Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6404

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
13/01020
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:5204, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1215
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil zijn:

a. de hoogte van het eigenwoningforfait;

b. de schuld in verband met de eigen woning;

c. en de aftrek van rente en kosten met betrekking tot de eigen woning;

d. de aan de loods en de garageboxen toe te kennen waarde;

e. de vraag of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1914
V-N 2015/57.2.2
FutD 2015-2173
NTFR 2015/2464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 13/01020

uitspraakdatum: 1 september 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 augustus 2013, nummer AWB LEE 13/530, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting /premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.546 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.631. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 149.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 20.478, het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 2.215, en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot € 115.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 augustus 2013 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase betreft, de gevolgen van de uitspraak op bezwaar voor de aanslag en de heffingsrente in stand gelaten, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door [C] .

1.7

Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8

De Inspecteur heeft ter zitting het incidenteel hoger beroep ingetrokken.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende was tot 21 augustus 2002 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met mevrouw [D] ( [D] ).

2.2

Tot de huwelijksgemeenschap behoorde een registergoed, bestaande uit een woonhuis met erf tuin, loods en vijfentwintig garageboxen, gelegen aan de [a-straat] 38 te [Z] (het registergoed). Op dit registergoed rustte een recht van hypotheek ten behoeve van de [a-bank] , tot zekerheid voor de terugbetaling van geldleningen tot een bedrag van in totaal € 68.067,03.

2.3

Bij notariële akte van 15 februari 2006 betreffende "Verdeling en levering na ontbinding huwelijksgemeenschap door echtscheiding ( [a-straat] 38 te [Z] )" is aan de eerder tussen belanghebbende en [D] gesloten overeenkomst tot verdeling van de algehele gemeenschap van goederen formeel uitvoering gegeven. In deze akte is vastgesteld dat belanghebbende en [D] ieder voor de helft gerechtigd waren in het registergoed. Bij deze akte is de volledige eigendom van het registergoed aan belanghebbende toebedeeld en geleverd, onder de verplichting om de daarop rustende schulden voor eigen rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen. Volgens deze akte heeft de waardering van het registergoed in onderling overleg plaatsgevonden. Partijen zijn overeengekomen het registergoed in de verdeling te betrekken voor een waarde van € 395.000. In de akte is vermeld dat belanghebbende verklaart bekend te zijn met mogelijke verontreiniging van het registergoed. Het is hem bekend dat in het registergoed asbesthoudende materialen kunnen zijn verwerkt en dat de verwijdering van deze materialen deskundige begeleiding behoeft en dat daarop wettelijke regels van toepassing zijn. Voor rekening en risico van belanghebbende komen alle gevolgen van de verontreiniging, alsmede alle kosten en aanspraken die daaruit kunnen voortvloeien. Belanghebbende vrijwaart [D] voor alle aanspraken ter zake daarvan.

2.4

In opdracht van belanghebbende heeft [E] een onderzoek uitgevoerd naar de bodemverontreiniging van het registergoed. Van dit onderzoek is op 2 februari 2002 een rapport opgemaakt. Uit dit rapport blijkt dat de bodem is vervuild. De kosten van een eventuele bodem- en asbestsanering worden geraamd op een bedrag tussen € 136.000 en € 158.000.

2.5

Voor belanghebbende bestaat geen van overheidswege opgelegde verplichting tot bodem- en asbestsanering van het registergoed.

2.6

De volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de woning vastgestelde waarde bedraagt voor het kalenderjaar 2009 € 124.000. De desbetreffende waardebeschikking staat onherroepelijk vast.

2.7

Op 16 september 2004 heeft [F] , als taxateur onroerende zaken werkzaam bij de Belastingdienst/Randmeren/kantoor Zwolle, in opdracht van de Inspecteur de waarde in het economische verkeer in vrij te aanvaarden staat van het registergoed getaxeerd naar de peildatum 1 januari 2003. Van deze taxatie heeft hij op 22 september 2004 een rapport opgemaakt. [F] heeft de waarde van het registergoed getaxeerd op een bedrag van € 340.000. Hierbij heeft hij het volgende opgemerkt: "Voormelde waarde gaat uit van een situatie, waarbij de grond gesaneerd is. De kosten van sanering alsmede eventuele technische maatregelen om dit mogelijk te maken moeten van voormelde waarde worden afgetrokken. (...)". Volgens de toelichting op deze taxatie moet de waarde als volgt worden verdeeld:

