Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6166

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
200.144.029/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg beëindigingsovereenkomst. Is een bruto- of een netto vergoeding overeengekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0817
AR 2015/1563
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.144.029/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 581583 CV EXPL 13-3207)

arrest van de eerste kamer van 18 augustus 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Colenbrander, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

Jachtbouw 2000 B.V.,

gevestigd te Hoogezand,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Jachtbouw,

advocaat: mr. L.R.G. Uneken, kantoorhoudend te Zwolle.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 mei 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Op eenparig verzoek van partijen heeft deze comparitie na aanbrengen geen doorgang gevonden en hebben partijen er voor gekozen om verder te procederen in hoger beroep.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven (met producties) d.d. 22 juli 2014;

- de memorie van antwoord (met producties) d.d. 2 september 2014;

- een akte uitlating producties van [appellant] d.d. 14 oktober 2014;

- een antwoordakte zijdens Jachtbouw d.d. 25 november 2014.

1.3

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

De vordering van [appellant] luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen, team handel/kanton van
4 september 2013, gewezen onder zaak-/rolnummer 581583 CV EXPL 13-3207 vernietigen en, opnieuw rechtdoende, gedaagde te veroordelen:

Primair

a. a) tot betaling aan eiser binnen zeven dagen na betekenen aan gedaagde van het te dezen te
wijzen arrest van de restant ontslagvergoeding ter hoogte van € 4.162,15 netto;

b) de buitengerechtelijke incassokosten te dezen vastgesteld op € 541,22;
c) tot betaling van de wettelijke rente over het sub a en b gevorderde, vanaf
1 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening over het sub a en b gevorderde;

Subsidiair

d) aan eiser te betalen een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 4.162,15 netto,

dan wel aan in goede justitie te bepalen bedrag;
a) de buitengerechtelijke incassokosten te dezen vastgesteld op € 541,22;

b) tot betaling van de wettelijke rente vanaf 1 november 2012 tot aan de dag der algehele

voldoening over het sub d en e gevorderde;

Primair en subsidiair

c) tot betaling van de kosten van deze procedure en de kosten van de procedure in eerste

aanleg, een bedrag aan salaris eiser gemachtigde en de nakosten daar inbegrepen."

2 Ten aanzien van de feiten

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Wel heeft [appellant] in zijn eerste grief aangevoerd dat de kantonrechter niet alle relevante feiten heeft vastgesteld. Het hof overweegt dat op zich geen rechtsregel de rechter verplicht om alle feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij zijn erkend of niet weersproken als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

Het hof zal de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld, voor zover voor de beoordeling van het appel relevant, hierna overnemen en aanvullen met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan. Deze feiten luiden:

2.1.

[appellant] is in dienst geweest bij Jachtbouw als cascobouwer, laatstelijk tegen een salaris van € 3.938,49 per maand.

2.2.

Op 27 juni 2012 heeft Jachtbouw haar personeel bijeen geroepen en geïnformeerd over het slechte reilen en zeilen van het bedrijf. Bij die gelegenheid heeft de advocaat van Jachtbouw meegedeeld dat er voor al het personeel ontslagaanvragen zijn opgesteld en dat het de bedoeling van gedaagde is aan alle personeelsleden twee maanden salaris “mee te geven” naast de doorbetaling van het salaris tot einde dienstverband. Aan het einde van de bijeenkomst is de ontslagaanvrage, een begeleidende brief van mr. Uniken en een door deze opgestelde concept-beëindigingsovereenkomst aan het personeel, waaronder [appellant] , ter hand gesteld met het verzoek de overeenkomst vóór 1 juli 2012 te ondertekenen.

2.3.

In de begeleidende brief (productie 4 bij de inleidende dagvaarding) staat onder meer vermeld: “(…) Bij wijze van afvloeiingsregeling betaalt Jachtbouw 2000 aan u een vergoeding gelijk aan 2 bruto maandsalarissen. Het netto bedrag van die vergoeding zal vóór 1 november 2012 aan u worden uitgekeerd.(…)”.

2.4.

In artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst (productie 5 bij inleidende dagvaarding) is ten aanzien van de afvloeiingsvergoeding het volgende vermeld: “Werkgever zal vóór
1 november 2012 ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een bedrag ineens aan werknemer voldoen gelijk aan het netto bedrag ter hoogte van twee bruto maandsalarissen."

2.5.

[appellant] heeft de beëindigingsovereenkomst op 30 juni 2012 ondertekend en in oktober 2012 heeft Jachtbouw aan hem een netto bedrag van € 3.714,83 voldaan, zijnde volgens Jachtbouw het netto equivalent van twee bruto maandsalarissen van [appellant] .

2.6

Van de zes werknemers van wie op deze wijze de arbeidsovereenkomst is beëindigd hebben, naast [appellant] , nog twee Jachtbouw in rechte betrokken, allen met het standpunt dat zij op grond van de beëindigingsovereenkomst recht hebben op betaling van twee bruto maandsalarissen, geheel netto uit te keren.

3 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] betaling van een bedrag van € 4.162,15 netto gevorderd, zijnde het verschil tussen twee bruto-maandsalarissen neerkomende op € 7.876,98 en het uitbetaalde bedrag van € 3.714,83, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.

3.2

De kantonrechter heeft vooropgesteld dat het bij de uitleg van de beëindigingsovereenkomst alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen der maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van belang zijn. De kantonrechter heeft bij deze Haviltex-maatstaf verwezen haar HR 17 september 2004, NJ 2005/169.

De kantonrechter heeft vervolgens overwogen dat het standpunt van [appellant] weliswaar wordt ondersteund door de tekst van artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst, maar dat uit de begeleidende brief en de mededelingen op de bijeenkomst van 27 juni 2012 voldoende duidelijk blijkt dat het de bedoeling van Jachtbouw was dat [appellant] het netto-equivalent van twee bruto-maandsalarissen zou meekrijgen. Ook de subsidiaire grondslag - dwaling - heeft de kantonrechter afgewezen. Van de door [appellant] daartoe gestelde feitelijke voortzetting van het bedrijf, waarbij andere werknemers de door hem gewoonlijk verrichte werkzaamheden hebben overgenomen, is niets gebleken.

4 De beoordeling van de overige grieven

4.1

Grief 2 keert zich ten onrechte tegen de door de kantonrechter toegepaste uitlegmaatstaf (Haviltex). De vraag of [appellant] op grond van de beëindigingsovereenkomst recht heeft op het netto-equivalent van twee (bruto)maandsalarissen als beëindigingsvergoeding, danwel op twee bruto-maandsalarissen, geheel netto uitgekeerd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie voor toepassing van deze maatstaf op een beëindigingsovereenkomst onder meer HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1948 en HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7588).

De contra-proferentemregel, waarvan [appellant] rept, is niet zozeer een regel als wel een gezichtspunt dat binnen de Haviltex-maatstaf een rol speelt, als een der in acht te nemen omstandigheden. De omstandigheid dat de advocaat van Jachtbouw de concept-beëindigingsovereenkomst heeft opgesteld -hetgeen [appellant] schaart onder de contra-proferentemregel - brengt niet met zich dat alleen daarmee uitsluitend nog de grammaticale uitleg van die overeenkomst van belang is (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:

2004:AO7000).

4.2

De grieven 3 tot en met 6 keren zich tegen de uitleg die de kantonrechter aan artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst heeft gegeven; volgens [appellant] had de kantonrechter de door hem voorgestane uitleg dienen te volgen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.3

Het hof constateert dat de tekst van artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst niet eenduidig is. Vaststaat dat Jachtbouw een bedrag aan de betrokken werknemer zoals
[appellant] dient te voldoen. Wat verstaan moet worden onder ''gelijk aan het netto bedrag ter hoogte van twee bruto maandsalarissen” is evenwel voor meerderlei uitleg vatbaar waarbij de bepaling "ter hoogte van" bij bedragen niet bepaald gebruikelijk is. Deze uitdrukking betekent volgens Van Dale hetzij "op gelijke hoogte boven de grond", of "op dezelfde geografische breedte" met synoniemen daarvan als "nabij" en "omtrent". Die betekenissen bieden bij de uitleg weinig soelaas. Daarentegen is de brief van mr. Uneken die bij het concept was gevoegd naar 's hofs oordeel helder: er wordt een vergoeding gelijk aan twee bruto maandsalarissen als afvloeiingsregeling toegekend, waarvan het nettobedrag vóór 1 november 2012 zal worden uitgekeerd.

4.4

[appellant] beroept zich op getuigenverklaringen die in de parallelle procedure [naam zaak] (zaak-/rolnummer Rechtbank Noord-Nederland 2107721 CV EXPL 13-7234) zijn afgelegd).

4.5

[appellant] heeft in die procedure verklaard:

"Daarvoor hadden we een bijeenkomst in de kantine op 27 juni 2012. Dhr. Uneken vertelde dat het bedrijf stopte en hij deed een voorstel over de beëindiging van het dienstverband. We zouden daarbij een vergoeding krijgen van 2 maandsalarissen en in dienst blijven tot
1 september 2012. Ik heb het verhaal aangehoord. Na afloop waren er geen vragen. We kregen een enveloppe uitgereikt waarin het voorstel van de werkgever stond. Ik heb het meegenomen naar huis. Thuis heb ik de vaststellingsovereenkomst gelezen. Ik begreep daaruit dat ik 2 bruto maandsalarissen netto zou beuren. (…)

Tijdens de kantinebijeenkomst is niet een netto bedrag genoemd er is alleen gesproken over een bruto maandsalaris zoals ik zojuist heb verklaard. Dat het om een netto uitkering ging heb ik uit de vaststellingsovereenkomst afgeleid. Nu u mijn verklaring voorleest verduidelijk ik nog eens dat tijdens de kantinebijeenkomst de vergoeding van 2 bruto maandsalarissen is aangeboden."

4.6

[Naam voormalig directeur] heeft in die procedure verklaard:

"Ik ben directeur van Jachtbouw 2000 geweest. (…) Als directeur was ik er in 2012 van op de hoogte dat het niet goed ging met het bedrijf. De verkoopcijfers vielen tegen en er was een geringe liquiditeitspositie. Ik heb de aandeelhouder toen geadviseerd te stoppen. … Ik ben betrokken geweest bij het overleg op welke wijze het dienstverband met betrokkenen zou worden beëindigd. Ik was natuurlijk ook zelf slachtoffer en heb steeds voorgesteld één en ander op een nette manier te regelen. Ik ken het memo van dhr. Uneken dat zich bij de stukken bevindt. … U houdt mij voor dat in dit memo staat dat over de ontslagvergoedingen alleen inkomstenbelasting hoefde te worden uitbetaald. Dit kan wel zijn maar ik ben er steeds van uit gegaan dat de aangeboden 2 maanden bruto maandsalaris netto zouden worden uitgekeerd. Ik was weliswaar directeur van Jachtbouw 2000 maar had op financieel gebied niet zoveel te vertellen. (…). Nogmaals ik ben er steeds van uitgegaan dat het ging om de netto uitbetaling van 2 maandsalarissen. U vraagt mij waaruit ik dit heb afgeleid. In de vaststellingsovereenkomst stond immers hetzelfde. Het klopt dat die vaststellingsovereenkomst later is opgesteld dan het memo, maar ik ging er van uit dat kennelijk de vaststellingsovereenkomst het gevolg was van nadere onderhandelingen.

(…) Over de bijeenkomst van 27 juli 2012 verklaar ik als volgt. Ik heb de medewerkers in de kantine kort toegesproken in die zin dat ik gelijk de aandeelhouder heb gevraagd om het woord te doen. Uneken heeft dit van [naam persoon] overgenomen. Uneken heeft de situatie van het bedrijf uitgelegd en vervolgens gesproken over de ontslagvergoeding. Hij gaf aan dat we het beëindigingscontract voor 1 juli 2012 moesten tekenen. De ontslagvergoeding bedroeg volgens hem 2 bruto maandsalarissen netto uitgekeerd. Er zijn toen wat vragen gesteld met name over de korte termijn maar ook over de hoogte van de vergoeding. Gevraag is: "bruto is dat netto?" Uneken heeft dat bevestigd. (…)

De vraag die tijdens der kantinebijeenkomst over de bruto/netto vergoeding werd gesteld ik verklaarde hiervoor daarover - kwam van [naam zaak] en [naam medewerker] (…)"

4.7

Het memo waarover de getuige [Naam voormalig directeur] heeft gesproken, is overgelegd als productie 4 bij de conclusie van antwoord. Deze memo is gericht aan [Naam voormalig directeur] . Daarin geeft Uneken een inschatting van de duur van de opzeggingsprocedure van de arbeidsovereenkomst ingeval de weg van de ontslagvergunning van het UWV wordt bewandeld in vergelijking met zijn voorstel dat de werknemer twee maandsalarissen als beëindigingsvergoeding aangeboden krijgt. Op pagina 3 van dit memo staat:

"De voordelen van een dergelijke regeling voor Jachtbouw 2000 zijn:

  • -

    geen onduidelijkheid meer over de vraag of (en zo ja, wanneer) de ontslagvergunningen worden verleend;

  • -

    niet genoten vakantiedagen behoeven niet te worden uitbetaald;

  • -

    over de ontslagvergoedingen hoeft alleen IB te worden uitbetaald. De overige secondaire arbeidsvoorwaarden behoeven na datum beëindiging dienstverband niet te worden uitbetaald.

  • -

    (…)"

4.8

[naam zaak] heeft als getuige verklaard:

"(…) Dhr. Uneken voerde hoofdzakelijk het woord. Hij gaf aan dat de werknemers een beëindigingsvergoeding kregen aangeboden bij ondertekening van een overeenkomst tot beëindiging van de dienstbetrekking. Hij deelde mee dat bij ondertekening de werknemer een extra bedrag meekreeg. Letterlijk zei Uneken dat het ging om een nettobedrag ter hoogte van 2 bruto maandsalarissen. Dhr. Uneken heeft dit maar 1 keer gezegd en geen verdere uitleg gegeven. (…)

In ieder geval was het voor mij duidelijk dat er 2 bruto maandsalarissen netto zouden worden uitbetaald. (…)."

4.9

Het hof kan uit het samenstel van deze verklaringen niet de conclusie trekken dat op de kantinebijeenkomst van 27 juni 2012 nog iets naders is gezegd door Uneken dat bij
[appellant] de gerechtvaardigde indruk heeft doen wekken dat hij twee bruto-maandsalarissen volledig netto uitbetaald zou krijgen. Het hof merkt daartoe eerst op dat, anders dan Jachtbouw stelt, de omstandigheid dat [Naam voormalig directeur] en [naam zaak] ook een soortgelijke procedure hadden geëntameerd als [appellant] , nog niet maakt dat zij in deze procedure de status van partijgetuige dienen te krijgen. Wel is dat reden om hun verklaringen met de nodige distantie tet beoordelen.

4.10

De enige getuige die onomwonden verklaard heeft dat op de kantinebijeenkomst gezegd zou zijn dat bij de vergoeding bruto gelijk zou staan aan netto, is [Naam voormalig directeur] . Zijn verklaring wekt ook bij het hof evenwel de nodige verwondering, omdat hij als directeur in bijzondere mate op de hoogte was van de financiële speelruimte van Jachtbouw. In het aan hem gerichte memo van mr. Uneken van 19 juni 2012 staat dat er geen garantie is dat Jachtbouw de lonen tot 1 december 2012 kan blijven doorbetalen. Een opzegging van de betrokken arbeidsovereenkomsten met afwachting van de toestemming van het UWV en met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn zou Jachtbouw mogelijk niet kunnen dragen. Daarom werd de beëindigingsovereenkomst met twee maanden ontslagvergoeding (bruto!) daarin als te verkiezen, goedkoper, alternatief voorgesteld. Twee bruto-maandsalarissen, geheel netto uitgekeerd, verdubbelt de kosten van deze maatregel ongeveer waardoor het alternatief van de opzeggingsprocedure via het UWV weer goedkoper wordt. Het antwoord van [Naam voormalig directeur] aan de kantonrechter die hem hiermee confronteerde, overtuigt niet: nadere onderhandelingen over zo'n majeur punt, waar hij als directeur geheel buiten zou zijn gehouden, komen niet geloofwaardig over.

Doch zelfs als [Naam voormalig directeur] de waarheid zou spreken, dan nog kan dat in dit geval
[appellant] niet baten: [appellant] verklaart immers zelf dat hij uitsluitend thuis, op basis van de tekst van de vaststellingsovereenkomst, tot de conclusie was gekomen dat hem twee maandsalarissen, geheel netto uit te keren, waren toegezegd, en niet dat deze overtuiging (mede) op basis van hetgeen op de kantinebijeenkomst was meegedeeld was gestoeld.

