Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6079

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
200.170.753/01 en 200.171.146/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van pasgeboren baby.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.170.753/01 en 200.171.146/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C08/169265/JE RK 15-429)

beschikking van de familiekamer van 14 augustus 2015

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.170.753/01 van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. Bentem, kantoorhoudend te Enschede,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoorhoudend te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende te [B] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.F. Kiers, kantoorhoudend te Deventer,

2. [de pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders,

3. William Schrikker Jeugdbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

en in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.171.146/01 van

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.F. Kiers, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoorhoudend te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [verzoekster] ,

wonende te [A] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. Bentem, kantoorhoudende te Enschede,

2. [de pleegouders] ,

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders,

3. William Schrikker Jeugdbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.170.753/01

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 mei 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking op het punt van de machtiging uithuisplaatsing te vernietigen, zodat de minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2015, wordt toegeleid naar het gezin van de moeder in samenspraak met andere familieleden dan wel naar een ander familielid in het netwerk van de moeder.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 juni 2015, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

De vader, de pleegouders en de GI hebben binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

in de zaak met zaaknummer 200.171.146/01

2.4

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 mei 2015, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, nader rechtdoende, te bepalen dat er geen machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] mag worden afgegeven, kosten rechtens.

2.5

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 juli 2015, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.

2.6

De moeder, de pleegouders en de GI hebben binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.7

Ter griffie van het hof is op 11 juni 2015 binnengekomen een journaalbericht namens mr. Kiers met bijlage.

in beide zaken

2.8

De mondelinge behandeling heeft op 7 augustus 2015 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Namens de raad is de heer [C] verschenen.

Namens de GI zijn verschenen mevrouw [D] en mevrouw [E] .

Met toestemming van een ieder was mevrouw [F] (hierna: de oma) als informant in de zittingszaal aanwezig.

3 De vaststaande feiten

3.1

[de minderjarige1] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [de minderjarige1] op

2 maart 2015 voor haar geboorte erkend. De ouders zijn sinds 19 juni 2015 gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige1] belast. De ouders wonen thans niet samen maar zijn voornemens op korte termijn te gaan samenwonen.

3.2

Uit een eerdere relatie van de moeder is [in] 2007 [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ) geboren. [de minderjarige2] staat sinds 31 oktober 2013 onder toezicht van Jeugdbescherming Overijssel en is met een machtiging uit huis geplaatst bij de oma.

3.3

Uit eerdere relaties van de vader zijn geboren:

- [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), [in] 2010;

- [de minderjarige4] (hierna: [de minderjarige4] ), [in] 2012;

- [de minderjarige5] (hierna: [de minderjarige5] ), [in] 2013.

[de minderjarige3] en [de minderjarige4] wonen in het vrijwillig kader in een pleeggezin. [de minderjarige5] woont bij zijn moeder. De vader heeft geen contact met [de minderjarige5] .

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, op 16 maart 2015, heeft de raad verzocht de op dat moment nog ongeboren [de minderjarige1] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de GI en de GI te machtigen om [de minderjarige1] direct na haar geboorte voor de duur van de ondertoezichtstelling gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin.

3.5

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 17 maart 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet genomen.

3.6

Ter zitting van 19 maart 2015 heeft de raad het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing beperkt tot zes maanden, zoals ook beschreven in het raadsrapport van

16 maart 2015.

3.7

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 19 maart 2015 heeft de kinderrechter de toen nog ongeboren [de minderjarige1] met ingang van 19 maart 2015 tot 19 september 2015 onder toezicht gesteld van de GI en de GI gemachtigd de minderjarige met ingang van de dag van geboorte tot 19 september 2015 dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 juncto 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de raad de GI machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.2

De ouders kunnen kan zich met de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] niet verenigen. Hun appel richt zich niet tegen de ondertoezichtstelling.

4.3

Voor zover de ouders klagen over de wijze van tot stand komen van de bestreden beschikking - in het bijzonder over het niet in acht nemen van artikel 6 EVRM - hebben de ouders geen belang bij behandeling van die klacht. Immers, de ouders hebben thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en zijn in de gelegenheid gesteld hun inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 19 maart 2015 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.

