Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6245

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
200.136.048
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:2773, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanbieden van onderwijs aan zieke leerling. Volle toetsing aan de maatstaf dat het aangeboden onderwijs in deze situatie adequaat moet zijn. Het hof is van oordeel dat over het geheel genomen niet kan worden vastgesteld dat CVO niet aan haar verplichting heeft voldaan om zodanige voorzieningen aan te bieden dat de leerling in staat werd gesteld om tijdens zijn ziekte op adequate wijze voldoende onderwijs te blijven genieten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2015/479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.048

(zaaknummer rechtbank Utrecht/Midden-Nederland 317551)

arrest van de tweede kamer van 25 augustus 2015

in de zaak van

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],
echtgenoten, en hun zoon

3. [appellant sub 3],

allen wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

advocaat: mr. I.P.M. Boelens,

tegen:

de stichting

Stichting voor Christelijk Voortgezet Onderwijs voor Zuidoost-Utrecht,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

Partijen zullen [appellanten] (en afzonderlijk de ouders en [appellant sub 3] ) en CVO worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 25 april 2012 en 31 juli 2013 die de rechtbank Utrecht respectievelijk rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen [appellanten] als eisers en CVO als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 oktober 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, met één productie,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van 1 april 2015.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof de zaak verwezen naar de rol voor uitlating doorhaling (na schikking) of vragen van arrest. Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd. Het hof heeft arrest bepaald op het ten behoeve van het pleidooi overgelegde dossier.

3. De vaststaande feiten

3.1

Na de zomervakantie van 2005 is [appellant sub 3] begonnen op het VWO aan het Revius Lyceum in Doorn. Het CVO is het bevoegd gezag van het Revius Lyceum. [appellant sub 3] leed aan een ‘ontregeld autonoom zenuwstelsel’. In een verklaring van [de huisarts] , huisarts van [appellant sub 3] , van 29 februari 2008 staat daarover onder meer:

“Ik ken [appellant sub 3] al zijn hele leven, hij heeft altijd al een matige weerstand gehad, hetgeen vorig jaar door een immunoloog van het UMC is bevestigd.

Deze heeft aangegeven dat [appellant sub 3] tot zijn 17e/18e jaar last zal houden van een ontregeld autonoom zenuwstelsel, met als klachten tekort aan energie, snel vermoeid, aanvallen van het erg koud hebben, kramp op de borst, veel en vaak hoofdpijn, buikpijn en slecht slapen ondanks medicatie.

In overleg met mij en uiteraard met school is afgesproken dat [appellant sub 3] gedoseerd naar school gaat, dit kan per dag verschillen, afhankelijk van zijn gezondheidstoestand. (…)”

Gedurende zijn schooltijd zijn de gezondheidsklachten van [appellant sub 3] toegenomen.

3.2

Als gevolg van deze gezondheidsklachten hebben [appellanten] besloten dat het voor [appellant sub 3] beter was dat hij in 2008 van 3 VWO naar 4 HAVO zou gaan, zodat hij het wat rustiger zou krijgen. Na de overstap naar het HAVO nam het schoolbezoek van [appellant sub 3] zodanig af dat hij (bijna) geen lessen meer volgde en geen toetsen maakte.

3.3

De ouders hadden bij e-mail van 10 juli 2008 aan [de teamleider] (teamleider havo 3, 4 en 5 van het Revius Lyceum) laten weten dat zij een gesprek wilden hebben om de overstap van [appellant sub 3] van 3 VWO naar 4 HAVO door te spreken. Dit gesprek vond op de eerste schooldag, 3 september 2008, plaats. De ouders hebben vervolgens bij e-mail van 7 september 2008 de nieuwe mentor van [appellant sub 3] , [de mentor] , om een gesprek gevraagd. [de mentor] heeft hun bij e-mails van 8 en 11 september 2008 bericht dat zij het belangrijk vond om eerst met [appellant sub 3] zelf te spreken. Daarvan kwam het niet, omdat [appellant sub 3] haar bij een kort schoolbezoek misliep en vervolgens niet in staat was om naar school te komen. Bij e-mail van 22 september 2008 vroegen de ouders [de mentor] nogmaals om een gesprek met hen te hebben. Bij e-mail van 23 september 2008 stelde [de mentor] voor om, nu duidelijk was dat [appellant sub 3] heel weinig lessen zou kunnen volgen, zeer binnenkort met [appellant sub 3] , de ouders en [de teamleider] af te spreken om te bekijken wat de mogelijkheden waren.

Op 28 september 2008 schreef [de teamleider] vervolgens aan de ouders:

“Bij ons vorige gesprek hebben we afgesproken dat [appellant sub 3] volgens een op hem aangepast rooster naar school komt. Daar is tot nu toe weinig van terecht gekomen, [appellant sub 3] heeft nog geen les gevolgd.

Graag wil ik met u en met [appellant sub 3] zelf overleggen hoe dit nu verder moet. (…)”

3.4

Op 14 november 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant sub 3] en [de mentor] . Naar aanleiding van dit gesprek schreven de ouders in een e-mail aan [de teamleider] van 1 december 2008 onder meer het volgende:

“(…) Inmiddels heeft [appellant sub 3] op 14 november een gesprek gehad met [de mentor] . Ik had begrepen dat [de mentor] zodra zij [appellant sub 3] had gesproken en zou weten wat hij wil, hem zou helpen en ondersteunen. Dat werd in de ontvangen e-mails gezegd. In het gesprek, gaf [de mentor] echter aan dat zij niets voor [appellant sub 3] kan doen als hij niet naar school komt. Het gesprek kwam er op neer, dat [appellant sub 3] gewoon naar school moet komen en de lessen volgen van de tweede periode. Verder moet hij in de loop der tijd wat hij achter is (alle toetsen van de eerste periode) maar inhalen. (…) De gezondheid van [appellant sub 3] speelt kennelijk geen rol. (…)

Als [appellant sub 3] antwoordbladen of iets anders wil van docenten, dan moet hij dat zelf maar aan de docenten vragen. [de mentor] vindt het niet zinvol om de antwoordbladen van Nederlands aan [appellant sub 3] te geven, want zij weet niet of hij de stof begrijpt. (Eerst waren ze er niet, toen werden ze niet gebruikt en nu is het niet zinvol om ze te geven). (…)”

3.5

Bij e-mail van 1 december 2008 antwoordde [de teamleider] onder meer het volgende:

“(…) [de mentor] heeft tegen [appellant sub 3] gezegd dat hij moet proberen om twee lesuren per dag te volgen (…). Dit is iets anders dan gewoon naar school komen. [de mentor] kan dan met hem zijn rooster doornemen en bekijken welke vakken [appellant sub 3] op welke dagen volgt. Ook is het dan mogelijk om een schema van in te halen toetsen te maken.

In ons laatste gesprek hebben wij gesproken over het opsplitsen van havo 4 in twee jaar. Daar zou u met [appellant sub 3] nog over praten. Welke keuze wordt er gemaakt?”

3.6

In antwoord hierop hebben schreven de ouders op 7 december 2008 aan [de teamleider] :

“Wij begrijpen best, ook [appellant sub 3] , dat het wenselijk is dat [appellant sub 3] naar school komt. Hij blijft echter niet zomaar thuis, maar tobt enorm met zijn gezondheid.

Om te proberen een en ander langzaam op te bouwen en te kijken of dit lukt, zou [appellant sub 3] graag in de periode tot de kerstvakantie willen beginnen met het inhalen van enkele sets. Na de kerstvakantie wil hij dan proberen om bijvoorbeeld weer een lesuur per dag naar school te komen. Dan kan hij zien hoe dat gaat.

Omdat [appellant sub 3] zijn gezondheidsklachten onvoorspelbaar zijn, weet je nooit hoe hij zich het volgende moment voelt. Hierdoor is het voor hem moeilijk om afspraken te maken.

Is het mogelijk dat u de sets die [appellant sub 3] moet maken verzamelt, zodat hij deze als hij zich goed voelt op een rustige plaats op school kan komen maken en zodat deze dan bijvoorbeeld bij u beschikbaar zijn? Vorig jaar is ook een dergelijke werkwijze toegepast.

Wij hebben het voorstel om het schooljaar in twee jaar op te splitsen, natuurlijk met [appellant sub 3] besproken. [appellant sub 3] kan echter op dit moment die keuze nog niet maken. Hij is al teruggegaan van VWO naar HAVO en ziet dit als de volgende stap terug. Hij wil graag eerst kans krijgen om het in één jaar te doen. Als na enige tijd toch blijkt dat dit door zijn gezondheid niet zal gaan lukken, dan wil hij graag op dat moment in overleg met u deze keuze maken.

Wij hebben dit ook besproken met de huisarts en ook hij vindt het op dit moment te vroeg om dit te beslissen en vindt dit slecht voor zijn gevoel van eigenwaarde. Deze vraagt zich af waarom de school hem niet de helpende hand reikt en hem alleen het noodzakelijke laat doen. (…)”

3.7

Hierop heeft [de teamleider] op 15 december 2008 geantwoord:

“Uiteraard kan [appellant sub 3] toetsen inhalen, hij kan daarvoor afspraken maken met zijn docenten. [de mentor] kan daarbij eventueel bemiddelen, daar is een mentor voor. Direct contact met de docent zoeken levert vaak het beste resultaat (…). Hij kan voor de vakken waarvan hij de toets wil maken met de docent afspreken dat die de toets in het opvanglokaal leggen. (…)

Van de schoolarts weet ik dat [appellant sub 3] weer naar school moet komen, weliswaar in een opbouwend tempo. Het zou goed zijn als [appellant sub 3] met [de mentor] naar zijn rooster kijkt en elke dag een les aangeeft waar hij naartoe komt. Zij communiceert dat dan met de betreffende docenten. (…)”

3.8

Bij e-mail van 18 december 2008 hebben de ouders aan [de teamleider] geschreven:

“Zoals u weet, heeft [appellant sub 3] aan de verschillende docenten gevraagd om de antwoordbladen (…).

De schoolarts heeft overigens naar ons niet aangegeven dat [appellant sub 3] naar school moet. De schoolarts heeft in het gesprek met ons aangegeven dat zij van mening is dat de school [appellant sub 3] zou moeten helpen, ook als hij door ziekte niet naar school kan. Natuurlijk vindt zij, net als wij als ouders, het sociale contact met andere kinderen op school belangrijk en zij vond dat de mentor hierin een taak had, ook als [appellant sub 3] ziek thuis was. [appellant sub 3] heeft zelf bij [de schoolarts] aangegeven dat hij graag eerst wat sets zou willen inhalen en daarna zou willen proberen of hij bijvoorbeeld een uur per dag naar school zou kunnen. (…) [de schoolarts] was dit met hem eens en vond dit een goede oplossing. (…) Woensdag heb ik nog met de schoolarts gebeld en zij heeft mij verteld dat zij u alleen heeft verteld dat [appellant sub 3] probeert, om als het gaat bijvoorbeeld een uur naar school te komen. (…)”

3.9

[de teamleider] heeft hierop bij e-mail van 18 december 2008 geantwoord:

“Gisteren heb ik opnieuw met de schoolarts, [de schoolarts] , gesproken. Het verhaal zoals u dat beschrijft, is niet geheel gelijk aan het verhaal van [de schoolarts] . Ik heb daarom de passage in uw bericht welke over de schoolarts gaat naar haar gemaild. Dit om ruis te voorkomen.

De schoolarts en ik zijn het erover eens dat [appellant sub 3] niet gelijk weer volledig naar school kan komen. Dit moet opgebouwd worden, maar dat [appellant sub 3] na de vakantie wel met dit opbouwen begint. Begeleiding van een psycholoog daarbij behoort tot de mogelijkheden. Van haar heb ik ook begrepen dat er begeleiding via het EDI ingezet zou kunnen worden, mits u als ouders daarmee akkoord gaat. (…)”

3.10

De ouders hebben bij e-mail van eveneens 18 december 2008 aan [de teamleider] bericht:

“(…) Wat betreft uw opmerking over inschakeling van EDI het volgende: [de schoolarts] gaf woensdag aan, dat dit eventueel nog een mogelijkheid was als de school [appellant sub 3] onvoldoende ondersteunde. Zij vertelde mij dat deze instantie zieke kinderen die niet naar school kunnen ondersteunt. Eventueel kon ik bij deze instantie informatie inwinnen. Als ik daarna inschakeling van EDI zou willen, dan zou ik haar dit telefonisch mededelen. Pas dan zou zij dit met u bespreken en u vragen om [appellant sub 3] aan te melden. (…)”

3.11

Bij e-mail van 30 januari 2009 hebben de ouders aan [de teamleider] geschreven:

“Vlak voor de kerstvakantie heb ik met u onder andere gesproken over het eventueel inschakelen van Eduniek voor de begeleiding van [appellant sub 3] . Wij hebben toen afgesproken dat wij eerst informatie zouden inwinnen. Dit hebben wij inmiddels gedaan en het lijkt ons goed dat Eduniek wordt ingeschakeld. Zoals u wellicht weet, dient dit door de school aangevraagd te worden. (…)

In het eerder genoemde gesprek met u, hebben wij ook gesproken over de mogelijkheid van een andere mentor voor [appellant sub 3] . (…) Ik heb hier echter nog niets over vernomen..

Gistermiddag is [appellant sub 3] naar school geweest om een repetitie aardrijkskunde te maken die voor hem was klaargelegd in het opvanglokaal. De repetitie bleek echter niet meer in het opvanglokaal te liggen. (…) Van de vijf keer dat [appellant sub 3] naar school is geweest om repetities in te halen is hij nu drie keer voor niets geweest. (…)”

Zoals bij u bekend, is het voor [appellant sub 3] erg moeilijk om precies af te spreken wanneer hij een toets komt maken. Zijn gezondheidstoestand is erg wisselend. Het moet toch mogelijk zijn om de toetsen in het opvanglokaal te bewaren tot [appellant sub 3] deze gemaakt heeft. Of is het anders mogelijk dat de toetsen ergens anders op school verzameld worden, waar ze altijd voorhanden zijn?”

3.12

[de teamleider] heeft bij e-mail van 30 januari 2009 geantwoord:

“Toetsen gaan altijd terug naar de docent als de leerling niet is geweest. Als [appellant sub 3] op een afgesproken moment niet komt, laat hij dan even contact opnemen met de school. Wat de mentor betreft, met [de docent] heb ik afgesproken dat hij voor wat betreft [appellant sub 3] de mentortaken van [de mentor] over neemt. (…) Deze week heb ik ook nog gesproken met de schoolarts, [de schoolarts] . Wij hebben afgesproken dat we het niet op school komen van [appellant sub 3] opnieuw bij de leerplichtambtenaar neer leggen. Op grond van het onderzoek van de schoolarts zien wij beiden geen reden waarom [appellant sub 3] niet een deel van de dag naar school kan.”

3.13

Het Revius College heeft direct na 30 januari 2009 contact opgenomen met Eduniek. De begeleiding door Eduniek is vervolgens een maand later aangevangen, onder leiding van [de begeleider] van de Koninklijke Auris Groep (verder: Auris) namens Eduniek.

3.14

Over het schoolverzuim van [appellant sub 3] is contact geweest tussen de ouders en [de leerplichtambtenaar] , de leerplichtambtenaar van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het Revius Lyceum heeft ook contact met haar gehad. In een brief van 12 februari 2009 heeft [de leerplichtambtenaar] aan de ouders geschreven:

“In het gesprek vertelde u dat de problemen op school in september 2008 begonnen zijn. [appellant sub 3] is zijn leven al veel ziek maar door de goede afspraken met school heeft dit nog niet eerder tot problemen geleidt. In september 2008 is uw zoon van Vwo3 naar Havo4 gegaan omdat dit meer rust in zijn leven zou brengen. Helaas zijn u en school niet tot afspraken gekomen die er toe leiden dat [appellant sub 3] ondanks ziekte zijn Havo tot een goed einde kan brengen. U wijt dit aan de school en geeft aan dat school afspraken niet nakomt en niet mee wíl denken om [appellant sub 3] zijn schoolgang te waarborgen. U hebt het gevoel dat school de klachten van [appellant sub 3] niet serieus neemt, ondanks medische verklaringen die u bij school heeft ingeleverd. Uw wens is om door middel van bemiddeling tot goede afspraken te komen met het Revius Lyceum zodat [appellant sub 3] volgend jaar met goed gevolg zijn Havo kan afronden. Daarnaast heeft u contact opgenomen met Eduniek (…).

Daarnaast heb ik u gewezen op de Leerplichtwet 1969. Zonder medische verklaring kan ik niet toestaan dat [appellant sub 3] de school niet conform het lesrooster bezoekt en zal ik een proces-verbaal opmaken ten bate van de officier van justitie.

Ik vertrouw erop dat dit niet nodig zal blijken omdat we op basis van bovenstaande tot een aantal goede afspraken zijn gekomen:

- U zorgt op zo kort mogelijke termijn voor een medische verklaring van een huisarts of internist waarin staat dat [appellant sub 3] wegens medische redenen niet in staat is volledig dagonderwijs te volgen.

- (…)”

3.15

Op 4 maart 2009 heeft [de begeleider] een eerste verslag uitgebracht. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

“Conclusie is dat het schoolse functioneren van [appellant sub 3] op dit moment minimaal is. Hij komt nauwelijks naar school. (…)

Zowel school als ouders zijn bereid stappen te zetten. Zo bood school [appellant sub 3] aan om een aangepast programma te volgen. Dit wilde hij destijds niet: hij ervaarde de overstap naar de Havo als een stap terug en Havo 4 in twee jaar doen wilde hij er niet bijhebben. (…) Ons gezamenlijke doel is dat we de mogelijkheden onderzoeken om [appellant sub 3] weer naar school te laten gaan. (…)

De mogelijkheid van het volgen van een bepaald aantal vakken is met ouders nogmaals besproken. Zij zien het voordeel hiervan in. (…)

Ouders bespreken met [appellant sub 3] het volgende concrete voorstel:

- op drie vaste momenten in de week op school toetsen inhalen voor een beperkt aantal vakken;

- voor deze vakken proberen het jaar voldoende af te sluiten.

Dit laten ouders (of [appellant sub 3] zelf) weten. Daarna volgt een gesprek op school tussen de heer [de teamleider] , ouders, [appellant sub 3] en [de begeleider] om gezamenlijk constructieve stappen te zetten en het voorstel concreet vorm te geven (welke vakken, welke toetsmomenten). [de begeleider] neemt het initiatief tot het maken van de afspraak. (…)

In een aanvullend gesprek op 11 maart j.l. met ouders zijn de volgende stappen afgesproken:

- er komt een gesprek tussen [appellant sub 3] en [de begeleider]

- daarna volgt een gesprek op school met [appellant sub 3] , ouders, school en [de begeleider] waarin we in gezamenlijkheid proberen te komen tot een concreet plan

- in juni 2009 evalueren we gezamenlijk het plan en de uitvoering daarvan.”

3.16

In zijn verslag van 8 april 2009 heeft [de begeleider] geschreven:

“Uitgangspunten:

- Op advies van de huisarts moet [appellant sub 3] zijn schoolbezoek zoveel mogelijk beperken. (…)

Stand van zaken:

Voor wiskunde, aardrijkskunde en economie heeft [appellant sub 3] de toetsen van periode 1 afgerond. (…)

[appellant sub 3] is nu bezig met de toetsen geschiedenis en godsdienst (periode 2, voor godsdienst is in periode 1 geen toets, dit vak wordt in klas 4 afgerond).

Voor Nederlands, geschiedenis, M&O en maatschappijleer is de toets van periode 1 nog niet gemaakt.

Afspraken:

[appellant sub 3] mag elke middag (na 13.00 uur) op school een toets komen maken. Hij geeft ruim van te voren aan [de docent] aan (per mail) voor welk vak hij bezig is om de toets voor te bereiden.

[de docent] zorgt dat deze toets in het opvanglokaal ligt. De toets blijft daar liggen totdat [appellant sub 3] deze heeft gemaakt.

[appellant sub 3] belt een half uur van te voren naar [de docent] op om te melden dat hij een toets komt maken (…).

De toetsen maakt [appellant sub 3] in het opvanglokaal. (…)

Over de leerstof is contact tussen [de docent] en de desbetreffende docent. Dit om te bepalen of [appellant sub 3] alleen de toets hoeft te maken of ook de SO’s. [de docent] mailt dit naar [appellant sub 3] .

[appellant sub 3] communiceert per mail met de desbetreffende docent over de stof zelf. Het gaat hierbij om duidelijkheid te krijgen over wat [appellant sub 3] precies moet leren (…).

Welke vakken?

Het hele pakket doen is praktisch onmogelijk. Met een beperkt pakket kan [appellant sub 3] gespreid zijn schoolexamens doen als voorbereiding op het Centraal Schriftelijk (3 jaar over klas 4 en 5). (…)

Ouders bespreken de pakketkeuze met [appellant sub 3] en mailen dit naar school en [de begeleider] . (…)”

3.17

Vervolgens zijn de docenten door Auris ingelicht over de gemaakte afspraken. In een ongedateerde brief aan de docenten economie, maatschappijleer, Engels, wiskunde en godsdienst heeft [de begeleider] , mede namens [de docent] , geschreven:

“(…) [appellant sub 3] heeft er voor gekozen om voor jullie vakken het vierde jaar te gaan afsluiten door de toetsen te gaan maken.

In overleg met [appellant sub 3] zijn ouders en [de docent] proberen we met jullie tot een aantal afspraken te komen.

Afspraken:

[appellant sub 3] mag elke middag op school een toets komen maken. Hij geeft ruim van te voren aan [de docent] aan voor welke toets hij zich gaat voorbereiden. (…)

Om zich goed voor te bereiden is het voor [appellant sub 3] zinvol dat hij beschikt over de antwoordbladen van het maakwerk.

Gezien zijn belasting is het gerechtvaardigd om per vak te beoordelen wat hij kan laten vallen zodat hij alleen doet wat voor het examen strikt noodzakelijk is. (…)”

3.18

Tijdens de evaluatie van 29 juni 2009 werd vastgesteld dat [appellant sub 3] niet alle vakken voor 4 havo had afgerond, zodat hij niet naar 5 havo kon worden bevorderd.

3.19

In het verslag van 18 januari 2010 (in schooljaar 2009/2010) schreef [de begeleider] :

“De lichamelijke van [appellant sub 3] is door zijn ziekte van dien aard dat hij nog steeds zeer beperkt belast kan worden om toetsen te maken.

In verband hiermee kiezen [appellant sub 3] en zijn ouders niet voor een gespreid examen. Omdat dit binnen twee jaar afgerond moet worden (wettelijke kaders) zou dit té veel druk geven bij [appellant sub 3] .

Er wordt gekozen om eerst de vakken van de vierde klas af te ronden. De insteek is dat dit vóór de zomervakantie gebeurt omdat [appellant sub 3] dan twee jaar over de vierde klas heeft gedaan. Dit is de maximale termijn die school stelt.

[appellant sub 3] geeft zelf aan dat zijn tempo van toetsen maken ook laag ligt omdat hij weinig motivatie krijgt van het steeds werken aan een beperkt aantal vakken (godsdienst, economie, maatschappijleer en Engels; wiskunde is afgerond).

Het verzoek is om nu ook met de andere vakken verder te gaan. School staat hier niet afwijzend tegenover.

De volgende stappen worden afgesproken:

1. [de docent] informeert bij de docenten van de overige vakken wat voor hun vak van [appellant sub 3] wordt verwacht, rekening houdend met zijn situatie. (…)

2. [de docent] licht [appellant sub 3] hier in een gesprek over in en maakt een (ruwe) planning met hem.

(…)

4. In april 2010 is er een evaluatie.”

3.20

Vervolgens heeft [appellant sub 3] ervoor gekozen, naast de vakken waarmee hij al bezig was, ook met de vakken aardrijkskunde, Duits, geschiedenis en Nederlands te beginnen. De betreffende docenten zijn hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

3.21

In zijn e-mail van 22 maart 2010 aan de ouders schreef [de begeleider] :

“Het gesprek op school heeft nog niet plaatsgevonden.

Er is inderdaad afgesproken dat [de docent] bij de docenten van de overige vakken zou informeren naar de eisen. Hij zou daarna [appellant sub 3] in een gesprek op de hoogte brengen en alvast een ruwe planning maken. (…)

Ik heb ook niets van school vernomen en verkeerde in de veronderstelling dat nog aan de eerste twee stappen werd gewerkt. Nu dit niet zo blijkt te zijn, lijkt het mij zinvol om contact met [de docent] op te nemen. (…)

Overigens zou het zinvol zijn geweest als [appellant sub 3] even contact had gezocht met [de docent] toen bericht uitbleef. (…) Ik ga een gesprek niet uit de weg maar ik heb wel het idee dat [appellant sub 3] nu (te) veel op de begeleiding steunt. We hebben er voor gezorgd dat de voorwaarden zijn geschapen om een stap vooruit te zetten en als er iets niet loopt zoals dat zou moeten dan denk ik dat [appellant sub 3] daar ook een aandeel in heeft en kan nemen. De begeleiding is er ook op gericht om [appellant sub 3] ’s rol, binnen zijn omstandigheden, langzaam aan te vergroten.”

