Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6445

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
200.172.821/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek schorsing faillissementsgijzeling. Failliet heeft tijdens schorsing faillissementsgijzeling de benen genomen naar Ibiza. Hij wenst, alvorens terug te keren naar Nederland, zekerheid dat hij niet opnieuw in gijzeling wordt genomen. Hof wijst verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.172.821/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/15/57 F)

beschikking van de eerste kamer in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv van 28 augustus 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. G. van Atten, kantoorhoudend te [woonplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank), van 26 januari 2015 is [appellant] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [naam curator] als curator (hierna: de curator).

1.2

Bij beschikking van de rechtbank van 18 februari 2015 is op voordacht van de rechter-commissaris bevolen dat [appellant] op grond van artikel 87 Faillissementswet (Fw) in verzekerde bewaring zal worden gesteld in het Huis van bewaring te Almere.

1.3

Op grond van het bevel van 18 februari 2015 is [appellant] op 22 april 2015 in verzekerde bewaring gesteld. [appellant] is op 23 april 2015 door de rechtbank gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum is het verzoek van [appellant] om de verzekerde bewaring op te heffen, afgewezen.

1.4

Bij beschikking van de rechtbank van 1 mei 2015 heeft de rechtbank bevolen dat de inbewaringstelling van [appellant] tot 21 mei 2015 zal voortduren, met dien verstande dat de inbewaringstelling wordt geschorst tot 18 mei 2015 onder de in de beschikking genoemde voorwaarden.

1.5

Bij beschikking van de rechtbank van 19 mei 2015 is met onmiddellijke ingang het op 18 februari 2015 gegeven bevel tot in verzekerde bewaringstelling opgeheven.

1.6

De curator heeft bij brief van 16 juni 2015 aan de rechter-commissaris medegedeeld dat [appellant] , zonder voorafgaand overleg en zonder instemming van de curator naar Ibiza te Spanje is afgereisd en daar nu verblijft.

1.7

De rechter-commissaris heeft op grond van de bevindingen van de curator bij de rechtbank de voordracht tot inbewaringstelling van de gefailleerde ingediend.

1.8

In de bestreden beschikking van 17 juni 2015 heeft de rechtbank bevolen dat [appellant] in verzekerde bewaring zal worden gesteld in het Huis van Bewaring te Lelystad, of in een ander Huis van Bewaring.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 3 juli 2015 ingekomen beroepschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 17 juni 2015. [appellant] heeft daarbij tevens een incident opgeworpen, strekkende tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

2.2

Het verzoek van [appellant] luidt:
"- bij wege van incident de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 17 juni 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, te schorsen;
- de beschikking van 17 juni 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, te vernietigen en de voordracht van de rechter-commissaris tot inbewaringstelling alsnog af te wijzen."

2.3

Op 16 juli 2015 is ter griffie van het hof ingekomen het verweerschrift van de curator betreffende het beroep van [appellant] tegen het bevel inbewaringstelling, tevens incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

2.4

Het hof heeft daarnaast kennis genomen van het faxbericht met bijlagen d.d.
22 juli 2015 van [appellant] en het faxbericht met bijlage van 30 juli 2015 van de curator.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

De vraag waar het in dit incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012) en 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688), voorop dat bij de beoordeling van deze vordering het volgende geldt:
(i) de eiser in het incident moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis;
(ii) de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van het vonnis. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven;
(iii) bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing;
(iv) indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij de beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken;
(v) indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.2

De rechtbank heeft de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd, zodat het hof zal beslissen met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.3

[appellant] heeft aan zijn incidentele verzoek ten grondslag gelegd dat hij op dit moment, als gevolg van zijn medische situatie, niet in staat is (volledig) te voldoen aan zijn verplichtingen ex artikel 105 Fw. Nu [appellant] weet dat hij in bewaring zal worden gesteld als hij vanuit Ibiza naar Nederland afreist, raakt dit zijn psychische toestand dusdanig dat hij medisch gezien niet in staat is om naar het kantoor van de curator af te reizen. Indien de dreiging van inbewaringstelling wegvalt, heeft dit waarschijnlijk een zodanig effect op het psychisch welzijn van [appellant] dat hij alsnog in staat zal zijn gehoor te geven aan de oproep om bij de curator te verschijnen, aldus [appellant] . [appellant] meent dan ook dat zijn belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging zwaarder weegt dan dat van de boedel bij voortzetting van de executie van het bestreden vonnis.

3.4

Naar het oordeel van het hof levert het door [appellant] aangevoerde geen grond op voor schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank op de voet van artikel 351 Rv. Het hof overweegt daartoe als volgt. Gelet op de (hiervoor onder (iii) vermelde) te maken belangenafweging neemt het hof tot uitgangspunt het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zich onttrekt aan zijn verplichting voor de curator te verschijnen en hem alle inlichtingen te verschaffen zo dikwijls als hij daartoe wordt opgeroepen. Nu de curator in het kader van de afwikkeling van het faillissement bij voortduring tegen juridische en feitelijke vragen aanloopt, welke vragen zich slechts met behulp van door [appellant] aan te leveren informatie laten beantwoorden, is het belang van de curator dat [appellant] hem deze informatie (volledig en naar behoren) verstrekt, gegeven.
De curator heeft daarbij aangegeven het zeer onwenselijk te achten dat [appellant] Nederland heeft verlaten en op Ibiza verblijft, temeer omdat [appellant] op Ibiza belangen heeft en er nog niet verkochte activa zijn waarover onduidelijkheid bestaat en waarover de boedel nog geen controle heeft, terwijl [appellant] als formeel bestuurder van het in Spanje gevestigde [onderneming] over de bankrekening van die onderneming, alsmede over zijn privérekeningen, kan beschikken. De curator heeft in dat kader verklaard dat [appellant] na zijn faillissement nog aanzienlijke bedragen naar Spanje heeft overgemaakt in verband met het [onderneming] project en dat hij voorts opdracht heeft gegeven een bedrag van € 150.000,- van de rekening van [onderneming] over te maken naar de rekening van zijn advocaat, na welke betalingen [onderneming] niet langer over liquiditeiten beschikte.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de curator een gerechtvaardigd belang heeft bij de bij voorraad uitvoerbare inbewaringstelling. Dit belang dient naar het oordeel van het hof te prevaleren boven het door [appellant] gestelde belang de tenuitvoerlegging te schorsen, teneinde hem - kort gezegd - in staat te stellen zonder dreiging van inbewaringstelling naar het kantoor van de curator af te reizen. Het hof overweegt daartoe dat de stelling van [appellant] dat zijn psychische toestand dusdanig is dat hij medisch gezien niet in staat is om onder de huidige omstandigheden naar het kantoor van de curator af te reizen, niet wordt onderbouwd door de door hem overgelegde doktersverklaringen, wat er van die verklaringen verder ook zij.

3.5

Gelet op het vorenstaande dient het incidentele verzoek van [appellant] te worden afgewezen. Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor dagbepaling mondelinge behandeling. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident:

wijst het verzoek van [appellant] af;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 8 september 2015 voor dagbepaling mondelinge behandeling;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. I. Tubben en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2015.