De omstandigheid dat partijen daardoor niet, althans niet ten volle in de gelegenheid zijn hun zaak in twee feitelijke instanties te laten behandelen, doet hieraan niet af.

Bovendien heeft de kinderrechter ter zitting van 19 maart 2015 nadrukkelijk aan de orde gesteld dat hem aanvankelijk mondeling om een spoedbeslissing was gevraagd, maar dat hij het beter vond om de zaak met spoed op zitting te zetten en de ouders eerst te horen. Nu de ouders tegen deze toelichting van de kinderrechter verder niet in het geweer zijn gekomen en/of hebben verzocht de zaak aan te houden, is het hof van oordeel dat hun recht op een eerlijk proces niet is geschonden. De keuze van de kinderrechter acht het hof naar de ouders toe juist zorgvuldig. Zo ook mr. Bentem blijkens het proces-verbaal van 19 maart 2015.

Daarbij komt dat de raad in zijn verweerschriften in hoger beroep in beide zaken, nader toegelicht ter zitting, uitvoerig en gemotiveerd heeft beschreven wat zich in de periode tussen de eerste melding van de gezinsvoogd van [de minderjarige2] bij de raad op 11 september 2014 en de indiening van het verzoek bij de kinderrechter op 16 maart 2015 heeft afgespeeld. De raad heeft meermalen en gedurende een langere periode tevergeefs geprobeerd in contact/gesprek te komen met de ouders hetgeen niet gelukt is. Toen op 16 maart 2015 de bevallingsdatum naderde heeft de raad terecht besloten niet langer te wachten en het verzoek in te dienen.

4.4

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat, anders dan de ouders aanvoeren, de gronden voor uithuisplaatsing in ieder geval voor de ter beoordeling van het hof staande periode aanwezig zijn. Aangezien de maatregel van ondertoezichtstelling hier niet ter discussie staat is de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van [de minderjarige1] voor het hof een gegeven. Gelet op de afwijzende houding van de ouders richting de hulpverlening en de forse bedreigingen door de ouders richting de raad, zoals omschreven in het raadsrapport van 16 maart 2015, heeft de kinderrechter naar het oordeel van het hof op 19 maart 2015 op goede gronden naast de ondertoezichtstelling een machtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken voor zodra [de minderjarige1] geboren zou zijn. Bij gebrek aan medewerking van de ouders en het daardoor ontbreken van inzicht in en toezicht op hun actuele thuis- en opvoedingssituatie in combinatie met de bekende gegevens over hun voorgeschiedenis, persoonlijkheids-problematiek en opvoedingsvaardigheden, waarbij met name de (gedwongen) uithuisplaatsingen van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] alsmede de justitiële documentatie van de vader in het oog springen, was de uithuisplaatsing van de nog maar een paar uur oude [de minderjarige1] , hoe schrijnend en verdrietig ook, op dat moment de enige manier om haar gezondheid en veiligheid als pasgeborene te beschermen.

Aldus was en is sprake van één van de in artikel 8 lid 2 EVRM omschreven uitzonderingen, zodat het hof, anders dan de vader, geen schending van het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven aanwezig oordeelt.

4.5

Het hof is het met de raad en de kinderrechter eens dat de met de ondertoezichtstelling nagestreefde doelen ter afwending van de gegeven ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige1] in ieder geval niet voor 19 september 2015 bereikt kunnen worden bij de ouders of de oma thuis. De kinderrechter heeft op 19 maart jl. wel geoordeeld dat ruimte moest komen voor nader onderzoek naar de mogelijkheden van de oma. Het hof onderschrijft dat oordeel. De kinderrechter heeft daar destijds echter de voorwaarde aan verbonden dat de ouders en de oma meewerken aan de ondertoezichtstelling en hulp aanvaarden. Ter zitting van het hof is gebleken dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Net als eerder met de raad verloopt ook de samenwerking tussen de ouders en de GI uiterst stroef. Ondanks de nog maar betrekkelijk korte duur van de ondertoezichtstelling heeft er al een wisseling van gezinsvoogd plaatsgevonden. De eerste gezinsvoogd van [de minderjarige1] heeft zich teruggetrokken in verband met ernstige (doods)bedreigingen richting haar door de vader. Ook de verhouding tussen de huidige gezinsvoogd en de ouders, met name de vader, is ernstig verstoord.