3.22

Bij brief van 21 mei 2010 aan de ouders schreef [de teamleider] namens het Revius Lyceum:

“Via [de docent] , de mentor van [appellant sub 3] , ontvang ik informatie dat [appellant sub 3] dit jaar het programma van havo 4 niet afrondt ondanks alle hulp en begeleiding die is ingezet. Dit betekent dat [appellant sub 3] de kans loopt niet bevorderd te worden naar havo 5 en hij meer dan drie jaar gaat doen over twee opeenvolgende leerjaren.

Als [appellant sub 3] inderdaad niet wordt bevorderd naar havo 5 treedt de regel in werking dat de opleiding van [appellant sub 3] aan het Revius stopt en hij een andere opleiding zoekt. Daarbij kan de decaan hem begeleiden.

Wij beseffen dat de situatie van [appellant sub 3] een bijzondere is. Dat neemt niet weg dat wij ook voor [appellant sub 3] bovenstaande regel hanteren.

De docentenvergadering naar aanleiding van de cijferrapporten vindt pas eind juni plaats en er wordt ook pas dan een besluit over een bevordering genomen. Toch willen wij u graag op tijd op de hoogte brengen van de consequenties van het niet bevorderd worden.”

3.23

In zijn verslag van 21 juni 2010 schreef [de begeleider] :

“(…) Het afronden van Havo 4 is dus niet gehaald.

Hoe nu verder?

De school geeft aan dat [appellant sub 3] - gezien het verloop van zijn ziektebeeld - fysiek niet in staat zal zijn om aan de (Centraal Schriftelijke) exameneisen te voldoen (aanwezigheid op vaste momenten). Hij loopt vaak tegen zichzelf aan en hier is nauwelijks verbetering in te zien.

In verband hiermee én het feit dat hij Havo 4 niet heeft afgerond, zal hij het Revius moeten verlaten.

Ouders zien in dat het halen van het Havodiploma op het Revius niet haalbaar is.

De vraag aan de school is of - onder bepaalde condities (…) - [appellant sub 3] toch Havo 4 zou mogen afronden op het Revius.

De overstap naar een andere vorm van onderwijs zou met een overgangsrapport naar Havo 5 wellicht soepeler kunnen verlopen.

[de teamleider] neemt deze vraag mee naar de rector, [de rector].

De rector zal hierop naar ouders toe reageren vóór de zomervakantie.”

3.24

Bij brief van 7 juli 2010 aan de ouders schreef [de rector], rector van het Revius Lyceum:

“De docentenvergadering heeft besloten dat [appellant sub 3] doubleert in havo 4. Daar [appellant sub 3] ook vorig schooljaar in havo 4 zat, treedt de regel in werking dat een leerling die meer dan twee jaar over hetzelfde leerjaar doet de opleiding dient te verlaten.

U heeft gevraagd om op deze regel een uitzondering te maken in verband met de ziekte van [appellant sub 3] . Wij doen dat niet, omdat wij geen mogelijkheden zien dat [appellant sub 3] binnen afzienbare tijd zijn havo diploma bij ons op school kan halen.”

3.25

Op 15 juli 2010 heeft de raadsman van [appellanten] CVO aansprakelijk gesteld.

CVO heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3.26

Vanaf begin 2011 is [appellant sub 3] zich met thuisstudie via het LOI gaan voorbereiden op staatsexamens. Hij moet nog één vak halen voor het staatsexamen VWO. Hij is van plan na de zomer van 2015 een studie economie te gaan volgen. Zoals bij het ziektebeeld past, zijn de gezondheidsklachten van [appellant sub 3] na zijn 18e jaar overgegaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellanten] hebben in deze procedure gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat CVO toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de onderwijsovereenkomst met [appellant sub 3] , dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant sub 3] . Voorts hebben zij gevorderd dat CVO zal worden veroordeeld tot vergoeding van de geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, met rente en kosten. [appellanten] hebben hieraan ten grondslag gelegd dat CVO de in artikel 6b van de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) neergelegde verplichting heeft geschonden om het onderwijs zodanig in te richten dat leerlingen die in verband met ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten. CVO heeft verweer gevoerd. De rechtbank heeft bij het eindvonnis van 31 juli 2013 de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. [appellanten] komen in hoger beroep, onder aanvoering van 16 grieven, tegen dit vonnis op.

4.2

Met grief I voeren [appellanten] een aantal bezwaren aan tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Nu het hof in het bovenstaande de feiten opnieuw heeft vastgesteld, rekening houdend met deze bezwaren, behoeft hierop niet meer afzonderlijk te worden ingegaan. Waar nodig zullen de bezwaren bij de beoordeling van de overige grieven worden betrokken.

4.3

Grief II is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de precieze kwalificatie van de rechtsverhouding tussen partijen in het midden kan blijven. Volgens [appellanten] maakt het voor de wijze waarop het handelen van de school wordt getoetst wel degelijk verschil of de relatie leerling-school wel of niet als overeenkomst wordt benoemd. Deze grief faalt.

Zoals de rechtbank heeft overwogen, moet het handelen van het Revius Lyceum worden beoordeeld naar de norm van hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam onderwijsinstituut mag worden verwacht, ongeacht de vraag of aan de rechtsverhouding een overeenkomst ten grondslag ligt. Daarbij gaat het in dit geval in essentie om de vraag of CVO haar uit artikel 6b Wvo voortvloeiende verplichting is nagekomen om het onderwijs zodanig in te richten dat [appellant sub 3] ondanks zijn ziekte in staat was om op adequate wijze onderwijs te genieten. Die verplichting geldt ook, ongeacht of wordt aangenomen dat tussen CVO en [appellant sub 3] en/of zijn ouders een onderwijsovereenkomst bestaat of niet. Indien deze verplichting niet is nageleefd, moet in het ene geval worden aangenomen dat CVO in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst is tekortgeschoten en in het andere geval dat CVO onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid maakt dit geen wezenlijk verschil.