Waarde loods

€ 80.000

Waarde garageboxen

€ 80.000

Waarde woonhuis met aanbouw

€ 180.000

2.8

In verband met de overname van het aandeel in het registergoed van [D] heeft belanghebbende op 15 februari 2006 de geldleningen afgelost en is hij tot een bedrag van € 250.000 een nieuwe hypothecaire geldlening aangegaan bij de [b-bank] . Ten behoeve van deze bank heeft belanghebbende tot zekerheid voor de terugbetaling van deze geldlening het recht van hypotheek verleend op het registergoed. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende ter zake van deze lening een bedrag van € 9.420 aan rente betaald.

2.9

Wegens de bodemverontreiniging heeft belanghebbende in zijn op 19 mei 2010 ingediende aangifte in de IB/PVV voor 2009 ter bepaling van zijn inkomen uit werk en woning ten aanzien van het betastbare inkomen uit de eigen woning een eigenwoningforfait aangegeven van nihil. Als rente en kosten met betrekking tot de eigen woning heeft belanghebbende in zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2009 een bedrag van € 6.584 opgevoerd. Als eigenwoningschuld heeft belanghebbende een bedrag van € 172.959 aangegeven. Ter bepaling van zijn inkomen uit sparen en beleggen heeft belanghebbende in zijn aangifte ten aanzien van de post overige onroerende zaken een waarde van nihil aangegeven.

2.10

De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling voor het jaar 2009 het eigenwoningforfait gecorrigeerd overeenkomstig de vastgestelde WOZ-waarde. Van de door belanghebbende opgevoerde rente met betrekking tot de eigen woning heeft de Inspecteur een bedrag van € 5.162 in aanmerking genomen. Ter bepaling van belanghebbendes inkomen uit sparen en beleggen heeft de Inspecteur ten aanzien van de loods en de garageboxen als overige onroerende zaken voor het jaar 2009 per 1 januari en per 31 december een bedrag van € 185.882 in aanmerking genomen en een schuld van € 37.353.

2.11

Belanghebbende heeft voor de belastingjaren 2003 tot en met 2008 fiscale procedures gevoerd, waarbij onder meer de eigenwoningschuld, het eigenwoningforfait en de aftrek van rente en kosten in verband met de eigenwoningschuld in geschil waren.

2.12

Tegen onder meer de uitspraken van de Rechtbank in de evenvermelde procedures heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Gerechtshof heeft op 27 november 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:9036) uitspraak gedaan. Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie is bij arrest van 19 september 2014 onder toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard.

2.13

In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het oordeel van de rechtbank Leeuwarden uit de uitspraken in de eerdere procedures overgenomen. De Inspecteur heeft daarbij een eigenwoningschuld van € 138.593 in aanmerking genomen en de aftrekbare rente in verband met de eigen woning voor een bedrag van € 5.230, en ten aanzien van de loods en de garageboxen voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen een bedrag van € 150.000 als bezitting en een schuld van € 111.407.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil zijn:

  1. de hoogte van het eigenwoningforfait;

  2. de schuld in verband met de eigen woning;

  3. en de aftrek van rente en kosten met betrekking tot de eigen woning;

  4. e aan de loods en de garageboxen toe te kennen waarde;

  5. de vraag of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat:

  1. bij de waardering van de woning ten onrechte geen rekening is gehouden met de door vervuiling van de grond opgeroepen latente saneringskosten en verminderde gebruiksmogelijkheden;

  2. de Rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de eigenwoningschuld niet had mogen volstaan met verwijzing naar haar met betrekking tot de belastingjaren 2007 en 2008 gedane uitspraken, maar de argumenten van belanghebbende opnieuw had behoren te wegen;

  3. de Rechtbank, eveneens onder verwijzing naar haar eerdere uitspraken, ten onrechte de berekening van de Inspecteur inzake de hypotheekrente heeft gevolgd zonder die te toetsen;

  4. e Rechtbank ten onrechte, wederom onder verwijzing naar haar eerdere uitspraken, de Inspecteur heeft gevolgd voor de vaststelling van de hoogte van de waarde van de loods en de garageboxen;

  5. bij zijn contact met de Inspecteur betreffende de belastingjaren 2001 en 2002 de voorgaande geschilpunten aan de orde zijn geweest, dat de Inspecteur bij de aanslagregeling voor die jaren de aangiften zonder controle heeft gevolgd en aldus bewust een standpunt met betrekking tot die geschilpunten heeft ingenomen, en dat hij door de aangiften voor latere jaren, waaronder het onderhavige, op die punten wel te corrigeren, het door hem bij belanghebbende gewekte vertrouwen heeft geschonden dat hij de aangifte zou volgen.