4.6

De ouders verwijten de raad en de GI dat onvoldoende is en wordt gekeken naar hun eigen mogelijkheden en die van hun familie/netwerk, waaronder de oma en de tante (zus van de moeder), om [de minderjarige1] op de voeden. Het hof onderschrijft het standpunt van de ouders dat primair onderzocht moet worden of een kind bij zijn ouders of andere naaste familie kan opgroeien. Daarvoor is echter wel een eerste vereiste dat de ouders en de hulpverlening met elkaar in gesprek komen. De volgende stap is dat de ouders, eventuele overige betrokkenen en de hulpverlening gaan samenwerken. Dat is de enige manier om in het belang van [de minderjarige1] tot een goede oplossing te komen en mogelijk een perspectief op thuis- of netwerkplaatsing te bewerkstelligen. Hoewel de heftige emoties van de ouders in deze ingrijpende kwestie begrijpelijk zijn, moet met name de vader zich wel realiseren dat de wijze waarop hij zijn gevoelens uit tot escalatie kan leiden, hetgeen zeer zeker niet in het belang is van [de minderjarige1] .

Het hof roept partijen en betrokkenen op om in het belang van [de minderjarige1] alle denkbare wegen te bewandelen om tot een zo goed mogelijke samenwerking te komen. Daarbij zal iedereen over en weer oog moeten hebben voor elkaars standpunten en gevoeligheden. De medewerkers van de raad en van de GI voel(d)en zich bedreigd door de vader, maar de ouders voelen zich op hun beurt bedreigd door de raad en de GI. Invoelbaar is dat de houding en acties/reacties van de ouders vooral zijn ingegeven door de angst om [de minderjarige1] (voorgoed) te verliezen.

Het hof juicht het voorstel van mr. Bentem toe om op zijn kantoor een gesprek te organiseren waarbij hij de veiligheid garandeert. Wellicht is het ook een optie om toch nog een andere gezinsvoogd aan te stellen om de huidige impasse te doorbreken. Mevrouw [G] van Jeugdbescherming Gelderland, voormalig gezinsvoogd van de vader zelf en van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] , heeft altijd met de vader kunnen samenwerken. Zij schrijft de raad in haar email van 21 februari 2015 - onder meer - dat het noodzakelijk is dat de hulpverlening in samenwerking met de vader de juiste snaar weet te raken en zich niet meteen laat afschrikken door zijn attitude. Gelet op [de minderjarige1] 's leeftijd en de naderende cruciale hechtingsfase moeten thans alle zeilen worden bijgezet om duidelijkheid te krijgen over haar toekomstperspectief. Ook de ouders hebben daar recht op.

4.7

Het hof is in dat kader van oordeel dat de mogelijkheden van de oma om [de minderjarige1] te verzorgen en op te voeden beter moeten worden onderzocht. [de minderjarige2] woont ook al bijna twee jaar naar ieders tevredenheid bij de oma en zij heeft op de zitting een goede indruk gemaakt. Gebleken is dat het contact tussen de GI en de oma open is gebleven. Hier acht het hof een taak voor de GI weggelegd.

Nu de ouders van plan zijn om op korte termijn te gaan samenwonen dienen ook de opvoedingsmogelijkheden van de moeder en de vader in gezamenlijkheid nader te worden onderzocht. De vader merkt terecht op dat in het raadsrapport staat vermeld dat de moeder weliswaar niet zelfstandig in staat is om voor [de minderjarige1] te zorgen, maar eventueel wel met een sterke partner aan haar zijde. De vader ziet zichzelf als die sterke partner.

4.8

Alles overziend acht het hof de maatregel van uithuisplaatsing in ieder geval tot

19 september 2015 noodzakelijk met het oog op het herstel van de gezinsband en de afweer van [de minderjarige1] 's ontwikkelingsbedreiging.

4.9

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 maart 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. M.P. den Hollander en

mr. E.M. Kostense, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 augustus 2015 in bijzijn van de griffier.