Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6160

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
200.108.893/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:106 BW en artikel 1, aanhef en onder a Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Eiser is telg uit een geslacht van vooraanstaande Groninger boeren, die onder andere op bestuurlijk terrein actief zijn geweest. In de provincie Groningen is in de negentiger jaren in opdracht van de Minister van Vrom in het kader van de uitvoering van de Monumentenwet een monumentenselectieproject uitgevoerd door de Stichting Libau, welstands- en monumentenzorg Groningen. Dit heeft geresulteerd in de aanwijzing van verschillende boerderijen en andere panden tot beschermd monument, dan wel beschermd dorpsgezicht. Eén boerderij is eigendom van eiser en een aantal andere boerderijen en panden is in bezit geweest van familie van eiser. In de redengevende omschrijvingen van deze gebouwen is de familienaam van eiser vermeld en in de omschrijvingen is een verband gelegd met de sociaaleconomische ontwikkelingen in de provincie Groningen eind negentiende, begin twintigste eeuw. Volgens eiser heeft Libau onrechtmatig tegenover hem gehandeld door ten aanzien van zijn voorouders, dan wel zijn familie ten onrechte een beeld te schetsen van welvarende, statusgerichte en uitbuitende herenboeren. Volgens hem heeft Libau specifiek ingezoomd op zijn familie. Het hof verwerpt de stellingen van eiser. Er is geen sprake van aantasting van de goede naam van eiser, dan wel van inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Evenmin is er sprake van aantasting van de nagedachtenis van een overleden voorouder. Het beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens faalt. Eiser zelf is slechts als eigenaar van zijn boerderij vermeld in de openbare registers van het Kadaster. Waar het betreft de vermelding van zijn (voor)ouders in de in de registers van het Kadaster opgenomen omschrijvingen is het hof onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting van oordeel dat eiser als nabestaande in beginsel geen beroep toekomt op de bepalingen van de Wbp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.108.893/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 125103 / HA ZA 11-203)

arrest van de eerste kamer van 18 augustus 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.R.M. Holtz-Russel, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting LIBAU welstands- en monumentenzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Libau,

advocaat: mr. M.R. Gans, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
8 juni 2011 en 18 april 2012 van de rechtbank Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 juni 2012,

- de memorie van grieven d.d. 26 februari 2014, met producties,

- de memorie van antwoord d.d. 25 november 2014.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"dat Uw hof het vonnis gewezen door de rechtbank Groningen op 18 april 2012 onder

zaak/rolnummer 125103/HA ZA 11-203 vernietigt en opnieuw rechtdoende de vorderingen

van appellant toewijst met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, dit laatste uitvoerbaar bij voorraad."

3 De beoordeling

De feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van genoemd vonnis van 18 april 2012 is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen grief I (gedeeltelijk) is gericht, geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van grief I (gedeeltelijk). Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden als volgt.

3.2

Op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 kon in de periode waar dit geschil betrekking op heeft de Minister van VROM (verder de Minister) onroerende zaken aanwijzen als beschermd monument, vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Daarnaast kon de Minister groepen van stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermde stads- en dorpsgezichten vanwege hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.

3.3

Voor de aanwijzing van panden uit de periode 1850-1940 als monumenten heeft de Minister gekozen voor een projectmatige aanpak per provincie, het zogenaamde Monumentenselectieproject (MSP). Dit project is gestart medio jaren '90 en is inmiddels afgerond.

3.4

In de provincie Groningen is het onderzoek in het kader van het MSP uitgevoerd door Libau, waarbij Libau indicatieve lijsten heeft gemaakt en redengevende omschrijvingen van de door haar geselecteerde panden heeft opgesteld. Libau heeft de omschrijvingen van de geselecteerde panden eerst in concept opgesteld en naar de respectievelijke eigenaren van de panden gezonden om eventuele fouten te herstellen.

3.5

De uiteindelijk vastgestelde redengevende omschrijvingen zijn met het aanwijzingsbesluit van de Minister waarin de panden als monument zijn aangewezen ingeschreven in het Kadaster.

