Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6420

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.171.214/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzing Hoge Raad. Bewind. Ontslag bewindvoerder. Ambtshalve ontslag mentor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 200.171.214

(zaaknummers rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, 520754 en 2383413)

(zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch HV 200.136.658/01)

(zaaknummer Hoge Raad 14/02755)

beschikking van de familiekamer van 1 september 2015

inzake

[verzoekster 1] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [verzoekster 1],

en

[verzoekster 2] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de moeder,
verzoeksters in hoger beroep,

advocaat: mr. J.W.J. Schoonbrood te Heerlen.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de zus,

en

[belanghebbende 2] ,

kantoorhoudende te [woonplaats],

verder te noemen: [belanghebbende 2],

advocaat: mr. M.W. Kok te Tegelen, gemeente Venlo.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep na verwijzing

1.1

De Hoge Raad heeft in deze zaak op 16 januari 2015 een beschikking gegeven onder zaaknummer 14/02755 en daarbij de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2014, gegeven onder zaaknummer HV 200.136.658/01, vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Voor het verloop van de procedure tot 16 januari 2015 wordt verwezen naar voormelde beschikking van de Hoge Raad.

1.2

[verzoekster 1] en de moeder hebben bij brief van mr. Schoonbrood van 30 april 2015 (met acht bijlagen), ingekomen ter griffie van het hof op 6 mei 2015, verzocht over te gaan tot verdere behandeling van de zaak.

1.3

Nadien zijn op respectievelijk 15 juli 2015 en 21 juli 2015 ter griffie van het hof binnengekomen een journaalbericht van mr. Kok van 14 juli 2015 en een journaalbericht van mr. Kok van 20 juli 2015. Beide berichten hebben als bijlage de brief van 8 januari 2014 met producties 1 tot en met 7 van [belanghebbende 2] aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Voorts is op 20 juli 2015 binnengekomen een journaalbericht van mr. Schoonbrood van 17 juli 2015 met vijf bijlagen.

1.4

De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2015 plaatsgevonden. [verzoekster 1], de moeder en [belanghebbende 2] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De zus is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Bijzondere toegang is verleend aan de heer [A], de nieuwe echtgenoot van de moeder, en aan de heer [B] mede-dossierbehandelaar.

1.5

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Schoonbrood een tweede journaalbericht van 17 juli 2015 met zes bijlagen overgelegd. Desgevraagd heeft [belanghebbende 2] ter mondelinge behandeling meegedeeld dat mr. Schoonbrood haar deze stukken tijdig voor de mondelinge behandeling heeft toegezonden, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij ermee instemt dat het hof deze stukken bij zijn beoordeling betrekt. Het hof slaat daarom ook op deze stukken acht.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het gaat in deze zaak kort samengevat om het volgende. [verzoekster 1] is verstandelijk gehandicapt. In 2006 is de zus benoemd tot mentor over [verzoekster 1]. In 2012 zijn de goederen van [verzoekster 1] onder bewind gesteld, met aanstelling van de moeder tot bewindvoerder. De zus heeft bij het inleidend verzoek de kantonrechter verzocht het bewind en het mentorschap om te zetten in een ondercuratelestelling. Dit verzoek is in de bestreden beschikking van de kantonrechter van 15 oktober 2013 afgewezen. In dezelfde beschikking heeft de kantonrechter vanwege de gebleken ernstige tweespalt tussen de moeder en de zus ambtshalve de moeder als bewindvoerder en de zus als mentor ontslagen, en in hun plaats [belanghebbende 2] tot bewindvoerder en mentor benoemd, alles met ingang van 1 november 2013 en uitvoerbaar bij voorraad.

[verzoekster 1] en de moeder zijn van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij hebben dat hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover hier van belang, het ontslag van de moeder als bewindvoerder en de benoeming van [belanghebbende 2] tot opvolgend bewindvoerder en mentor ongedaan te maken, en de moeder tot mentor te benoemen.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de bestreden beschikking ter zake van zowel het bewindvoerderschap als het mentorschap bekrachtigd. Dat hof achtte gewichtige redenen aanwezig voor het ontslag van de moeder als bewindvoerder, van welke gewichtige redenen dat hof eerst ter gelegenheid van de procedure in hoger beroep was gebleken. [verzoekster 1] en de moeder hebben cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing tot ontslag van de moeder als bewindvoerder. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 16 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:86) de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd. Kort gezegd, en voor zover hier van belang, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door zijn beschikking wat betreft het ontslag van de moeder als bewindvoerder in belangrijke mate te baseren op de brief van [belanghebbende 2] aan het hof van 8 januari 2014 terwijl [verzoekster 1] en de moeder van die brief geen kennis hebben kunnen nemen en zich daarover dus niet hebben kunnen uitlaten.