3.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat:

  1. het eigenwoningforfait terecht is vastgesteld op € 682;

  2. de eigenwoningschuld moet worden vastgesteld op € 145.000;

  3. van de door belanghebbende betaalde rente een bedrag van € 5.464 in aftrek kan worden gebracht;

  4. e waarde van de loods en de garageboxen terecht op € 150.000 is vastgesteld;

  5. hij bij belanghebbende niet het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de aangifte op de overige geschilpunten zou worden gevolgd.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, en tot nadere vaststelling van het verzamelinkomen op € 17.104.

3.6

De Inspecteur concludeert, na wijziging van zijn standpunt in de loop van het geding, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, en tot vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning met € 234.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Zoals het Hof in zijn onder de feiten vermelde uitspraak van 27 november 2013 (hierna: de uitspraak van 27 november 2013) heeft geoordeeld, biedt de Wet IB 2001 geen ruimte voor een vermindering van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ vastgestelde eigenwoningwaarde wegens de waardedrukkende invloed van onder, rondom of in de eigen woning aanwezige bodem- en asbestverontreiniging. De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het eigenwoningforfait voor het jaar 2009 naar de grondslag van de ingevolge de Wet WOZ bepaalde waarde van € 124.000 een bedrag van € 682 beloopt.

4.2

Het Hof heeft in de uitspraak van 27 november 2013 het woondeel van de lening van de [b-bank] voor de jaren 2006, 2007 en 2008 bepaald op € 145.000. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de feiten en omstandigheden ten aanzien van de lening sindsdien zijn gewijzigd. Ook voor het onderhavige jaar moet derhalve van dat bedrag worden uitgegaan.

4.3

Het voorgaande brengt mee dat van de betaalde rente - waarvan tussen partijen niet in geschil is dat die in 2009 € 9.420 bedroeg - het gedeelte dat ziet op evenvermeld bedrag van € 145.000 aftrekbaar is. De Inspecteur heeft dat bedrag in zijn verweerschrift in hoger beroep correct berekend op € 5.464. Nu bij de aanslagregeling € 5.230 in aftrek is toegelaten, heeft de Inspecteur terecht geconcludeerd tot vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning met € 234, waarmee dat inkomen uitkomt op € 20.244. Weliswaar heeft de Inspecteur ter zitting een bedrag van € 20.010 genoemd, doch dat bedrag was hem door het Hof voorgehouden, waarbij door een misslag het bedrag van € 234 dubbel in mindering was gebracht.

4.4

Het Hof heeft de waarde van de loods en de garageboxen samen voor de jaren 2003 tot en met 2008 vastgesteld op € 150.000. Partijen hebben voor het onderhavige jaar geen zodanige nieuwe feiten en omstandigheden aan hun standpunten ten grondslag gelegd, dat het Hof op grond daarvan tot het oordeel zou kunnen komen dat een van beiden, anders dan in de voorgaande procedure, slaagt in het bewijs van de juistheid van zijn standpunt. Het Hof bepaalt de waarde van die onroerende zaken voor het jaar 2009 wederom in goede justitie op € 150.000.

4.5

Ten aanzien van belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende, tegenover de betwisting door de Inspecteur, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat de door de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen voor 2001 en 2002 gevolgde gedragslijn betreffende de eigenwoningregeling berust op een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur, waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat ook voor latere jaren zijn wijze van berekenen van het eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten gevolgd zou worden. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist is dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur de aangiften van belanghebbende in 2001 en 2002 heeft gevolgd. In hoger beroep heeft belanghebbende dienaangaande geen andere stellingen opgeworpen dan hij in eerste aanleg had gedaan. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt op de door de Rechtbank gebezigde gronden.

4.6

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van het nader vastgestelde belastbare inkomen betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gedeeltelijk gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 244 voor de kosten in de bezwaarfase, € 980 voor de kosten in eerste aanleg en € 980 voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 2.204.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.244 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.215,

– vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.204,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 44 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 118 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. B. van

Walderveen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 1 september 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 september 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.