Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6076

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
200.171.327/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondercuratelestelling. De minder ingrijpende maatregel van onderbewindstelling volstaat in dit geval niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.171.327/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2844772 AZ VERZ 14-2778)

beschikking van de familiekamer van 6 augustus 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. G.J.P.M. Grijmans, kantoorhoudend te Bolsward,

tegen

[verweerder],

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de broer of de curator,

advocaat: mr. A. Kauling-Leeftink, kantoorhoudend te Oosterwolde (Friesland).

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de halfzus] ,

wonende te [C] ,

hierna te noemen: de (half)zus,

2. [de vader],

wonende te [D] ,

hierna te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter, locatie Leeuwarden van de rechtbank Noord-Nederland, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en gedateerd in de aanhef van de beschikking op 10 februari 2015 en in het slot op 5 maart 2015. [verzoeker] heeft onbestreden aangevoerd dat de beschikking op 5 maart 2015 is uitgesproken.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 juni 2015, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair de broer niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel hem die verzoeken te ontzeggen als zijnde niet gegrond of niet juist, met veroordeling van de broer in de kosten van de procedure in beide instanties, subsidiair [verzoeker] onder curatele te stellen met de benoeming van een onafhankelijke derde als curator, met veroordeling van de broer in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 juli 2015, heeft de broer het verzoek in hoger beroep van [verzoeker] bestreden.

2.3

De vader en de zus hebben binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 3 juni 2015 een brief van 27 mei 2015 van mr. Grijmans;

- op 10 juli 2015 een journaalbericht van 9 juli 2015 van mr. Grijmans met bijlage.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 20 juli 2015 plaatsgevonden. Verschenen zijn [verzoeker] , bijgestaan door mr. Van der Meer, kantoorgenoot van mr. Grijmans, de broer, bijgestaan door mr. Kauling-Leeftink, en de zus. De vader is uitgenodigd voor de zitting maar niet verschenen.

Ter zitting heeft mr. Van der Meer het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 10 februari 2015 overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

[verzoeker] is [in] 1944 geboren in [E] . Bij beschikking van de kantonrechter in Hilversum van 7 maart 2001 is een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] en is de broer tot bewindvoerder benoemd.

3.2

De broer heeft het inleidend verzoek tot ondercuratelestelling van [verzoeker] op 3 maart 2014 ingediend bij voornoemde rechtbank.

3.3

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in die rechtbank [verzoeker] onder curatele gesteld wegens zijn geestelijke toestand en de broer tot curator benoemd.

4 De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.1

De broer heeft erop gewezen dat [verzoeker] eerder hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking, te weten op 17 april 2015 en dat het hof op 2 juni 2015 een beschikking (zaaknummer 200.168.877/01) heeft gegeven in dat hoger beroep. In die beschikking heeft het hof appellant niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek in hoger beroep, omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. De broer is van mening dat [verzoeker] niet nogmaals hoger beroep heeft mogen indienen.

4.2

Nu niet betwist is dat de beroepstermijn tegen de bestreden beschikking nog niet verstreken was, heeft [verzoeker] opnieuw een hoger beroepschrift kunnen en mogen indienen binnen de geldende beroepstermijn. Niet in geschil is dat het griffierecht in deze procedure wel tijdig is voldaan. [verzoeker] kan dan ook worden ontvangen in dit hoger beroep.

De gang van zaken in eerste aanleg

4.3

[verzoeker] heeft erover geklaagd dat de bestreden beschikking niet op de juiste wijze tot stand is gekomen, omdat de beschikking door een andere kantonrechter is gegeven dan de kantonrechter die de zaak ter zitting heeft behandeld, hij niet opnieuw gehoord is en zijn verweren niet zijn besproken in de bestreden beschikking.

4.4

Het hof zal deze klachten niet inhoudelijk bespreken nu [verzoeker] geen belang heeft bij behandeling daarvan. Hij heeft immers thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en hij is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Het hof zal de zaak op het bestaande hoger beroep zelf behandelen en beslissen.

De ondercuratelestelling

4.5

[verzoeker] stelt dat hij ten onrechte onder curatele is gesteld. Hij acht de maatregel te zwaar. De broer en de zus achten de door de kantonrechter uitgesproken ondercuratelestelling evenwel noodzakelijk.

4.6

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

4.7

Aan de orde is de vraag of de kantonrechter terecht en op goede gronden [verzoeker] onder curatele heeft gesteld. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de betrokkene als gevolg van zijn geestelijke stoornis onvoldoende in staat is om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

4.8

Bij [verzoeker] is al jarenlang sprake van een toename van gezondheidsproblemen waardoor hij steeds meer zorg en begeleiding nodig heeft (gehad). Immers is [verzoeker] in 1995 opgenomen geweest op de afdeling psychiatrie van het [F] in verband met een vermoedelijke depressie. Nadien nam zijn drankgebruik toe waarbij hij ook regelmatig cannabis rookte. In 1996 is door het [F] geconstateerd dat [verzoeker] waarschijnlijk een klein herseninfarct heeft gehad en dat er sprake was van alcoholabusus en cannabisgebruik. In 1998 en in 2000 is hij ook in het [F] behandeld. In 2001 is [verzoeker] opgenomen geweest in [G] , centrum voor neuropsychiatrie, waar de neuroloog heeft geconstateerd dat er bij [verzoeker] sprake is van mogelijk frontotemporale dementie. In 2005 is [verzoeker] opgenomen geweest op de afdeling neurologie [H] . In 2006 heeft [verzoeker] een suïcide poging gedaan waarna hij is opgenomen geweest op de PAAZ afdeling van [H] , gevolgd door weer een opname in [G] in verband met geheugenstoornissen, traagheid, verminderd executief functioneren, onaangepast provocerend en dwingend gedrag en verdraaien van gemaakte afspraken.

De broer heeft vervolgens in 2007 een woning voor [verzoeker] geregeld in het [I] . Het doel was dat hij daar met professionele hulp (zoals GGZ-Friesland) zelfstandig zou wonen, maar dat is reeds na een korte periode mislukt. Er ontstond een onhoudbare situatie als gevolg van excessen, stelen en geld lenen, verkoop van eigendommen en weer middelenmisbruik. [verzoeker] moest daarom vertrekken.

Vanaf oktober 2007 tot op heden woont [verzoeker] in [J] in [A] . Sinds 2011 is er bij [verzoeker] sprake van partieel complexe epileptische aanvallen. Ook in 2012 heeft [verzoeker] absences (een bepaald type epileptische aanvallen) gehad. In 2013 is er wederom sprake geweest van een Cerebro Vasculair Accident (CVA) en een insult (een epilepsieaanval). [verzoeker] is volgens informatie van [J] steeds zeer zorg- en structuurafhankelijk. Hij vertoont sociaal onacceptabel gedrag en kan zich buiten een beschermde woonomgeving niet staande houden. Niet bestreden is dat [verzoeker] de zwaarste zorgindicatie heeft, te weten beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding.

4.9

De broer heeft een rapport van een ouderenpsychiater de heer [K] van 15 december 2014 in het geding gebracht. [verzoeker] bestrijdt de juistheid van de conclusies in dat rapport omdat [K] hem niet heeft verteld, dat hij een psychiater is en dat hij een rapportage zou opstellen, en omdat [K] maar vijf minuten met hem heeft gesproken.

[K] heeft evenwel aangegeven dat zijn verklaring tot stand is gekomen na een medisch psychiatrisch onderzoek en raadpleging van het zorgpersoneel en de behandelend arts. [K] heeft voorts bestreden dat hij maar vijf minuten met [verzoeker] heeft gesproken. [K] heeft geconstateerd dat [verzoeker] een beperkt overzicht heeft over zijn eigen functioneren en zijn beperkingen niet adequaat inschat. