Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6413

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.133.052
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Kennisgeving van het hoger beroep aan de vrouw in Suriname. Rechtsmacht Nederlandse rechter en toepasselijkheid Surinaams recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.052

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 329344)

beschikking van de familiekamer van 1 september 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J.A. Bakker te Utrecht,

en

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats], Suriname,

verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 17 maart 2015 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van DHL van 22 april 2015 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Bakker van 29 mei 2015 met bijlage, ingekomen op 1 juni 2015.

1.3

Op 30 juni 2015 is de mondelinge behandeling voortgezet. Daarbij is namens de man mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, verschenen. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.4

Na de mondelinge behandeling is op 21 augustus 2015 ingekomen een brief met bijlagen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 17 augustus 2015.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 17 maart 2015, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

Kennisgeving van het hoger beroep aan de vrouw

2.2

Ingevolge voornoemde beschikking van 17 maart 2015 heeft de griffier van dit hof conform de artikelen 1 tot en met 3 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 en met inachtneming van de vereisten als genoemd in de artikelen 4 lid 1 van de Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1954 jo. artikel 55 Rv, artikel 4 leden 2 en 3 en artikel 5 Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1954 aan de vrouw medegedeeld:

- dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 juni 2013;

- dat de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld vóór 1 juni 2015 via een advocaat een verweerschrift in te dienen in het hoger beroep in deze zaak, onder verwijzing naar de bij de brief van de griffie van het hof te voegen stukken, zijnde het inleidend verzoekschrift en de bestreden beschikking van 26 juni 2013, alsmede het verzoekschrift in hoger beroep;

- dat de vrouw voorts in de gelegenheid wordt gesteld zelf, al dan niet met de hulp van een advocaat mondeling verweer te voeren op de op dinsdag 30 juni 2015 te 9.00 uur bepaalde mondelinge behandeling en dat het hof de vrouw oproept op deze dag en dit tijdstip voor het hof te verschijnen.

Uit de hiervoor onder 1. vermelde stukken blijkt dat de oproep voor de zitting van 30 juni 2015, met als bijlagen het verzoekschrift tot echtscheiding, de bestreden beschikking van de rechtbank van 26 juni 2013, het beroepschrift van 5 september 2013 en de tussenbeschikking van 17 maart 2015, op 18 april 2015 bij de vrouw op het bij het hof bekende adres van de vrouw in Suriname is bezorgd en dat de vrouw voor ontvangst heeft getekend. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 17 augustus 2015 een bewijs van uitreiking van de hiervoor genoemde stukken aan de vrouw aan de griffier van dit hof gezonden.

Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat de kennisgeving aan de vrouw van het hoger beroep op de juiste wijze is geschied en dat de vrouw op de hoogte is van hetgeen door de man in hoger beroep is verzocht en dat zij behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van 30 juni 2015.

Rechtsmacht

2.3

De man, die onderdaan van Nederland is, heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland; de vrouw, die de Surinaamse nationaliteit heeft, in Suriname.

Op grond van artikel 4 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) juncto artikel 3 lid 1 aanhef en onder a van Verordening (EG) 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft de Nederlandse rechter ter zake van het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht, indien de man ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek in Nederland heeft verbleven.

Uit het op verzoek van het hof door de man op 1 juni 2015 overgelegde afschrift uit de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente Utrecht van 29 mei 2015 blijkt dat de man vanaf zijn geboorte woonachtig is in Nederland en dat de man sinds 19 december 2003 op zijn huidig adres staat ingeschreven. Het hof is gelet daarop van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Op grond van artikel 4 lid 3 Rv. heeft de Nederlandse rechter dan tevens rechtsmacht ter zake van het nevenverzoek tot scheiding en deling.

Toepasselijk recht
2.4 Op grond van artikel 10:56 lid 1 Burgerlijk Wetboek wordt het verzoek tot echtscheiding beheerst door Nederlands recht.

2.5

Nu partijen niet een gemeenschappelijke nationaliteit hebben en niet is gesteld of gebleken dat zij vóór hun huwelijk het recht dat van toepassing is op hun huwelijksvermogensregime hebben aangewezen, wordt hun huwelijksvermogensregime op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag van 14 maart 1978 inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (Trb. 1988, 130) beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd. Nu het eerste huwelijksdomicilie - zoals de man onweersproken heeft gesteld - in Suriname ligt, is te dezer zake Surinaams recht van toepassing.

Beoordeling van het verzochte

2.6

Nu de man, zoals in rechtsoverweging 4.4 van de beschikking van dit hof van 17 maart 2015 is overwogen, ten onrechte door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoeken in eerste aanleg, betekent dit dat het hof de zaak niet zal terugwijzen naar de rechtbank, zoals de man in zijn beroepschrift heeft verzocht, maar dat het hof de zaak aan zich zal houden en zal beslissen op de verzoeken van de man, zoals gedaan in eerste aanleg. De man heeft bij monde van zijn advocaat ter mondelinge behandeling van 30 juni 2015 gepersisteerd bij zijn inleidend verzoek tot echtscheiding en scheiding en deling.

2.7

Op grond van de door de man gestelde feiten, welke niet door de vrouw zijn betwist, is de duurzame ontwrichting van het huwelijk komen vast te staan en kan het verzoek tot echtscheiding naar Nederlands recht worden uitgesproken. Het verzoek de scheiding en deling te bevelen van de tussen partijen bestaande algehele gemeenschap van goederen kan als onweersproken eveneens worden toegewezen, voor zover naar Surinaams recht een gemeenschap van goederen is ontstaan.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen in de beschikking van 17 maart 2015 en hiervoor is overwogen, treft het hoger beroep van de man doel Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2013, en opnieuw beschikkende:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen die op 13 april 2011 in het district [woonplaats] te Suriname met elkaar zijn gehuwd;

beveelt de scheiding en deling van de gemeenschap van goederen, voor zover die naar Surinaams recht is ontstaan;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, G.P.M. van den Dungen en B.F. Keulen, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 1 september 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.