Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6379

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
200.124.297
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.124.297

(zaaknummer rechtbank Arnhem 221325)

arrest van 1 september 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] (Italië),

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Heumen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.A. Schenke.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 februari 2015 hier over. Ingevolge dat arrest heeft op 25 juni 2015 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

In het tussenarrest van 24 februari 2015 heeft het hof geoordeeld dat de onroerende zaken gelegen in de gemeenten Conegliano en San Pietro di Felleto in Italië die [appellante] vóór het huwelijk heeft verkregen in de gemeenschap van goederen zijn gevallen. Het hof zal de daarop gerichte primaire vordering van [geïntimeerde] toewijzen en dienovereenkomstig voor recht verklaren.

2.2

Het hof dient thans de vorderingen van partijen die strekken tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te beoordelen. Het hof overweegt dat, indien deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vaststelt en daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en, indien dat aan de orde is, het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en behoeft hij niet — expliciet — in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.

2.3

Voordat het hof de verdeling kan vaststellen, dient de actuele samenstelling van de thans te verdelen ontbonden huwelijksgemeenschap te worden bepaald.

2.4

Vaststaat dat daartoe in elk geval behoren:

- het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [adres] in [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Heumen sectie G nummer 3711, groot 46 are en 3712, groot 46.25 are;

- onroerende zaken gelegen in Italië en wat daarvoor door verkoop in geld in de plaats is gekomen.

2.5

Vaststaat dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 1 juli 1981 daartoe een schuld uit hypothecaire geldlening van partijen aan de Stichting Gelders-Utrechtse Spaarbank behoorde (productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie). Partijen zijn deze schuld aangegaan bij notariële akte van 30 november 1978. De hoofdsom bedroeg f 75.000,-; de verschuldigde aflossing en rente dienden te worden voldaan op basis van een dertigjarige annuïteit, te betalen in halfjaarlijkse termijnen van f 3.553,43. Op de comparitie van partijen bij de rechtbank hebben beide partijen de omvang van deze hypotheekschuld op 1 juli 1981 geschat op f 67.000,-. Niet is komen vast te staan of deze schuld thans geheel is afgelost.

2.6

Op grond van het door partijen niet weersproken rapport van landmeter [naam landmeter] van 18 december 1981 (productie 8 bij conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) staat vast dat de onroerende zaken in Italië die op 1 juli 1981 tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden bestonden uit:

- het 21/36e aandeel in drie onroerende zaken, bestaande uit een openbare ruimte gelegen op de benedenverdieping en twee appartementen gelegen op de eerste en tweede verdieping aan de [adres] in het centrum van de stad [woonplaats] (Nieuw Stedelijk Kadaster - Gemeente Conegliano nr. 1085);

- een landbouwbedrijf van circa 6 hectare deels zaailand en deels weiland met bijbehorend agrarisch gebouw, gelegen in de gemeente San Pietro di Felleto (Nieuw Terreinen-Kadaster - Gemeente S. Pietro di Felleto- perceel nr. 658), ter grootte van 6.12.97 hectare.

[geïntimeerde] stelt in eerste aanleg en in dit hoger beroep onweersproken en in navolging van een taxatie door genoemde landmeter dat de waarde van deze onroerende zaken ten tijde van de ontbinding 300.000.000 lire of f 700.000,- bedroeg. Het hof merkt op dat de landmeter blijkens de overgelegde vertaling in het Nederlands van zijn brief aan [geïntimeerde] van 10 januari 1981 het volgende schrijft: "Te Uwer kennisgeving kan ik U zeggen dat uit ter plaatse ingewonnen informaties blijkt, dat de waarde van de hele eigendom, dat wil zeggen van de goederen welke Mevr. [appellante] bezit in de gemeente Conegliano en in de gemeente S. Pietro di Felleto, een bedrag kan belopen dat ligt tussen 250.000.000.= Lire en 300.000.000.= Lire. Indien ik, zoals aan U uiteengezet, een onderzoek ter plaatse had kunnen instellen, zou ik een meer exacte schatting hebben kunnen geven, maar ik kan met zekerheid stellen dat deze niet uitgaat boven de bovengenoemde cijfers."

2.7

[appellante] heeft het hof, voor het geval het hof van oordeel is dat de Italiaanse onroerende zaken in de gemeenschap van goederen zijn gevallen, verzocht haar standpunt ten aanzien van de in aanmerking te nemen waarde en de door haar gemaakte kosten kenbaar te maken. Zij heeft verder naar voren gebracht dat zij de afgelopen jaren onroerende zaken heeft verkocht en dat voor die onroerende zaken de verkoopopbrengst heeft te gelden, zodat taxatie van (het hof begrijpt:) de verkochte onroerende zaken niet nodig of aan de orde is. Namens [appellante] is door haar dochter op de comparitie van partijen van 25 juni 2015 verklaard dat na verkoop van onroerende zaken thans alleen nog aanwezig is de boerderij met ongeveer 1,2 hectare land, waar [appellante] sinds lange tijd woont. In afwijking van de hiervoor vermelde stelling van [appellante] dat in plaats van de verkochte onroerende zaken de verkoopopbrengst in aanmerking moet worden genomen bij de verdeling, is namens [appellante] op de comparitie van partijen van 25 juni 2015 bij dit hof betoogd dat met deze verkoopopbrengst bij de verdeling nu juist geen rekening moet worden gehouden, aangezien deze is verteerd. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. Niet valt in te zien dat deze verkoopopbrengst die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of heeft behoord aan slechts één van de deelgenoten ten goede zou moet komen. De enkele omstandigheid dat de opbrengst is verteerd is daarvoor onvoldoende. Het hof heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld ten behoeve van de comparitie (nadere) stukken in het geding te brengen, die betrekking hebben op de onroerende zaken in Italië die op 1 juli 1981 tot de huwelijksgemeenschap behoorden inclusief zaaksvervanging nadien, zo mogelijk onderbouwd met kadastrale en/of notariële gegevens. Dit heeft [appellante] niet gedaan. Zij heeft zich evenmin uitgelaten over de waarde van de onroerende zaken of de omvang van de verkoopopbrengst. Het hof kan dan ook geen nadere specificatie geven van de thans in de verdeling te betrekken onroerende zaken en heeft geen inzicht gekregen in de omvang van de verkoopopbrengst. Nu [appellante] al de gelegenheid heeft gehad om deze stukken over te leggen, zal het hof haar niet nogmaals de gelegenheid bieden. Het hof is van oordeel dat de weigering van [appellante] de bedoelde stukken over te leggen niet gerechtvaardigd is en dat het hof met toepassing van artikel 21 en 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hij geraden acht.

2.8

Het hof constateert dat [geïntimeerde] aanvankelijk heeft gevorderd [appellante] te veroordelen mee te werken aan de levering van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en, indien zij niet meewerkt, op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de aan de dagvaarding in eerste aanleg gehechte notariële akte van levering. Deze vordering heeft [geïntimeerde] in hoger beroep niet gehandhaafd; hij vordert thans vaststelling van de verdeling. Ook de vordering van [appellante] strekt tot vaststelling van de verdeling, al beperkt zij zich in haar vordering tot toedeling van de woning in [woonplaats] an [geïntimeerde] . Het hof zal hierna de verdeling vaststellen. Het hof merkt daarbij op dat partijen voor de goederenrechtelijke werking daarvan de leveringsvoorschriften, zoals die in Nederland respectievelijk Italië gelden nog moeten naleven.

2.9

Het hof zal de woning aan de [adres] in [woonplaats] aan [geïntimeerde] toedelen onder de verplichting de schuld uit hypothecaire geldlening, voor zover nog niet afgelost, over te nemen en als eigen schuld te voldoen onder vrijwaring van [appellante] en onder de verplichting zich maximaal ervoor in te spannen dat [appellante] zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke verbondenheid voor deze schuld.

2.10

Het hof zal de onroerende zaken in Italië en al hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen aan [appellante] toedelen.

2.11

Deze toedelingen zijn tussen partijen niet in geschil. Het hof is bovendien van oordeel dat aldus naar billijkheid rekening is gehouden met de persoonlijke belangen van elk van partijen bij toedeling aan hem respectievelijk haar van de onroerende zaken die deze partij al gedurende tientallen jaren alleen in gebruik heeft.

2.12

Ten aanzien van de waarde van de toegedeelde onroerende zaken overweegt het hof als volgt. Voor de waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] gaat het hof met [appellante] uit van de WOZ waarde daarvan die in 2012 € 620.000,- bedroeg (akte uitlating na tussenvonnis aan de zijde van [appellante] van 26 september 2012). [appellante] is naar zij een en andermaal heeft verklaard, bereid daarop in mindering te brengen verbouwingskosten van € 141.000,-. Per saldo resteert dan een bedrag van € 479.000,- als waarde van hetgeen aan [geïntimeerde] is toegedeeld. Nu [appellante] geen nadere gegevens in het geding heeft gebracht ten aanzien van de verkoopopbrengst van de door haar verkochte onroerende zaken, kan het hof niet vaststellen wat de waarde is van het aan haar toegedeelde. Het hof ziet, nu [appellante] dit heeft nagelaten, aanleiding met toepassing van artikel 21 en 22 Rv de gevolgtrekkingen te maken die het geraden acht. Het hof zal geen nadere taxatie van de onroerende zaken gelasten, aangezien ook na deze taxatie bij gebreke van de gevraagde nadere gegevens over de verkoopopbrengst niet is vast te stellen wat de totale waarde is van het aan [appellante] toegedeelde. Bovendien acht het hof het gelet op de geschatte waarde van de onroerende zaken in Italië in 1981 van f 700.000,- of € 317.646,70 niet aannemelijk dat de totale waarde van hetgeen aan [appellante] is toegedeeld lager is dan hetgeen aan [geïntimeerde] is toegedeeld. Het hof ziet hierin aanleiding te bepalen dat de toedelingen zullen geschieden zonder verrekening van de waarde van de toegedeelde goederen over en weer. Het hof heeft ook bij deze beslissing naar billijkheid rekening gehouden met de persoonlijke belangen van elk van partijen. Ieder van hen krijgt immers toegedeeld wat hij respectievelijk zij al sedert tientallen jaren met uitsluiting van de ander in gebruik heeft zonder gehouden te zijn die toedeling te hoeven financieren, waarbij het hof op grond van hetgeen daarover in de processtukken is vermeld ervan uitgaat dat de financiële mogelijkheden van elk van partijen om aan de ander enig (substantieel) bedrag te betalen gering zijn. Het hof verwijst daarbij in het bijzonder naar de brief van [X] die is overgelegd ten behoeve van de comparitie van partijen bij dit hof van 3 juli 2013.

2.13

Op grond van al het vorenstaande en de beslissingen in het tussenarrest van 24 februari 2015 slagen de grieven in het principaal hoger beroep die zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de peildatum voor de waardering van de woning in [woonplaats] en de grieven in het incidenteel hoger beroep die zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de vraag of de onroerende zaken in Italië in de gemeenschap van goederen zijn gevallen. De overige grieven falen of kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Het hof zal de bestreden vonnissen van 20 juni 2012 en 19 december 2012 van de rechtbank Arnhem vernietigen, opnieuw recht doen en beslissen als volgt.

2.14

Het hof zal de proceskosten in het principaal en het incidenteel hoger beroep compenseren, nu deze procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen ex-echtgenoten betreft.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Arnhem van 20 juni 2012 en 19 december 2012, en doet opnieuw recht;

deelt toe aan [geïntimeerde] : het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, gelegen aan [adres] in [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Heumen sectie G nummer 3711, groot 46 are en 3712, groot 46.25 are;

onder de verplichting voor hem om de schuld uit hypothecaire geldlening die partijen in 1978 zijn aangegaan bij de Stichting Gelders-Utrechtse Spaarbank, voor zover nog niet afgelost, over te nemen en als eigen schuld te voldoen onder vrijwaring van [appellante] en onder de verplichting zich maximaal ervoor in te spannen dat [appellante] zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke verbondenheid voor deze schuld;

deelt toe aan [appellante] :

- het 21/36e aandeel in drie onroerende zaken, bestaande uit een openbare ruimte gelegen op de benedenverdieping en twee appartementen gelegen op de eerste en tweede verdieping aan de [adres] in het centrum van de stad [woonplaats] (Nieuw Stedelijk Kadaster - Gemeente Conegliano nr. 1085);

- een landbouwbedrijf van circa 6 hectare deels zaailand en deels weiland met bijbehorend agrarisch gebouw, gelegen in de gemeente San Pietro di Felleto (Nieuw Terreinen-Kadaster - Gemeente S. Pietro di Felleto- perceel nr. 658), ter grootte van 6.12.97 hectare;

dan wel hetgeen daarvoor in de plaats is getreden;

bepaalt dat partijen over en weer niet zijn gehouden tot vergoeding van de overwaarde van hetgeen aan ieder is toegedeeld of tot verrekening van deze overwaarde over en weer;

compenseert de kosten van deze procedure in het principaal en het incidenteel hoger beroep, zodat ieder partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, J.H. Lieber en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2015.