4.4

Grief III is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de vordering van [appellanten] in de kern berust op het standpunt dat het Revius College onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht door geen adequaat onderwijs aan [appellant sub 3] te bieden en dus onvoldoende rekening te houden met zijn ziekte. De vraag is volgens [appellanten] niet of de school voldoende rekening heeft gehouden met de ziekte van [appellant sub 3] , maar of de school adequaat onderwijs heeft verzorgd. Naar het oordeel van het hof kunnen deze aspecten echter niet los van elkaar worden gezien. Artikel 6b Wvo houdt in dat het onderwijs zodanig dient te worden ingericht dat leerlingen die in verband met ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.

Deze bepaling is in de wet opgenomen om vast te leggen dat de school verantwoordelijk blijft voor een adequate voortzetting van het onderwijsprogramma, ook als een leerling ziek thuis is of in het ziekenhuis verblijft. Zoals in de memorie van toelichting is vermeld, kan de school daarbij ter continuering van het onderwijsprogramma ondersteuning inroepen van een schoolbegeleidingsdienst. De school bepaalt het moment waarop extra ondersteuning wordt ingeschakeld. Dit hangt af van de aard en het verloop van de ziekte en de individuele situatie van de leerling (zie Kamerstukken 25871, nr. 3, blz. 1-4). Het spreekt voor zich dat het ook sterk van deze factoren afhankelijk is welke voortzetting van het onderwijsprogramma mogelijk is. De school moet kortom onderwijs aanbieden waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van de zieke leerling, om hem zoveel als mogelijk is in staat te stellen tijdens zijn ziekte onderwijs te blijven volgen. Het hof leest in het vonnis niet dat de rechtbank van een ander oordeel is uitgegaan. De grief faalt derhalve.

4.5

Met grief IV keren [appellanten] zich tegen de overweging van de rechtbank dat een school in beginsel de vrijheid heeft het onderwijs naar eigen bevinden in te richten, zodat de burgerlijke rechter de begeleiding slechts marginaal kan toetsen. Deze grief slaagt. De school heeft weliswaar (in beginsel) de vrijheid om het onderwijs naar eigen bevinden in te richten, en die inrichting kan doorwerken in het onderwijs dat een zieke leerling aangeboden wordt, maar dat neemt niet weg dat het aangeboden onderwijs in deze situatie moet voldoen aan het in artikel 6b Wvo neergelegde vereiste dat het adequaat moet zijn. Of de door de school geboden voorzieningen aan deze maatstaf beantwoorden, kan door de burgerlijke rechter ten volle worden getoetst. Daarbij geldt wel dat de verplichting om voor een adequate (dat wil zeggen: correcte en bij de situatie passende) voortzetting van het onderwijsprogramma zorg te dragen aan de school een zekere beoordelingsruimte laat die de rechter dient te respecteren. Bij de verdere beoordeling zal het hof dan ook van deze benadering uitgaan.

4.6

Grief V richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat het op de weg van [appellanten] ligt om feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat CVO zich onvoldoende heeft ingespannen. [appellanten] menen dat de wettelijke verplichting van de school op dit punt een resultaatsverbintenis is. Volgens hen vloeit hieruit voort dat het aan de school is om gemotiveerd te stellen en te bewijzen dat hetgeen de school heeft gedaan tot resultaat heeft gehad dat [appellant sub 3] de mogelijkheid is geboden voldoende en adequaat onderwijs te genieten. In dit betoog kunnen zij niet worden gevolgd. Het zijn [appellanten] die zich beroepen op het rechtsgevolg van de stelling dat CVO haar verplichting niet is nagekomen om [appellant sub 3] de mogelijkheid te bieden op adequate wijze voldoende onderwijs te genieten. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust daarmee op hen de verplichting om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit de juistheid van dat standpunt blijkt. Wel is het aan de school, als de deskundige partij die over de benodigde gegevens beschikt, om in het kader van haar betwisting dat zij is tekortgeschoten gemotiveerd te stellen welke maatregelen zij heeft genomen en welke voorzieningen zij heeft aangeboden, om aanknopingspunten te bieden voor de beoordeling of de school het onderwijs zodanig heeft ingericht dat de zieke leerling op adequate wijze voldoende onderwijs kon genieten. Of de onderhavige verplichting een inspannings- of resultaatsverbintenis betreft, speelt bij deze bewijslastverdeling geen rol. Overigens deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat het hierbij om een inspanningsverbintenis gaat. Grief V faalt derhalve.

4.7

Met de grieven VI tot en met XII komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat CVO geen adequaat onderwijs heeft geboden en zodoende tekort is geschoten in de naleving van haar zorgplicht, en tegen de overwegingen waarop dat oordeel berust. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.8

Allereerst moet worden vastgesteld dat het ziektebeeld bij [appellant sub 3] diffuus en complex was. Zoals uit de gedingstukken blijkt, was niet op voorhand duidelijk dat [appellant sub 3] gedurende langere tijd niet of nauwelijks op school aanwezig zou kunnen zijn. Ook was het kennelijk zeer wisselend wat [appellant sub 3] aankon. Zo blijkt uit de mededelingen van de ouders in de e-mailcorrespondentie dat de toestand van [appellant sub 3] per dag kon verschillen en dat niet te voorspellen was waartoe hij de volgende dag in staat zou zijn. Daaruit volgt dat een eenvoudige oplossing niet voorhanden was en dus ook niet direct van de school kon worden verwacht. Aanvankelijk bestond kennelijk de verwachting dat de overstap van VWO naar HAVO al zou helpen, omdat [appellant sub 3] het dan rustiger aan zou kunnen doen. Uit de stukken blijkt dat alle betrokkenen - ook [appellant sub 3] en zijn ouders - het schooljaar 2008/2009 zijn ingegaan met de verwachting dat [appellant sub 3] het reguliere onderwijsprogramma (met enige aanpassingen, zoals in de voorgaande jaren) zou kunnen volgen en 4 HAVO gewoon in dat jaar zou kunnen halen. Gaandeweg werd duidelijk dat dit vanwege de beperkingen door zijn ziekte toch niet haalbaar was. Nadat een begeleidingsdienst was ingeschakeld, is de afspraak gemaakt dat [appellant sub 3] een beperkt aantal vakken zou doen, met de bedoeling dat hij dan met één jaar extra de HAVO zou kunnen afronden. In het schooljaar 2009/2010 is er geen verbetering in de situatie gekomen. In het voorjaar van 2010 is besproken dat [appellant sub 3] , naast de vakken waarvoor hij had gekozen, ook weer met de andere vakken verder zou gaan. Dit heeft echter niet tot voldoende vooruitgang geleid. Omdat [appellant sub 3] na twee jaar de vakken van 4 HAVO nog niet had afgerond, heeft de school op basis van haar beleid te kennen gegeven dat zijn opleiding niet aan het Revius Lyceum kon worden voortgezet.

4.9

Geconstateerd kan worden dat de begeleiding in de aanvangsfase traag op gang is gekomen. Nadat [de teamleider] begin september 2008 een bespreking met de ouders had gehad en over een aangepast programma had gesproken, en in een e-mail van eind september 2008 had geconstateerd dat daarvan nog weinig was terecht gekomen en dat [appellant sub 3] nog geen lessen had gevolgd, heeft het tot november 2008 geduurd voordat de mentor een gesprek met [appellant sub 3] had. Kennelijk was de reden daarvan dat de mentor eraan hechtte dat [appellant sub 3] naar school kwam voor dit gesprek, terwijl [appellant sub 3] zich daartoe niet in staat voelde. Dit heeft voor onnodige vertraging gezorgd. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de school gelegen om eerder actie te ondernemen om deze patstelling te doorbreken. Verder valt op dat er kennelijk pas in december 2008 contact met de schoolarts is geweest en toen pas de mogelijkheid van begeleiding/ondersteuning door Eduniek naar voren kwam en met de ouders is besproken. Het feit dat de school geen specifiek beleid heeft voor onderwijs aan zieke leerlingen of een protocol daarvoor kent, zoals de vertegenwoordiger van CVO tijdens het pleidooi verklaarde, heeft de betrokkenen hierbij klaarblijkelijk opgebroken.

Uit de e-mailwisseling in december 2008 tussen de ouders en [de teamleider] blijkt dat in dat stadium van de kant van de school al wel is voorgesteld om de vakken van 4 HAVO over twee jaar te verspreiden, maar dat [appellant sub 3] en zijn ouders - gesteund door de huisarts - het te vroeg achtten om daar toen al toe te besluiten. Partijen hebben zich daarna geconcentreerd op de mogelijkheid dat [appellant sub 3] vakken zou inhalen. Hij kon daarvoor op individuele basis afspraken met de mentor en docenten maken en hij zou de beschikking krijgen over antwoordbladen als deze er waren. Verder heeft de school, in overleg met de schoolarts, erop ingezet dat [appellant sub 3] geleidelijk aan weer naar school zou gaan. [appellant sub 3] en zijn ouders stonden er ook voor open om dit te proberen, maar dit is toch niet van de grond gekomen.

4.10

Nadat de mogelijkheid van externe begeleiding via Eduniek in beeld was gekomen, heeft de school er het nodige aan gedaan om deze begeleiding mogelijk te maken. De ouders hebben begrijpelijkerwijs eerst contact met deze instelling opgenomen om zich over de mogelijke begeleiding te laten informeren. Voor de kerstvakantie hebben partijen daarover afspraken gemaakt. Toen de ouders eind januari 2009 aan de school kenbaar maakten dat zij met inschakeling van Eduniek instemden, heeft de school de begeleidingsopdracht aan Eduniek verstrekt. Hoewel de school ook daarna haar eigen verantwoordelijkheid voor het aanbieden van adequaat onderwijs behield, mocht zij wel verwachten dat Auris (aan wie de begeleiding werd uitbesteed) als gespecialiseerde instelling op dit gebied een passende oplossing zou aandragen. De begeleider die daarvoor werd ingeschakeld, heeft zich daar blijkens het dossier ook uitgebreid voor ingezet. Dit heeft tot diverse afspraken geleid, waaraan de school in beginsel ook uitvoering heeft gegeven. Aan [appellanten] moet worden toegegeven dat het aangepaste programma, waartoe werd besloten, vooral de organisatorische kant en nauwelijks de inhoud van het onderwijs betrof. Zo mocht [appellant sub 3] een beperkt aantal vakken naar eigen keuze volgen en kreeg hij de mogelijkheid om op elk gewenst moment toetsen te maken (in afwijking van de normale gang van zaken, waarin een vast programma wordt gevolgd en vaste data voor toetsen gelden). Verder kreeg hij de mogelijkheid om per e-mail rechtstreeks met de docenten over de stof te communiceren. Voorts had hij de beschikking over de basisleerstof (de lesboeken). De bedoeling was verder dat hij antwoordbladen zou krijgen als deze door de docent werden gebruikt, al blijkt dat in de praktijk weinig inhoud te hebben gehad. Toch kan moeilijk worden gezegd dat het aanbod, gegeven de beperkingen die zich bij [appellant sub 3] voordeden (zie rov. 4.8), niet adequaat was. Daarbij weegt mee dat, zoals de school heeft toegelicht, in de bovenbouw/ tweede fase de onderwijsmethodiek anders is dan in de onderbouw: de studielast bestaat niet langer uit het louter volgen van lessen en de tweede fase is meer gericht op zelfstandigheid, zodat onderwijs op afstand minder bezwaarlijk is. Tijdens het pleidooi is namens CVO verder nog opgemerkt dat onderwijsactiviteiten zoals het geven van presentaties, het voeren van debatten en dergelijke, die in de tweede fase belangrijk zijn, niet goed door een buitenschools alternatief zijn te vervangen. [appellanten] hebben dat op zichzelf niet betwist.

4.11

Over de mate van uitvoering van de gemaakte afspraken verschillen partijen van mening. Zo verwijten [appellanten] de school dat vaker toetsen niet klaar lagen als [appellant sub 3] ze kwam maken en dat geen antwoordbladen werden verstrekt, terwijl andere leerlingen deze wel hadden. CVO erkent dat vast wel eens zal zijn voorgekomen dat het met een toets is misgegaan, maar bestrijdt dat dit meer dan incidenteel was. Ook betwist zij het gestelde over de antwoordbladen. Naar het oordeel van het hof valt uit de gedingstukken onvoldoende op te maken dat de school bij de uitvoering van de afspraken op deze punten structureel tekort schoot. [appellanten] hebben onvoldoende onderbouwd dat dit wel het geval is, zodat het hof aan hun stelling op dat punt voorbij gaat.

