Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6161

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
200.135.803/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde; volledige proceskostenveroordeling; stelplicht; diverse boedelproblemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.135.803/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/96273/HA ZA 12-307)

arrest van de vijfde kamer van 18 augustus 2015

in de zaak van

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [gedaagde],

procesadvocaat: mr. G.A. Pots, kantoorhoudend te Leeuwarden,

advocaat: mr J.W. Brouwer, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.K. Bolt, kantoorhoudend te Roden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
30 januari 2013 en 17 juli 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 oktober 2013;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties;

- een akte overlegging (nadere) producties van 11 november 2014;

- een antwoordakte van 9 december 2014.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [gedaagde] in de appeldagvaarding luidt:

"te vernietigen het vonnis op 17 juli 2013 door de rechtbank Noord Nederland locatie Assen tussen partijen onder zaak-/rolnummer C/19/962732 HA ZA 12-307 gewezen, en opnieuw rechtdoende alsnog moge behagen bij arrest, voor zoveel mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Te verklaren voor recht dat geïntimeerde jegens appellant onrechtmatig handelde door hem te benadelen in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding, met inbegrip van de afwikkeling van de boedel en het verzwijgen van vermogensbestanddelen, transacties en/of eenzijdig gestelde handelingen waarvoor [gedaagde] niet mede goedkeuring voor had gegeven;

II. Geïntimeerde vanwege haar onrechtmatig handelen jegens appellant te veroordelen aan [gedaagde] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen een bedrag ad € 280.340,-- althans een bedrag als het gerechtshof zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding in eerste instantie, tot aan de dag van de algehele voldoening;

III. Geïntimeerde te veroordelen een koopsom voor een lijfrente te storten ten gunste van [gedaagde] , waarbij de hoogte van de koopsom zal worden bepaald door een door het hof daartoe aan te wijzen deskundige, ter compensatie van het nadeel dat appellant geen gebruik heeft kunnen maken van de wet verevening pensioenrechten; dan wel, te verklaren voor recht dat bij ingangsdatum van het pensioen voor geïntimeerde, appellant recht heeft op een gedeelte, door een daartoe door het hof aan te wijzen deskundige te bepalen;

IV. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten vallende op deze en vorige instantie, de kosten van de kosten van beslaglegging daaronder begrepen, alsmede in de kosten van de pensioendeskundige."

In de memorie van grieven luidt punt III van de vordering:

"III. Te verklaren voor recht dat bij ingangsdatum van het pensioen voor geïntimeerde, appellant recht heeft op een gedeelte daarvan wegens verevening van pensioenrechten, door een daartoe door het hof aan te wijzen deskundige te bepalen."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest over te gaan tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 49.500,81 (zegge: negenenveertigduizend vijfhonderd Euro en eenentachtig Eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2013 tot de dag der algehele voldoening;

II. [gedaagde] te veroordelen binnen zeven dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest over te gaan tot opheffing van het conservatoire beslag op de onroerende zaak staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend [kadastrale omschrijving] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) per dag dat [gedaagde] met deze plicht in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,00 (zeggen: vijftigduizend Euro);

III. [gedaagde] te gebieden bij ieder verzoek tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde] een kopie van dit arrest aan de voorzieningenrechter te overleggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 (zegge: tienduizend Euro) voor iedere overtreding van dit gebod;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure zowel in conventie als in reconventie, en in beide instanties, ten belope van € 23.449,79 (zegge: drieëntwintig duizend vierhonderd negenenveertig Euro en negenenzeventig Eurocent) althans een door Uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag, onder bepaling dat [gedaagde] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest zijn betaald."

3 De beoordeling

Vermindering van eis

3.1

[gedaagde] heeft bij memorie van grieven zijn eis verminderd ten opzichte van zijn eis zoals geformuleerd in de appeldagvaarding. Aangezien op grond van artikel 129 Rv een vermindering van eis te allen tijde is toegestaan, zal het hof beslissen op de verminderde vordering onder III. zoals die hiervoor onder 2.3 is weergegeven.

Vaststaande feiten

3.2

De rechtbank heeft in het vonnis van 17 juli 2013 de volgende feiten vastgesteld.

3.2.1

Partijen zijn op [trouwdatum] in gemeenschap van goederen gehuwd. Tijdens hun huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt. Op 5 oktober 2005 heeft de rechtbank Leeuwarden tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 18 januari 2006 is het huwelijk van partijen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand ontbonden.

3.2.2

Bij arrest van 9 maart 2010 heeft het gerechtshof in Leeuwarden voor recht verklaard dat de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is vernietigd.

3.2.3

Bij vonnis van 30 november 2011 van de rechtbank Assen heeft de rechtbank gelast dat partijen op een in dat vonnis omschreven wijze hun ontbonden huwelijksgemeenschap verdelen.

3.2.4

Op 11 oktober 2012 heeft [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op de woning van
[geïntimeerde] .

3.3

Tegen de vaststelling van deze feiten zijn geen grieven of bezwaren aangevoerd, zodat het hof ook van deze feiten uitgaat.

De grieven

3.4

[gedaagde] heeft negen grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan appel, [geïntimeerde] heeft op drie onderdelen vernietiging van het vonnis gevorderd.

3.5

In zijn eerste grief beklaagt [gedaagde] zich erover dat de rechtbank in rechtsoverweging 3.2 een onjuiste, althans onvolledige samenvatting van [gedaagde] stellingen, waarmee hij zijn vordering op [geïntimeerde] onderbouwt, heeft gegeven. Het hof volgt [gedaagde] niet in dat betoog. Hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 3.2 heeft overwogen vormt een samenvatting van hetgeen onder de punten 10 en volgende van de dagvaarding in eerste aanleg door [gedaagde] naar voren is gebracht. Het staat de rechtbank vrij die samenvatting in min of meer eigen bewoordingen weer te geven. De grief is daarom ongegrond.

3.6

In grief II stelt [gedaagde] dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 3.2 de beweerdelijk vervreemde verzameling heeft beperkt tot een postzegelverzameling, terwijl dit tevens een uitgebreide muntenverzameling betrof.

3.7

[geïntimeerde] stelt onder meer dat [gedaagde] bij deze grief geen belang heeft omdat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.18 en 4.19 heeft geoordeeld over de verkoop van een postzegel- en muntenverzameling.

3.8

In lijn met zijn oordeel over de eerste grief acht het hof ook de tweede grief ongegrond; wat [geïntimeerde] daaromtrent aanvoert is juist.

3.9

De derde grief betreft de afwijzing van de vordering van [gedaagde] ter zake van advocaatkosten tot een bedrag van € 66.042,-, gemaakt in verband met de procedure bij het (toenmalige) gerechtshof Leeuwarden die leidde tot het arrest van 9 maart 2010. [gedaagde] voert aan dat het hof in dat arrest [geïntimeerde] wel heeft veroordeeld in de proceskosten, tegen het geliquideerd tarief, maar dat het hof daarbij de grondslag van de onrechtmatige daad in het geheel onbehandeld heeft gelaten. Daarom komt aan dat arrest in dit opzicht geen gezag van gewijsde toe. Wanneer [gedaagde] ontvankelijk is in zijn vordering gegrond op onrechtmatige daad moet hij tevens zijn vermogensschade die bestaat uit de advocaatkosten in verband daarmee vergoed kunnen krijgen.

3.10

Volgens [geïntimeerde] heeft het hof in het arrest van 9 maart 2010 de zaak ten aanzien van de proceskosten afgedaan op de rechtsgronden die het aangewezen achtte.
Zij betwist de noodzaak en de hoogte van hogere proceskosten dan waarin zij veroordeeld is en eveneens het bestaan van een grond waarop zij tot vergoeding van de volledige proceskosten c.q. kosten van rechtsbijstand van [gedaagde] zou kunnen worden veroordeeld.

3.11

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan thans beroep overwogen dat het hof in het arrest van 9 maart 2010 al een beslissing heeft genomen over het salaris voor de advocaat van [gedaagde] en dat aan deze beslissing gezag van gewijsde toekomt. Het hof neemt dit oordeel over. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 236 Rv. kan het gezag van gewijsde toekomen aan beslissingen aangaande rechten en verplichtingen die voorwerp zijn van de rechtsstrijd. De proceskosten hebben deel uitgemaakt van de rechtsstrijd tussen partijen die in het arrest van 9 maart 2010 beslecht is. [gedaagde] heeft zich in die procedure onder meer beroepen op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , maar heeft in die procedure niet de veroordeling van [geïntimeerde] in de volledige proceskosten gevorderd, waardoor het hof mogelijk een meer expliciete beslissing op dat punt en die grondslag had gegeven. Dit is echter geen reden om thans geen gezag van gewijsde toe te kennen aan de beslissing die het hof over de proceskosten gegeven heeft. Het ligt in de risicosfeer van [gedaagde] dat hij zijn thans gestelde vordering niet reeds in de eerdere procedure naar voren heeft gebracht.

3.12

Hier komt nog het volgende bij. De materie van de proceskostenveroordeling wordt geregeld door met name de artikelen 239 en 241 Rv. Daarbij is de hoofdregel dat het salaris van de advocaat van de winnende partij door de rechter wordt bepaald, onverschillig welk bedrag deze partij werkelijk aan zijn advocaat moet betalen. De bepaling van de hoogte van het aldus toe te wijzen salaris geschiedt aan de hand van het zogeheten liquidatietarief, en een vordering tot vergoeding van volledige proceskosten, in afwijking van dat tarief, is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering of de gedaagde het verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure of het voeren van verweer past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd is in het licht van deze normen onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat [geïntimeerde] alsnog de volledige proceskosten dient te vergoeden die [gedaagde] heeft moeten maken om tot de uitspraak van het hof van 9 maart 2010 te geraken.

Bovendien heeft [gedaagde] tegenover het uitdrukkelijke verweer van [geïntimeerde] betreffende de noodzaak en de hoogte van de proceskosten waarin [gedaagde] haar veroordeeld wenst te zien, niets concreets ter onderbouwing aangevoerd of met stukken onderbouwd. Het is ook onduidelijk gebleven waarop de door [gedaagde] gestelde advocaatkosten betrekking hebben gehad en hoe het bedrag van zijn vordering op dit punt is berekend.

Terzijde merkt het hof op dat het door [gedaagde] in punt 24 van de memorie van grieven aangekondigde nader bewijs omtrent deze post alsmede de eiswijziging op dit punt achterwege zijn gebleven.

3.13

De grief faalt.

3.14

Grief IV bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] zijn stelling dat er sprake is van psychisch leed in het geheel niet heeft onderbouwd, zodat reeds daarom zijn vordering strekkende tot vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen. [gedaagde] voert aan dat het bestaan van deze schade - zo begrijpt het hof althans zijn toelichting - reeds blijkt uit de processtukken en de producties. Het samenspannen van [geïntimeerde] met anderen tegen zijn belangen en het ervaren van een vertrouwensbreuk hebben, aldus [gedaagde] , geleid tot een ernstig trauma. [gedaagde] kondigt nader bewijs aan door het horen of overleggen van verklaringen van de systeemtherapeut [naam 1] en de artsen [namen] . Daarnaast wijst [gedaagde] erop dat het hof heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] de omstandigheden destijds heeft misbruikt.

3.15

[geïntimeerde] stelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat [gedaagde] zijn stelling dat er sprake is van psychisch leed dan wel geestelijk letsel geheel niet heeft onderbouwd. Wat [gedaagde] aanvoert behelst naar objectieve maatstaven geen geestelijk letsel. Wat derden [gedaagde] eventueel hebben aangedaan valt [geïntimeerde] niet aan te rekenen. Het door [gedaagde] aangekondigde bewijs is uitgebleven en kan nu niet meer worden aangedragen. Misbruik van recht kan tot een wilsgebrek leiden dat aanleiding is tot vernietiging van een overeenkomst, terwijl onrechtmatig handelen een geheel andere rechtsfiguur is die vraagt om een andere onderbouwing, die ontbreekt. [geïntimeerde] betwist ook de door [gedaagde] gestelde feitelijke gang van zaken.

3.16

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] zijn stelling dat er sprake is van psychisch leed niet voldoende heeft onderbouwd, nu hij niet voldoende concrete feiten heeft gesteld en gegevens in het geding heeft gebracht waaruit kan volgen dat een psychische beschadiging is ontstaan ten gevolge van het handelen van [geïntimeerde] . Zijn aanbod om daarover nader bewijs te leveren wordt dan ook gepasseerd.

3.17

De grief faalt.

3.18

In grief V keert [gedaagde] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden ingezien dat [gedaagde] schade lijdt door de, zo hij stelt eigenmachtige en onrechtmatige, vestiging van het hypotheekrecht door [geïntimeerde] . Hij voert daartoe aan - zo begrijpt het hof - dat het geleende bedrag is gebruikt om (via een bouwdepot) aannemers- en bijkomende kosten te betalen om de woning aan de [adres] te [woonplaats] te stichten. [gedaagde] stelt dat
[geïntimeerde] profijt van deze gang van zaken heeft getrokken door [gedaagde] over de jaren 2004 tot en met 2006 te laten meebetalen aan de lasten van deze hypotheek.

3.19

[geïntimeerde] betwist dat [gedaagde] schade heeft geleden van de gang van zaken rond het aangaan van de hypothecaire lening ten behoeve van [adres] te [woonplaats] . Zowel deze woning als de erop rustende hypotheekschuld zijn aan haar toegedeeld zonder verrekening en zij heeft alle lasten zelf betaald.

3.20

Wat er ook zij van de wijze van totstandkoming van de hypothecaire geldlening, het hof kan, met de rechtbank, niet inzien welke schade [gedaagde] daarvan heeft geleden. De lening drukt uitsluitend op de woning die aan [geïntimeerde] is toegedeeld en [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat hij aan de lasten heeft meebetaald, al dan niet uit eigen middelen. Dat de woonlasten van elk van partijen uit gezamenlijke middelen werden betaald is bij het (deels achteraf) bestaan van een gemeenschap van goederen normaal, ook als de schuld door slechts één van de echtelieden is aangegaan. Waar [gedaagde] zich in dezen op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] beroept stuit zijn vordering, nog afgezien van het feit dat hij onvoldoende heeft onderbouwd waaruit de onrechtmatigheid van het handelen zou bestaan en welke schade hij daarvan concreet zou hebben geleden, af op het gezag van gewijsde van het vonnis van 30 november 2011.

3.21

De grief faalt.

3.22

Met de zesde grief bestrijdt [gedaagde] het oordeel van de rechtbank dat niet in te zien valt dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door de postzegel- en munten- verzameling voor een lager bedrag te verkopen dan de verzekerde waarde. Hij stelt dat niet vaststaat dat [geïntimeerde] de verzameling voor het door haar gestelde bedrag van € 3.000,- heeft verkocht en dat [geïntimeerde] de verzameling niet zonder zijn toestemming mocht verkopen.

3.23

[geïntimeerde] wijst er op dat de rechtbank al bij het verdelingsvonnis van
30 november 2011 over deze verzameling(en) heeft beslist, zodat [gedaagde] vordering afstuit op het gezag van gewijsde dat dat vonnis toekomt. Dat [geïntimeerde] de verzameling voor € 3.000,- heeft verkocht staat daarmee in rechte vast. Het gaat daarbij uitsluitend om de postzegelverzameling, die overigens van haar zijde in de gemeenschap is gevallen; de muntenverzameling is in het bezit van [gedaagde] . Bovendien betwist [geïntimeerde] dat ooit zou zijn vastgesteld dat de postzegelverzameling een waarde van fl. 80.000,-, althans een aanzienlijk hogere waarde dan € 3.000,-, zou hebben.

3.24

Ook deze vordering stuit af op het gezag van gewijsde van het verdelingsvonnis van 30 november 2011. Daarnaast blijft onduidelijk wat er onrechtmatig zou zijn aan het handelen van [geïntimeerde] in dezen en heeft [gedaagde] niet onderbouwd dat de door [geïntimeerde] genoemde verkoopprijs van € 3.000,- - tegen welke waarde de verzameling ook aan haar is toegedeeld - geen redelijke waarde zou zijn. Het enkele feit dat een verzekeraar in november 2001 de postzegelverzameling niet zonder meer onder de dekking van de inboedelverzekering wenste te laten vallen schiet daartoe ruimschoots te kort, zeker wanneer daarbij betrokken wordt dat [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld dat de verzameling waterschade heeft opgelopen tijdens het verblijf in [plaats] en dat postzegelverzamelingen in de loop der jaren flink in waarde zijn gedaald.

3.25

De grief faalt.

3.26

Grief VII betreft het oordeel van de rechtbank over de Dexia-regeling. [gedaagde] stelt dat hij schade heeft geleden doordat [geïntimeerde] een regeling met Dexia heeft getroffen die € 2.688,81 heeft opgebracht, terwijl hij stelt dat hij bij procederen minimaal € 20.000,- zou hebben getoucheerd. Hij heeft [geïntimeerde] ook aangeboden de procedure tegen Dexia over te nemen maar [geïntimeerde] heeft zonder [gedaagde] daar in te kennen een regeling met Dexia getroffen. Dat is onzorgvuldig en heeft [gedaagde] een schade van € 8.656,- opgeleverd.

3.27

[geïntimeerde] stelt dat zij niet met de Duisenbergregeling met Dexia heeft ingestemd; er valt haar dus niets te verwijten. Bovendien is het niet onrechtmatig om aan een dergelijke regeling mee te doen en kan [gedaagde] niet aannemelijk maken dat hij een beter resultaat had bereikt bij procederen.

3.28

Waar niet vast staat dat [geïntimeerde] een regeling met Dexia heeft getroffen strandt de vordering van [gedaagde] reeds op die omstandigheid. Voor het overige valt niet in te zien waarom instemmen met de Duisenbergregeling onrechtmatig zou zijn - velen hebben dat gedaan - en heeft [gedaagde] in het geheel niet onderbouwd welk resultaat een procedure tegen Dexia (naar redelijke verwachting) zou hebben opgeleverd (en welke kosten daarmee gepaard zouden zijn gegaan), zodat hij ook zijn gepretendeerde schade niet heeft onderbouwd.

3.29

De grief faalt.

3.30

Grief VIII bevat geen zelfstandige klachten en behoeft geen behandeling.

3.31

In grief IX keert [gedaagde] zich tegen de compensatie van proceskosten die de rechtbank heeft uitgesproken. Nu het gaat om een procedure die onrechtmatige daad tot grondslag heeft bestaat er volgens [gedaagde] aanleiding om [geïntimeerde] in de proceskosten te veroordelen, ondanks dat partijen gewezen echtgenoten zijn.

3.32

[geïntimeerde] betwist dat het hanteren van een andere grondslag mee moet brengen dat wordt afgeweken van het wettelijk uitgangspunt om proceskosten tussen gewezen echtgenoten te compenseren.

3.33

Het hof constateert, mede gelet op hetgeen hierna onder 3.34 wordt overwogen, dat alle vorderingen van [gedaagde] in hoger beroep zullen worden afgewezen, zodat er voor een veroordeling van [geïntimeerde] in het geheel geen grondslag bestaat. Hetgeen verder is aangevoerd kan in het midden blijven.

3.34

In zijn petitum formuleert [gedaagde] onder II, voor zover het de gevorderde kosten van het voeren van de dieren betreft, onder III en onder IV voor wat betreft de kosten van de pensioendeskundige, zoals hierboven onder 2.3 weergegeven, een aantal vorderingen waarvoor in de grieven geen onderbouwing valt te lezen. Evenmin valt anderszins naar behoren een grondslag vast te stellen waarop [gedaagde] die vorderingen in hoger beroep baseert. Zoals [geïntimeerde] terecht naar voren brengt zijn deze vorderingen dan ook onvoldoende onderbouwd en toegelicht en kunnen zij daarom niet worden toegewezen.

3.35

In incidenteel appel vordert [geïntimeerde] als eerste dat [gedaagde] wordt veroordeeld haar een bedrag van € 49.500,81 te betalen. Blijkens de in de punten 4.1 en 4.2 van de memorie van grieven in incidenteel appel vervatte grief baseert [geïntimeerde] deze vordering grotendeels op de onverschuldigde betaling op 18 juli 2005 van een bedrag van € 48.000,81 ter uitvoering van de later vernietigde huwelijkse voorwaarden.

3.36

[gedaagde] voert aan dat de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat nu deze betaling onderdeel uitmaakt van de herleefde, te verdelen goederengemeenschap, die inmiddels is verdeeld, er geen grond is voor terugbetaling van dat bedrag door [gedaagde] .

3.37

Het hof overweegt het volgende.

Wanneer de ene in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot een bedrag dat in die gemeenschap valt aan de andere echtgenoot betaalt blijft dat bedrag ongewijzigd deel uitmaken van die gemeenschap. Wanneer vervolgens die gemeenschap wordt verdeeld - zoals hier het geval is geweest - wordt dat bedrag, voor zover dan nog aanwezig, onverschillig onder welke echtgenoot het zich bevindt, dus in de verdeling meegenomen en ontvangt elk van de echtgenoten daarvan in beginsel de helft. Geen van partijen heeft aangevoerd dat dit bedrag bij de verdeling van hun goederengemeenschap is overgeslagen; het zal, voor zover het nog traceerbaar was, waarschijnlijk deel hebben uitgemaakt van enig banktegoed. Evenmin is, voor zover dat al is gesteld, aannemelijk geworden dat

[geïntimeerde] het bedrag uit privévermogen - dus vermogen dat niet in de gemeenschap viel - heeft voldaan, zodat er van wordt uitgegaan dat het bedrag in de gemeenschap viel.
Dat partijen ten tijde van de betaling gescheiden financiën voerden maakt dit niet anders.

3.38

De grief faalt.

3.39

Blijkens de in de punten 4.3 tot en met 4.5 van de memorie van grieven in incidenteel appel vervatte grief baseert [geïntimeerde] de vordering van de resterende € 1.500,- op het feit dat [gedaagde] een koets, die aan haar was toebedeeld, niet aan haar heeft geleverd maar heeft doorverkocht aan een derde. Een vergelijkbare koets heeft een waarde van € 1.500,-, aldus [geïntimeerde] .

3.40

[gedaagde] leidt uit overweging 2.8 van het vonnis van 30 november 2011 af dat de koets tegen affectiewaarde aan [geïntimeerde] is toegedeeld. In elk geval was de koets lang geen € 1.500,- waard. [gedaagde] heeft de koets overigens niet voor € 500,- aan de toenmalige buurman willen overdoen. Als [geïntimeerde] vindt dat zij door het niet afgeven van de koets in waarde tekort was gedaan had zij van het vonnis in appel moeten komen. Bovendien beroept [gedaagde] zich erop dat de nieuwe eigenaar van het pand waar de koets gestald stond, de heer [naam 2] , een verklaring heeft getekend waaruit - zo begrijpt het hof - blijkt dat [gedaagde] eigenaar van de koets bleef. Dat [naam 2] vervolgens de koets toch heeft vervreemd kan [gedaagde] niet worden verweten.

3.41

Het hof overweegt het volgende.

Wanneer de vaststelling van de verdeling van een huwelijksgemeenschap inhoudt dat goederen die de ene echtgenoot onder zich heeft aan de andere echtgenoot worden toegedeeld, brengt de onderlinge verhouding tussen de ex-echtgenoten met zich dat die andere echtgenoot die goederen aan de ene echtgenoot afgeeft of laat afgeven, althans tenminste de mogelijkheid van die afgifte zoveel mogelijk veiligstelt. Het hof is uit de stukken niet gebleken dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] de aan haar toegedeelde koets vóór een zeker tijdstip zou weghalen van het adres te [plaats] , en evenmin dat [gedaagde] haar heeft gesommeerd om de koets vóór enig moment op te halen. Uit de stukken blijkt wel dat [gedaagde] de eigendom van (onder meer) de koets slechts tot 30 maart 2006 jegens [naam 2] heeft voorbehouden. Aldus handelend heeft [gedaagde] onvoldoende aan zijn zorgplicht voldaan om een verdeling van de gemeenschap, zoals door de rechtbank vastgesteld, te bewerkstelligen en hij is daarom aansprakelijk voor de schade die
[geïntimeerde] als gevolg daarvan lijdt. In zoverre slaagt de grief van [geïntimeerde] .

3.42

Aangezien [geïntimeerde] de toedeling van de koets aan haar niet wenste te bestrijden, maar slechts nakoming van het vonnis op het punt van die toedeling wenste, lag het niet op haar weg om van die toedeling te appelleren. Nu [gedaagde] niet van de toedeling van de koets aan [geïntimeerde] heeft geappelleerd moet er van worden uitgegaan dat de koets ten tijde van het wijzen van het verdelingsvonnis nog tot de huwelijkse goederengemeenschap van partijen behoorde. Wanneer dat niet zo is geweest blijft die omstandigheid voor risico van [gedaagde] .

3.43

Dat de koets slechts affectieve waarde heeft valt uit de overwegingen van de rechtbank in het vonnis van 30 november 2011 niet af te leiden. De rechtbank overweegt slechts dat bij de wijze van verdeling van de inboedelgoederen (waaronder de koets) zoals door de rechtbank vastgesteld er geen over- of onderbedeling van één van partijen plaatsvindt, zodat terzake van de verdeling van die inboedelgoederen geen nadere verrekening tussen partijen behoeft plaats te vinden. Uit die overweging valt veeleer af te leiden dat, wanneer [geïntimeerde] de koets niet ontvangt, er wèl onderbedeling ter zake van de inboedelgoederen plaatsvindt, hetgeen nadere verrekening zou rechtvaardigen.