3.6

Met betrekking tot het pand [adres] te [woonplaats] , welk pand in eigendom is van [appellant] , heeft Libau de volgende complexomschrijving gegeven:

"Inleiding

VILLABOERDERIJ genaamd ' [naam X] ' met ARBEIDERSWONING ontworpen door

architect [X] en [Y] uit [woonplaats] in opdracht van [appellant] , in de trant van de

Amsterdamse School. Het voorhuis stamt uit 1933, de drie-kapsschuur uit 1931 en de

arbeiderswoning uit 1930.

De boerderij ligt aan [beschrijving ligging] op een ruim

rechthoekig perceel temidden van andere boerderijen. Het terrein is omgracht en heeft

hoog opgaande singelbeplanting. De oprijlaan ligt aan de linkerkant van de zuidzijde met

aan weerszijden boombeplanting. De arbeiderswoning ligt op een kaal perceel aan de

westzijde van de boerderij.

Waardering

Boerderij met arbeiderswoning van cultuur- en architectuurhistorisch belang;

- als voorbeeld van een boerderijcomplex uit de tweede helft van de twintigste eeuw in de

provincie Groningen

- als goed voorbeeld van het oeuvre van de architecten [X] en [Y]

- vanwege de bijzondere vormgeving

- vanwege de zeer hoge mate van gaafheid van het complex

- vanwege de bijzondere en beeldbepalende, ligging van het complex aan [beschrijving ligging]

[beschrijving ligging]

Bronnen

- Gemeente [gemeente] , bouwarchief gemeente [woonplaats] , [dozen]

- [auteur boek] , ' [titel boek 1]

[titel boek 1] "

3.7

Naar aanleiding van door [appellant] ingebrachte bezwaren heeft de gemeenteraad van [gemeente] , voor zover hier van belang geoordeeld:

"Bezwaar 1 Boerderij niet representatief voor de tijd, maar ook niet voor de provincie Groningen.

Typisch voor de tijd waarin de boerderij is gebouwd, was dat de beter gesitueerde boeren gingen shoppen in het westen van land en zich daar lieten inspireren door de bouwstijlen, waarna een villaboerderij werd gebouwd met daarin verwerkt de verschillende, geziene stijlen. Derhalve wel heel typerend voor deze periode, jaren '20 en '30, het was statusgericht.

Wel degelijk specifiek voor het Groninger landschap deze villa met aangebouwde schuren.

Bezwaar 2

Er is geen sprake van een oeuvre.

[X] en [Y] waren geen landelijke maar plaatselijke grootheden, derhalve niet bekend bij het architectenmuseum te Rotterdam. Wel is het pand opgenomen in de Architectuurgids

Provincie Groningen als goed voorbeeld uit deze periode, naast onder andere [adres 2] te [woonplaats] . Dit is voldoende reden om het te gaan beschermen.

Wie de ontwerpers waren, is slechts toegevoegde waarde; van belang is het object op zich."

3.8

De (toenmalige) Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) heeft daarna als complexomschrijving voor [adres] gegeven:

"Inleiding

VILLABOERDERIJ genaamd " [naam X] " met ARBEIDERSWONING ontworpen door de aannemers [X] en [Y] uit [woonplaats] in opdracht van [appellant] , in een

Interbellum-stijl. Het voorhuis stamt uit 1933, de drie-kapsschuur uit 1931 en de arbeiderswoning uit 1930.

De boerderij ligt aan [beschrijving ligging] op een ruim rechthoekig perceel temidden van andere boerderijen. Het terrein is omgracht en heeft hoog opgaande singelbeplanting. De oprijlaan ligt aan de linkerkant van de zuidzijde met aan weerszijden boombeplanting. De arbeiderswoning ligt op een kaal perceel aan de westzijde van de boerderij.

