [in] 1985 in Marokko in het huwelijk is getreden met de heer [D] , dat de heer [D] de vrouw op het consulaat op 30 oktober 1986 heeft verstoten - welke verstoting in Nederland niet is erkend - en dat hun huwelijk [in] 1989 is geëindigd door inschrijving van de echtscheiding, welke ontbinding in Nederland is erkend. Gesteld noch gebleken is evenwel dat het [in] 1987 in Marokko aangegane huwelijk van partijen niet rechtsgeldig is gesloten, zodat moet worden aangenomen dat het huwelijk naar Marokkaans recht geldig is. Een en ander betekent dat de vrouw, toen zij [in] 1987 met de man in Marokko in het huwelijk is getreden, naar Nederlands recht nog gehuwd was met de heer [D] . Vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk van de vrouw met [D] (1989) kan het (tweede) huwelijk van partijen niet langer als strijdig met de Nederlandse openbare orde worden aangemerkt. De exceptie van de openbare orde kan niet worden ingeroepen tegen een polygaam (c.q.: bigaam) huwelijk indien dat huwelijk later geldig (monogaam) is geworden door - onder meer, zoals in dit geval - de ontbinding van het eerdere huwelijk. Dit betekent dat het tussen partijen [in] 1987 in Marokko gesloten huwelijk als rechtsgeldig in Nederland dient te worden erkend.

2.10

Op grond van artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek kan de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten worden uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is duurzaam ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen.

2.11

In weerwil van het gestelde in het hoger beroepschrift van de vrouw, is uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting gebleken dat de man in hoger beroep volhardt in zijn wens tot echtscheiding. Hij stelt en blijft stellen dat hij niet meer wil samenleven met de vrouw (vanwege bepaalde gebeurtenissen). Nu de man persisteert bij zijn stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, moet zulks tussen partijen als vaststaand worden aangenomen. Dit geldt temeer nu onweersproken is komen vast te staan dat partijen al een aantal jaren niet meer bij elkaar wonen. Ook is ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat pogingen tot verzoening - zowel door de rechtbank als het hof is deze verzoening aan de orde gesteld - tussen de man en de vrouw zijn mislukt. Aldus staat voor het hof voldoende vast dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

2.12

Hetgeen de vrouw tegen de stellingen van de man in heeft gebracht, maakt dit oordeel niet anders. Dat de vrouw uit principe en op grond van haar geloofsovertuiging niet wil scheiden, kan naar het oordeel van het hof niet in de weg staan aan het uitspreken van de echtscheiding. Ook de stelling dat een echtscheiding niet in het belang van de kinderen is, kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft op juiste gronden de echtscheiding uitgesproken. De bestreden beschikking zal ten aanzien van de echtscheiding derhalve worden bekrachtigd.

2.14

Zoals eerder aangegeven in de beschikking van 3 april 2014 heeft de vrouw, voor het geval ook het hof de echtscheiding tussen partijen mocht uitspreken, inhoudelijk bezwaar gemaakt tegen de omvang van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen de man en de minderjarige kinderen van partijen. Zij wenst beperking van de zorgregeling van een dag per week tot 2 uren per week. Het hof zal deze bezwaren thans inhoudelijk beoordelen.

2.16

De vrouw heeft weliswaar een aantal feiten en omstandigheden genoemd - de huisvesting van de man en de plek en wijze waarop hij invulling geeft aan de omgang - op grond waarvan zij een beperktere zorgregeling voorstaat, maar de man heeft deze gemotiveerd weersproken waardoor deze niet zijn komen vast te staan. Bovendien heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen een langere omgang dan wel overnachting van de kinderen bij de man. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet gebleken dat een andere beslissing dan door de rechtbank gegeven meer in het belang van de kinderen is. Weliswaar hebben de kinderen in hun brieven aangegeven geen omgang met de man te willen indien hij de echtscheidingsprocedure wenst door te zetten, maar het hof heeft ernstige twijfels of deze brieven daadwerkelijk door de kinderen (en niet door de vrouw) geschreven zijn en zal daaraan geen betekenis toekennen. Het hof ziet evenmin reden om de kinderen opnieuw uit te nodigen voor een gesprek dan wel anderszins in de gelegenheid te stellen hun mening kenbaar te maken. Medewerkers van BJZ hebben ter zitting verklaard dat er contacten zijn tussen de man en de kinderen en dat zij ten aanzien van deze omgang geen verzet bij de kinderen hebben gezien en dat er ook anderszins geen zorgpunten zijn, met dien verstande dat de man bekend is met een (wiet)verslaving waarvoor hij geen hulp heeft. Ter zitting hebben ook de man en de vrouw bevestigd dat de man de kinderen feitelijk, in ieder geval ook wekelijks, ziet.

2.17

Alles in ogenschouw nemende zal het hof ook op het punt van de zorg- c.q. omgangsregeling de beslissing van de rechtbank - inhoudende dat de man en de kinderen ten minste één dag per week van 's ochtends tot na het eten bij de man zullen verblijven en dat de kinderen zo vaak zij wensen telefonisch contact met de man kunnen opnemen - bekrachtigen. Het hof acht deze beslissing het meest in het belang van de kinderen. Daarbij overweegt het hof dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij geen wiet gebruikt tijdens de omgang met de kinderen.

2.18

Volledigheidshalve merkt het hof op dat de beslissingen van de rechtbank betreffende het bevel aan partijen om over te gaan tot verdeling van de gemeenschap, voor zover aanwezig, het hoofdverblijf van de kinderen, de informatieregeling en het huurrecht van de echtelijke woning in [A] inhoudelijk in hoger beroep niet ter discussie staan. Het hof zal ook deze beslissingen van de rechtbank bekrachtigen nu ook het hof tot het oordeel is gekomen dat de echtscheiding tussen partijen uitgesproken kan worden.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de rechtbank op alle punten bekrachtigen.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, voorzitter, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. D.J. Buijs, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 augustus 2015.