3.44

Bij antwoordakte van 17 april 2013 heeft [gedaagde] zich in de procedure in eerste aanleg beroepen op rechtsverwerking, nu partijen bij de notariële akte van verdeling en levering op 4 september 2012 hebben verklaard dat de boedel naar genoegen van een ieder is verdeeld, zodat de koets niet meer behoefde te worden afgegeven. Dit standpunt heeft [gedaagde] in appel niet prijsgegeven, zodat dit beoordeeld dient te worden omdat het hof blijkens het bovenstaande van oordeel is dat [gedaagde] in beginsel schadeplichtig is.

3.45

Blijkens de tekst van bedoelde akte hebben de verklaringen van partijen ten aanzien van de verdeling uitsluitend betrekking op het bij die akte verdeelde registergoed. Het op die akte gebaseerde beroep op rechtsverwerking gaat daarom niet op.

3.46

Resteert de vraag welke schade [geïntimeerde] lijdt doordat zij de koets niet ontvangt. Tegenover de bestrijding door [gedaagde] heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat de waarde van de koets ten tijde van de verdeling € 1.500,- beliep. Gelet op de stelling van [gedaagde] dat hij de koets uiteraard niet voor een bedrag van € 500,- aan de toenmalige buurman heeft willen overdoen is de waarde van de koets zijns inziens kennelijk aanmerkelijk hoger geweest dan dat bedrag. Al met al acht het hof het redelijk en billijk om aan de koets in het kader van de verdeling, en dus van de schadevergoeding, een waarde van € 1.000,- toe te kennen.

3.47

De grief slaagt ten dele.

3.48

In de punten 4.6 tot en met 4.8 van de memorie van grieven in incidenteel appel bestrijdt [geïntimeerde] de afwijzing door de rechtbank van haar vordering om [gedaagde] te gebieden om bij ieder verzoek tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van
[geïntimeerde] een kopie van het vonnis van de rechtbank over te leggen op straffe van een dwangsom. Zij vordert in hoger beroep hetzelfde met dien verstande dat dit arrest zou moeten worden overgelegd. Ter onderbouwing voert zij - zakelijk weergegeven - aan dat [gedaagde] zijn rechtsgeschil met haar bij herhaling voor de rechter brengt zonder dit te onderbouwen en uit te leggen. Hij stelt kansloze appellen in. [geïntimeerde] vreest dat [gedaagde] , als hij door het hof in het ongelijk wordt gesteld, ofwel in cassatie gaat ofwel opnieuw begint in eerste aanleg. Een procesverbod is nagenoeg onmogelijk, maar toewijzing van deze vordering van
[geïntimeerde] zal meebrengen dat de voorzieningenrechter bij een beslagaanvraag terughoudend zal zijn.

3.49

[gedaagde] heeft in hoger beroep deze vordering niet weersproken.

3.50

Het hof dient zeer terughoudend te zijn in het beperken van procesmogelijkheden. Iedere partij heeft in beginsel het recht een vordering aan de rechter voor te leggen en daarvoor conservatoire maatregelen te nemen. Mocht [gedaagde] opnieuw tegen [geïntimeerde] gaan procederen en dat op een jegens haar onrechtmatige wijze doen, dan bestaat de mogelijkheid dat de rechter hem in de volledige proceskosten veroordeelt. Dat kan ook gebeuren in een kort geding tot opheffing van een vexatoir beslag. Dat risico acht het hof in de gegeven situatie voldoende drempel om [gedaagde] van lichtvaardig procederen af te houden.

3.51

De grief faalt.

3.52

In de punten 4.9 en 4.10 van de memorie van grieven in incidenteel appel vordert [geïntimeerde] veroordeling van [gedaagde] in haar integrale proceskosten in beide instanties.
Zij baseert die vordering op haar stelling dat [gedaagde] had kunnen weten dat zijn vorderingen kansloos zijn, nu deze ofwel op het gezag van gewijsde afstuiten, ofwel anderszins op het eerste gezicht kansloos zijn.