4.11

Het hof komt derhalve tot dezelfde uitleg als de kantonrechter: gelet op de begeleidende brief die gevoegd was bij de concept-beëindigingsovereenkomst, had
[appellant] - mede in het licht van artikel 3:35 BW - niet gerechtvaardigd de conclusie mogen trekken dat artikel 4 van deze overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat hem daarbij twee bruto maandsalarissen, geheel netto uit te keren, werden toegezegd, doch moeten begrijpen dat artikel 4 een beëindigingsvergoeding inhield van twee bruto-maandsalarissen, waarop nog loonbelasting (en premie ZVW) moest worden ingehouden.

4.12

De grieven 3 tot en met 6 falen.

4.13

Grief 8 ziet op de afwijzing van de subsidiaire vordering. Het hof merkt daarover eerst op dat de subsidiaire vordering niet zozeer een andere vordering is als wel een vordering tot betaling van gelijke bedragen op een subsidiaire grondslag, namelijk partiële vernietiging van de beëindigingsovereenkomst wegens dwaling. De dwalingsgrond zou zijn dat het bedrijf van Jachtbouw niet is beëindigd doch is voortgezet. Het hof acht evenwel niet aangetoond dat het bedrijf is voortgezet. De afdruk van de Facebook pagina, waarin wordt gesteld: "wij zijn er weer helemaal klaar voor om uw jacht, camper of caravan goed de winter door te laten komen" is bepaald onvoldoende om aan te nemen dat Jachtbouw de bedrijfsactiviteit van het bouwen van jachten heeft voortgezet. Jachtbouw zelf heeft daarover opgemerkt dat zij haar lege bedrijfshal thans benut als winterstalling voor jachten, campers en caravans, hetgeen een andere bedrijfsuitoefening is.

Het hof voegt hieraan voorts nog toe dat de beëindigingsovereenkomst krachtens artikel 9 een vaststellingsovereenkomst is, dat artikel 7:904 BW niet de normale dwalingsregeling behelst, en dat vernietiging van de beëindigingsovereenkomst niet betekent dat daardoor een hogere beëindigingsvergoeding verschuldigd wordt, noch dat daardoor zondermeer de loondoorbetalingsverplichting zou herleven in een periode waarin niet is gewerkt en waarin ook geen bereidheid tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden aan de orde is.

De grief mist doel.

4.14

De grieven 7 en 9 richten zich tegen de afwijzing van de vordering en de veroordeling in de proceskosten. Zij behoeven geen verdere behandeling. Wel merkt het hof in dit verband nog op dat uit de salarisspecificatie van [appellant] (gevoegd achter productie 1 bij de inleidende dagvaarding) blijkt dat Jachtbouw op de ontslagvergoeding de loonheffing naar het bijzonder tarief van 52% in mindering heeft gebracht. Dit tarief was in 2012 eerst aan de orde voor zover de totale jaarinkomsten meer bedroegen dan € 56.492,- . Het cumulatieve fiscale loon van [appellant] bij Jachtbouw bedroeg op dat moment € 41.831,76, derhalve nog ruim onder dat bedrag. Indien ook over de rest van het jaar zijn fiscaal inkomen het genoemde drempelbedrag niet heeft overschreden, dan was over de ontslagvergoeding "slechts" 42% belasting verschuldigd geweest. Voor zover [appellant] aangifte heeft gedaan voor de Inkomstenbelasting over 2012 zal, naar het hof aanneemt, een en ander, voor zover noodzakelijk, reeds zijn gecorrigeerd. Indien [appellant] geen aangifte heeft gedaan, kan hij zulks mogelijk alsnog doen.

4.15

Het hof passeert het bewijsaanbod dat bestaat uit het wederom horen van de reeds door een kantonrechter gehoorde getuigen, wier verklaringen het hof hiervoor heeft besproken. [appellant] heeft niet aangegeven wat die getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren.

De slotsom

4.16

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en [appellant] , als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het appel veroordelen, voor wat het geliquideerde salaris van de advocaat van Jachtbouw betreft te begroten op 1,5 punt naar tarief I.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 8 mei 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Jachtbouw vastgesteld op € 948, -voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 683,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 augustus 2015.