2.2

[verzoekster 1] en de moeder hebben in de procedure na verwijzing bij dit hof alsnog gemotiveerd verweer gevoerd tegen de in de brief van [belanghebbende 2] van 8 januari 2014 neergelegde verwijten aan het adres van de moeder betreffende de wijze waarop de moeder het bewindvoerderschap heeft uitgeoefend. [belanghebbende 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof aanvankelijk het betoog van [verzoekster 1] en de moeder betwist. Na schorsing van de behandeling van de zaak voor overleg tussen partijen heeft [belanghebbende 2] bij de voortzetting daarvan evenwel verklaard van verdere betwisting af te zien. Naar het oordeel van het hof is gelet op het gemotiveerde en met stukken onderbouwde verweer van [verzoekster 1] en de moeder zoals neergelegd in de onder 1.2 genoemde brief van 30 april 2015, in deze procedure niet komen vast te staan dat de moeder met het door haar gevoerde financiële beheer [verzoekster 1]’s belangen onvoldoende adequaat heeft behartigd. Nu voorts de spanningen tussen de moeder en de zus niet langer een rol kunnen spelen omdat de zus als mentor is ontslagen, acht het hof geen gewichtige reden aanwezig die een ontslag van de moeder als bewindvoerder rechtvaardigt. De bestreden beschikking van de kantonrechter zal dan ook worden vernietigd voor zover daarbij de moeder als bewindvoerder is ontslagen en [belanghebbende 2] tot opvolgend bewindvoerder is benoemd. Het komt het hof wenselijk voor om met het oog op de noodzakelijke feitelijke overdracht van het bewindvoerderschap, de herleving van het bewindvoerderschap van de moeder eerst te laten ingaan op de hierna in het dictum vermelde datum.

2.3

Omtrent het mentorschap overweegt het hof als volgt. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de zus ontslagen als mentor en [belanghebbende 2] tot opvolgend mentor benoemd. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft deze vervanging bekrachtigd. Tegen die beslissing is geen cassatieberoep ingesteld. Uitgangspunt is dat de verwijzingsrechter is gebonden aan de in de vernietigde uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet zijn bestreden. Het gaat thans evenwel om mentorschap. In zaken van mentorschap heeft de (appel)rechter een toezichthoudende taak en komt hem de bevoegdheid toe ambtshalve een mentor te ontslaan, onder meer wegens gewichtige redenen. In de onderhavige zaak ziet het hof aanleiding om [belanghebbende 2] ambtshalve wegens gewichtige redenen alsnog als mentor te ontslaan. Daarbij acht het hof het volgende van belang. Ter mondelinge behandeling bij dit hof heeft [belanghebbende 2] verklaard dat zij sedert haar aantreden als mentor eind 2013 geen enkel rechtstreeks contact met [verzoekster 1] heeft kunnen hebben, omdat [verzoekster 1] contact met haar niet aan zal kunnen. Naar [belanghebbende 2] heeft verklaard, is zij dan ook niet in staat invulling te geven aan haar rol als mentor. Zij acht voortzetting van haar mentorschap op deze manier niet zinvol. Het hof leidt uit de stukken af dat [verzoekster 1] zeer kwetsbaar is en zich slechts durft te uiten als zij zich veilig en vertrouwd voelt bij de ander. Duidelijk is dat zij zich bij [belanghebbende 2] niet veilig voelt. Voorts constateert het hof dat de verstandhouding tussen de moeder en [belanghebbende 2] ernstig is verstoord. Dit maakt de uitoefening van het mentorschap voor [belanghebbende 2] lastig, omdat de moeder als vertrouwenspersoon van [verzoekster 1] een belangrijke rol in [verzoekster 1]’s leven speelt. Gelet op een en ander oordeelt het hof voortzetting van het mentorschap door [belanghebbende 2] niet in het belang van [verzoekster 1]. Het hof acht daarin een voldoende gewichtige reden gelegen om [belanghebbende 2] ambtshalve als mentor te ontslaan. Ter mondelinge behandeling hebben zowel [belanghebbende 2] als de moeder verklaard zich te kunnen vinden in de benoeming van de heer [C] (hierna: [C]) tot opvolgend mentor. Het hof leidt uit de stukken af dat [C] al lange tijd een bekend en vertrouwd persoon voor [verzoekster 1] is. [C] heeft zich reeds in een eerder stadium van de procedure bereid verklaard de benoeming te aanvaarden en van bezwaren tegen zijn benoeming is niet gebleken. Het hof zal [C] tot opvolgend mentor benoemen en diens benoeming laten ingaan op de hierna in het dictum vermelde datum.

3 De slotsom

3.1

Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het betreft het ontslag van de moeder als bewindvoerder en de benoeming van [belanghebbende 2] tot opvolgend bewindvoerder. Voorts zal het hof [belanghebbende 2] ambtshalve als mentor ontslaan en [C] in deze functie benoemen.

3.2

Gelet op de aard van de procedure zal het hof de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep na verwijzing:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, sector kanton, zittingsplaats Maastricht, van 15 oktober 2013 voor zover daarbij de moeder als bewindvoerder is ontslagen en [belanghebbende 2] tot opvolgend bewindvoerder is benoemd, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de moeder met ingang van 15 september 2015 haar functie als bewindvoerder over de goederen van [verzoekster 1] zal hernemen;

ambtshalve beslissende inzake het mentorschap:

ontslaat met ingang van 15 september 2015 [belanghebbende 2] als mentor over [verzoekster 1];

benoemt met ingang van 15 september 2015 tot mentor over [verzoekster 1]:

[C] (geboren op [geboortedatum] 1967),

[adres],

[postcode + plaats];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, R. Feunekes en T.M. Blankestijn, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, en is op 1 september 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.