3.53

[gedaagde] voert hier tegen aan dat het in deze procedure aan de orde zijnde debat is voortgesproten uit samenspanning van [geïntimeerde] tegen [gedaagde] en zijn moedwillige benadeling door haar door op onrechtmatige wijze huwelijkse voorwaarden staande huwelijk met hem aan te gaan. Ook heeft [geïntimeerde] geweigerd op [gedaagde] voorstel om de zaak te schikken in te gaan.

3.54

Het hof ziet geen aanleiding om [gedaagde] thans te veroordelen in de integrale proceskosten in beide instanties of in appel. Wel ziet het hof in de uitkomst van deze procedure aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt dat de proceskosten tussen gewezen echtgenoten worden gecompenseerd, aldus dat elk de eigen kosten draagt. Het hof zal [gedaagde] volgens het gebruikelijke tarief veroordelen in de proceskosten in hoger beroep, nu hij objectief gezien tegen beter weten in deze procedure heeft gevoerd.

3.55

De grief slaagt ten dele.

3.56

In de punten 4.11 en 4.12 voert [geïntimeerde] grieven aan tegen het oordeel van de rechtbank dat zij geen belang heeft bij haar vordering tot opheffing van het conservatoir beslag dat [gedaagde] gelegd heeft op haar woning aan de [adres] te [woonplaats] . Zij voert daarbij aan dat van haar niet kan worden gevergd dat zij jarenlang het beslag laat voor wat het is en dat zij wel degelijk belang heeft bij opheffing daarvan, bijvoorbeeld omdat een bank bij een aanvraag tot financiering bezwaren zal kunnen zien in het bestaan van het beslag.

3.57

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij belang houdt bij het beslag omdat hij, mocht het hof zijn vorderingen afwijzen, zich nog tot de Hoge Raad kan wenden. Noodzaak tot opheffing van het beslag heeft [geïntimeerde] zijns inziens niet onderbouwd.

3.58

Het hof dient de wederzijdse belangen van partijen bij handhaving respectievelijk opheffing van het beslag tegen elkaar af te wegen. Nu de vorderingen in hoger beroep van [gedaagde] door het hof worden afgewezen bestaat de mogelijkheid dat de Hoge Raad, indien cassatie wordt ingesteld, een ander oordeel geeft. In zoverre heeft [gedaagde] belang bij handhaving van het beslag. Daartegenover blijkt niet langer summierlijk van het bestaan van een vordering van [gedaagde] op [geïntimeerde] , zodat reeds daarom van [geïntimeerde] niet gevergd kan worden dat zij het voortbestaan van het beslag duldt. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er voldoende reden bestaat om het beslag thans op te heffen. Het hof ziet aanleiding aan de verplichting tot opheffing van het beslag een dwangsom zoals gevorderd te verbinden, nu gelet op diens standpunt niet voorshands aannemelijk is dat [gedaagde] zonder meer aan de veroordeling tot opheffing zal voldoen.

3.59

De grief slaagt.

Slotsom

3.60

Behalve de incidentele grieven van [geïntimeerde] ten aanzien van de koets, de proceskosten en het beslag, falen de grieven van partijen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep dan ook bekrachtigen, behoudens ten aanzien van de vordering betreffende de koets en het beslag. De man zal in de proceskosten in het principaal hoger beroep worden veroordeeld. De kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd.

4 De beslissing


Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 17 juli 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, voor zover daarbij de vorderingen van [geïntimeerde] ten aanzien van de koets en de opheffing van het beslag zijn afgewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) ter zake van de koets aan [geïntimeerde] ;

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest over te gaan tot opheffing van het conservatoire beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te

( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend [kadastrale omschrijving] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- (zegge tweeduizend vijfhonderd euro) per dag dat [gedaagde] aan deze veroordeling niet voldoet, tot een maximum van € 50.000,- (zegge vijftigduizend euro);

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van het geding in het principaal hoger beroep en stelt deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:

- € 4.895,- voor geliquideerd salaris van de advocaat (1,5 pt tarief VI in appel),

- € 1.553,- voor verschotten (griffierecht), en

- € 131,- voor nasalaris van de advocaat;

compenseert de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep in die zin dat partijen elk hun eigen kosten dragen;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. B.J.H. Hofstee en

mr. G. Jonkman en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 augustus 2015.