Waardering

Boerderij met arbeiderswoning van algemeen belang vanwege cultuur- en architectuurhistorische waarde:

- als voorbeeld van een boerderijcomplex uit het tweede kwart van de twintigste eeuw in de
provincie Groningen

- vanwege de sobere maar bijzondere vormgeving

- vanwege de zeer hoge mate van gaafheid van het complex

- vanwege de bijzondere en beeldbepalende ligging van het complex aan [beschrijving ligging]

[beschrijving ligging]

- als herinnering aan de bloeiende landbouw"

3.9

Op basis van deze omschrijving heeft de Minister het pand [adres] aangewezen als beschermd monument. De Minister heeft een tegen de aanwijzing ingediend bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. De beslissing op bezwaar is door de rechtbank te Groningen vernietigd, waarna de Minister de aanwijzing heeft ingetrokken.

3.10

De Minister heeft verder als beschermd monument aangewezen het pand [adres 3] te [woonplaats] . In de redengevende omschrijving is opgenomen:

"Inleiding

Complex genaamd ' [naam boerderijcomplex] ' bestaande uit een VILLABOERDERIJ,

ARBEIDERSWONING, en STOOKHOK. Het voorhuis van de boerderij is in opdracht van [architect B] als huwelijkscadeau van [grootvader familie appelant] in 1924 ontworpen door architect [architect A] uit [plaats 2] , die veel heeft gebouwd in het Westen, in een aan de Nieuw-Historiserende stijl verwante architectuur."

3.11

In 2008 heeft RDMZ de vermelding in de omschrijving dat het een huwelijkscadeau betrof verwijderd.

3.12

In de redengevende omschrijving voor de aanwijzing van een deel van de [naam dorpsgezicht] tot beschermd dorpsgezicht zijn de volgende passages opgenomen:

"De aanwijzing is met name gebaseerd op het feit dat in het beschermde

gezicht zeer duidelijk de maatschappelijke en economische ontwikkelingen in de periode 1850-1940 in de provincie Groningen zijn af te lezen, die uniek zijn voor Nederland.

(…)

Hier bouwden rentenierende boeren, van wie er omstreeks 1920 twaalf miljonair waren,

hun riante villa's. De stijl waarin de meeste van deze villa's zijn gebouwd, is de zogenaamde 'Overgangsarchitectuur', die kenmerken vertoont van de Art Nouveau, de Chaletstijl,
de Art Deco en de Um-1800-stijl.

(…)

In totaal zijn zeven villa's aangewezen, zes in het villagedeelte en één in het boerderijengedeelte, die samen een goed beeld geven van het wonen op stand in de provincie

Groningen in de eerste helft van deze eeuw. Het boerderijcomplex ' [naam boerderijcomplex] ' en de arbeiderswoning [adres 4] vormen een aanvulling op met name de cultuurhistorische waarde van het gebied: ze laten de sociale ontwikkelingen uit de periode 1850-1940 zien.

BRONNEN

[auteur] , [titel boek 2]

- J.J. Meijering en A. Spakman, Archeologische en cultuurhistorische terreinen in de

provincie Groningen, Groningen 1985.

Monumenten Inventarisatie Project Provincie Groningen, [titel boek 3]

[titel boek 3] .

M. Panman en J. Possel, Architectuur en stedebouw in Groningen 1850-1940,

Zwolle/Zeist 1992,

M. Schroor, De landelijke lijn, Groningen 1987"

3.13

RDMZ heeft in 2008 de passage betreffende de aanwezigheid in [woonplaats] van twaalf miljonairs geschrapt.

3.14

In de aanwijzing tot beschermd monument van de [adres 5] te [woonplaats] is als omschrijving onder meer vermeld:

"Inleiding

RENTENIERSWONING met aangebouwd KOETSHUIS gebouwd in 1908 in een

Overgangsarchitectuur met Chalet- en Art Nouveau-stijl elementen. De woning werd gebouwd in opdracht van [familie appelant] , landeigenaren te [plaats 3] . Toen In 1915 het pand werd verkocht aan de directeur van [organisatie X] de heer [naam directeur] , vond voor de vestiging van deze [organisatie X] een interne verbouwing plaats (…)"

3.15

In de aanwijzing tot beschermd monument van de [adres 6] te [woonplaats] is als omschrijving onder meer vermeld:

"Inleiding

RENTENIERSWONING gebouwd in 1911 in opdracht van de [naam B] door architect [architect C] in een Overgangsarchitectuur. Omstreeks 1917 vestigde de nieuwe eigenaar de heer [naam directeur] hier een filiaal van [organisatie X] , waarvan hij één van de oprichters was. Het [gedeelte] werd gevestigd in de eetkamer en alkoof. Tot omstreeks

1987 was [organisatie X] hier gevestigd. [naam directeur] adviseerde boeren [organisatiedoel] ."

3.16

In 2008 heeft RDMZ de passages in de aanwijzingen van [adres 5] en [adres 6] te [woonplaats] met betrekking tot de heer [naam directeur] en zijn werkzaamheden verwijderd.

3.17

Vanaf april 2007 heeft zich tussen partijen een correspondentie ontwikkeld betreffende de door Libau gebezigde redengevende omschrijvingen van de hiervoor genoemde panden en het beschermde dorpsgezicht.

3.18

In maart 2008 heeft [appellant] bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (verder RDMZ) een klacht ingediend betreffende de door Libau gebezigde redengevende omschrijvingen. In haar antwoordbrief aan [appellant] van 1 oktober 2008 heeft RDMZ erkend dat er in de procedure fouten zijn gemaakt en daarvoor aan [appellant] excuses aangeboden.

3.19

De in de rechtsoverweging 3.17 genoemde correspondentie en de in rechtsoverweging 3.18 genoemde klacht hebben geleid tot de in de rechtsoverwegingen 3.11, 3.13 en 3.16 vermelde aanpassingen in de redengevende omschrijvingen.

Het geschil in eerste aanleg

3.20

[appellant] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd:

- voor recht te verklaren dat Libau jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de uitvoering van het MSP door ten aanzien van zijn voorouders dan wel zijn familie ten onrechte een beeld te schetsen van welvarende, statusgerichte en uitbuitende herenboeren;

- te bepalen dat Libau in de [plaatselijke krant] en het Dagblad van het Noorden dit geschetste beeld dient te rectificeren op de door hem voorgeschreven wijze;

- Libau te verbieden (op straffe van een dwangsom) uitlatingen te doen over de financiële en maatschappelijk positie van hem en/of zijn familie;

- Libau te veroordelen tot betaling van € 1,00 ter zake door hem geleden immateriële schade en psychisch letsel;

- Libau te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief gemaakte buitengerechtelijke kosten.

3.21

De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat [appellant] zijn stelling dat Libau jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen.

De grieven

3.22

Met de grieven I en III komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat Libau bij de totstandkoming van de door haar gebezigde (historische) omschrijvingen van de door haar geselecteerde panden, waarvan meerdere aan [appellant] dan wel zijn familie hebben toebehoord, gebruik heeft gemaakt van diverse historische bronnen en volksverhalen (rechtsoverweging 4.4). [appellant] heeft gesteld dat de aanwijzing van monumenten op grond van de Monumentenwet 1988 dient te geschieden op basis van objectieve en verifieerbare gegevens. De rechtbank heeft volgens hem niet gemotiveerd van welke historische bronnen Libau gebruik heeft gemaakt. Bovendien had Libau zich naar zijn mening niet op volksverhalen mogen baseren.

3.23

Het hof stelt vast dat de rechtbank inderdaad zonder nadere motivering heeft geoordeeld dat Libau gebruik heeft gemaakt van diverse historische bronnen en volksverhalen. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt echter dat Libau bij de beschrijving van het pand [adres] en van het dorpsgezicht [naam dorpsgezicht] de schriftelijke bronnen heeft vermeld waaruit is geput, terwijl een deel van de beschrijving van het pand [adres 3] is gebaseerd op volksverhalen. Het hof tekent hierbij aan dat volksverhalen ter onderbouwing van met name de cultuurhistorische waarde van een pand van betekenis kunnen zijn, mits voldoende geverifieerd. Met betrekking tot de andere panden is niet duidelijk geworden welke bronnen Libau heeft gebruikt, omdat partijen niet de volledige beschrijving in het geding hebben gebracht. In zoverre slagen de grieven I en III. Mede in aanmerking genomen dat een beschrijving vanwege het enkel ontbreken van de geraadpleegde bronnen nog niet onjuist behoeft te zijn, laat staan onrechtmatig jegens [appellant] , zal pas in het vervolg blijken in hoeverre [appellant] wordt gebaat door het gedeeltelijk slagen van beide grieven.