4.12

[appellanten] hebben verder nog aangevoerd dat, als thuisonderwijs de enige mogelijkheid was geweest om [appellant sub 3] voldoende en adequaat onderwijs te laten genieten, dat dan inderdaad gegeven had moeten worden. Het hof acht dat standpunt op zichzelf juist. De school behoeft dat onderwijs niet zelf aan te bieden, maar kan daarvoor zo nodig ook een begeleidingsdienst inschakelen. De overweging van de rechtbank dat de verplichting van een school in dit verband niet zover gaat dat een reguliere school - gelet op haar organisatie, haar lesroosters en beschikbare docenten - ook gehouden is thuisonderwijs aan te bieden, onderschrijft het hof in zijn algemeenheid dus niet. Echter, in dit geval is niet gesteld of gebleken dat thuisonderwijs voor [appellant sub 3] een passende oplossing zou zijn geweest.

De grief van [appellanten] hierover (grief IX) kan [appellanten] dus niet baten.

4.13

De stelling van CVO dat [appellant sub 3] wellicht aanspraak had kunnen maken op een leerlinggebonden budget (“rugzakje”), mits hij zou voldoen aan de eisen die in de betreffende regeling worden gesteld, doet bij de onderhavige beoordeling niet ter zake. Op hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht, behoeft daarom niet te worden ingaan.

4.14

Alles overziend is het hof van oordeel dat over het geheel genomen niet kan worden vastgesteld dat CVO niet aan haar verplichting heeft voldaan om zodanige voorzieningen aan te bieden dat [appellant sub 3] in staat werd gesteld om tijdens zijn ziekte op adequate wijze voldoende onderwijs te blijven genieten. De grieven VI tot en met XII stuiten hierop af.

4.15

Grief XIII is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het ervoor moet worden gehouden dat het [appellant sub 3] zelf is die, nadat hij een andere opleiding had gevonden, feitelijk afscheid heeft genomen van het Revius Lyceum en tegen de conclusie dat [appellanten] geen belang meer hebben bij een beroep op eventuele schending van artikel 27 lid 1 Wvo. [appellanten] voeren daarbij aan dat zij de school niet primair verwijten dat zij de genoemde wettelijke verplichting heeft geschonden, maar dat de school [appellant sub 3] niet in staat heeft gesteld zijn opleiding af te ronden. Met grief XIV klagen [appellanten] vervolgens over de overweging van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat leerlingen op het Revius Lyceum niet tweemaal in hetzelfde jaar mogen blijven zitten. Volgens [appellanten] kan de verplichting om de leerling op adequate wijze voldoende onderwijs te laten genieten niet worden omzeild met een beroep op eigen beleid dat er niet twee keer gedoubleerd mag worden. Met grief XV bestrijden zij ten slotte de overweging van de rechtbank dat [appellanten] zelf ook inzagen dat er geen verbetering te verwachten viel. Zij nemen aan dat de rechtbank hierbij doelt op de mogelijkheid van [appellant sub 3] om feitelijk de school te bezoeken en zodoende op school onderwijs te volgen. Volgens hen is niet relevant of hierin verbetering zou komen; in het systeem van de wet is alleen de gezondheidssituatie van [appellant sub 3] relevant voor het invullen van wat adequaat onderwijs zou kunnen zijn. Zij menen verder dat in de beoordeling moet worden betrokken dat vanwege de opstelling van [de mentor] een groot deel van het eerste jaar dat [appellant sub 3] in de vierde klas zat er geen enkele voorziening was getroffen om toetsen te kunnen afleggen en dat de school zich niet heeft gehouden aan de later gemaakte afspraak dat toetsen in het opvanglokaal zouden blijven liggen totdat [appellant sub 3] ze had gemaakt. Naar het hof begrijpt, stellen [appellanten] dat CVO onder deze omstandigheden in elk geval een uitzondering op het schoolbeleid had moeten maken.

4.16

Het hof stelt voorop dat, zoals de rechtbank onbestreden heeft overwogen, het Revius Lyceum niet tot definitieve verwijdering van [appellant sub 3] als bedoeld in artikel 27 lid 1 Wvo is overgegaan, zodat een beroep op dit artikel niet kan slagen. Voor zover [appellanten] klagen over de conclusie van de rechtbank dat [appellanten] om nader genoemde redenen ook geen belang meer hebben bij een beroep op schending van dit artikel, kan hen dit dus niet baten. De vraag blijft daarmee over of CVO [appellant sub 3] in de gegeven omstandigheden gelegenheid had moeten geven om zijn opleiding aan het Revius Lyceum af te maken.

Voor dat oordeel ziet het hof onvoldoende grond. Zoals hiervoor is overwogen, kan niet worden vastgesteld dat CVO in de in geding zijnde periode, over het geheel genomen, niet heeft voldaan aan haar verplichting om voor een adequate voortzetting van het onderwijsprogramma voor [appellant sub 3] zorg te dragen. De onvolkomenheden waarop [appellanten] duiden, zijn onvoldoende om daarover anders te oordelen. De wettelijke verplichting om aan zieke leerlingen op adequate wijze voldoende onderwijs aan te bieden, doorkruist verder niet de bevoegdheid tot verwijdering waarop het bedoelde beleid is gebaseerd. Niet in geschil is dat de school in dat kader het beleid mag voeren dat leerlingen niet tweemaal in hetzelfde leerjaar mogen blijven zitten. De toepassing van dat beleid kan door het hof slechts op redelijkheid worden getoetst. De overweging dat er geen zicht op bestond dat [appellant sub 3] binnen afzienbare tijd zijn HAVO-diploma op het Revius Lyceum zou halen, kan naar het oordeel van het hof het besluit van de school om geen uitzondering op de genoemde regel te maken in redelijkheid dragen. Het voorgaande betekent dat ook de grieven XIII tot en met XV falen.

4.17

Grief XVI mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom verder geen bespreking.

4.18

[appellanten] hebben geen (voldoende concrete) feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan hun bewijsaanbod gaat het hof daarom (en ook omdat het aanbod verder niet is gespecificeerd) voorbij.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden eindvonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

[appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten zullen worden vastgesteld op € 683,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat (3 punten x appeltarief II).

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 juli 2013;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van CVO vastgesteld op € 683,- voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellanten] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, L.M. Croes en S.D. Lindenbergh en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.