3.24

Grief II is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank (rechtsoverweging 4.4) dat de huidige eigenaren van de panden die in het verleden aan de familie [appellant] hebben toebehoord geen bezwaar hebben gemaakt tegen de beschrijving van de panden door Libau.

3.25

Nu [appellant] in de toelichting op de grief heeft gesteld dat deze vaststelling niet relevant is zal het hof deze grief verder buiten beschouwing laten.

3.26

De grieven IV tot en met IX bestrijden vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de rechtbank dat Libau niet onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [appellant] .

Meer in het bijzonder heeft [appellant] aangevoerd dat Libau met de door haar opgestelde omschrijvingen niet alleen het ongenuanceerde en uitermate negatieve beeld van de landbouwers van weleer heeft ondersteund, maar de negatieve beeldvorming nog een extra injectie heeft gegeven door het gebruik van termen als 'herenboer' en door populistisch en badinerend taalgebruik. Daarbij heeft Libau in de visie van [appellant] specifiek ingezoomd

op zijn familie. Volgens [appellant] heeft Libau aldus een negatief beeld van zijn ouders en voorouders neergezet en hem de facto weggezet als kind van 'foute ouders', een stigma dat hij van kinds af aan heeft gevoeld (memorie van grieven punt 5.1.2). Door deze persoonsgegevens te verzamelen en op te nemen in openbare stukken heeft Libau in de opvatting van [appellant] het recht op een goede naam van hem en zijn (voor)ouders aangetast en inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer (memorie van grieven 5.1.4).

3.27

Naar het oordeel van het hof dient bij de bespreking van deze grieven een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds het pand [adres] en anderzijds de overige panden en het beschermd dorpsgezicht [naam dorpsgezicht] .

3.28

Waar het betreft de panden [adres 6] , [adres 3] , [adres 5] en het beschermd dorpsgezicht [naam dorpsgezicht] , moet worden vastgesteld dat [appellant] geen eigenaar is of is geweest van deze panden. In de omschrijving van het pand [adres 3] wordt het handelen van één van de voorouders van [appellant] in 1924 beschreven. In de omschrijving van het pand [adres 5] worden de namen vermeld van twee leden van de familie [appellant] in 1908 en 1915, naar aanleiding van de bouw, respectievelijk de verkoop van het pand. Ter zake van het pand [adres 6] en het beschermd dorpsgezicht [naam dorpsgezicht] wordt de naam [appellant] in het geheel niet genoemd.

Daargelaten of in de omschrijving van deze panden enkele fouten zijn gemaakt, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van aantasting van de goede naam van [appellant] , dan wel inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. De omschrijvingen als zodanig zijn niet grievend van aard en de beschreven handelingen hebben bovendien omstreeks honderd jaar geleden plaatsgevonden. Daarnaast is er geen sprake van aantasting van de nagedachtenis van een overledene als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder c BW, nu [appellant] niet heeft gesteld dat het hier gaat om familieleden van hem in de eerste of tweede graad.

3.29

Met betrekking tot het pand [adres] , waarvan [appellant] eigenaar is, stelt het hof vast dat Libau in de eerste omschrijving [X] en [Y] als architecten heeft vermeld, terwijl het aannemers betrof. Libau heeft verder in de eerste omschrijving vermeld dat het pand is gebouwd in de trant van de Amsterdamse School. Naderhand is dat gewijzigd in Interbellumstijl. In zoverre was de omschrijving van het pand in eerste instantie onjuist.

3.30

Het enkele feit dat in de eerste omschrijving van het pand [adres] fouten zijn gemaakt wil echter nog niet zeggen dat Libau daarmee onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [appellant] . De beschrijvingen zijn niet denigrerend of anderszins grievend jegens [appellant] en/of zijn familie. Naar het oordeel van het hof kan niet in rechte staande worden gehouden dat [appellant] daardoor is aangetast in zijn goede naam, dan wel zijn persoonlijke levenssfeer.

3.31

De vermelding in de reactie op het bezwaarschrift van [appellant] dat de beter gesitueerde boeren gingen shoppen in het westen van land en zich daar lieten inspireren door de bouwstijlen, getuigt weliswaar van een populair taalgebruik, maar gesteld, noch gebleken is dat deze beschrijving als zodanig onjuist is. Evenmin is de beschrijving objectief bezien denigrerend of anderszins kwetsend. Daarbij laat het hof in het midden of deze beschrijving van Libau afkomstig is. Libau heeft dat namelijk ontkend.

3.32

Ter zake van het beroep van [appellant] op de Wet bescherming persoonsgegevens(Wbp) overweegt het hof het volgende. [appellant] is slechts als eigenaar van het pand [adres] opgenomen in het Kadaster, dit betreft een openbaar register. Hij heeft niet aangetoond dat de omschrijving van het pand door Libau gedurende de periode tussen de aanwijzing van het pand [adres] als beschermd monument en de intrekking van de aanwijzing naar aanleiding van de door [appellant] gevoerde procedure in het Kadaster opgenomen is geweest. Bovendien zijn in de omschrijving van het pand geen persoonlijke gegevens van [appellant] vermeld. Het beroep van [appellant] op de Wbp slaagt in zoverre niet.

3.33

Waar het betreft de vermelding van zijn (voor)ouders in de in de registers van het Kadaster opgenomen omschrijvingen moet worden geoordeeld dat [appellant] in beginsel geen beroep toekomt op de bepalingen van de Wbp. Voor zover nog één van zijn ouders in leven mocht zijn komt hem of haar een zelfstandig beroep toe op de bepalingen van deze wet en voor zover zij zijn overleden komt nabestaanden in beginsel geen beroep toe op de bepalingen van deze wet. Artikel 1 aanhef en onder a Wbp verstaat namelijk onder persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. In de Memorie van Toelichting op deze bepaling is daarover vermeld:

"Gegevens die betrekking hebben op overledenen of rechtspersonen, zijn geen persoonsgegevens als bedoeld in het onderhavige artikel. Hebben deze gegevens echter eveneens betrekking hebben op nog levende, natuurlijke personen en kunnen zij mede bepalend zijn voor de wijze waarop deze in het maatschappelijk verkeer worden beoordeeld of behandeld, dan zijn zij wel weer een persoonsgegeven." (Tweede Kamer, Vergaderjaar 1997-1998, Kamerstuk 25892 nr. 3, Artikelsgewijze toelichting , Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen, Artikel 1, onderdeel a)

[appellant] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de vermelding in de verschillende omschrijvingen van de naam [appellant] mede betrekking heeft op hem, noch dat die vermeldingen bepalend zijn voor de wijze waarop hij in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld of behandeld. Ook in zoverre slaagt het beroep van [appellant] op de Wbp niet.

3.34

Van onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW is dan ook geen sprake, noch van schending van artikel 10 lid 1 Grondwet en artikel 8 EVRM.

3.35

De grieven IV tot en met IX falen.

Slotsom

3.36

Nu de grieven falen, dient het bestreden vonnis van 18 april 2012 te worden bekrachtigd.

3.37

[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, die aan de zijde van Libau worden begroot op € 291,- aan verschotten (griffierecht) en € 894,- (1 punt, tarief II, € 894,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 18 april 2012 van de rechtbank Groningen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Libau vastgesteld op € 291,- voor verschotten en € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest, voor zover het de hiervoor vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. R.E. Weening en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 augustus 2015.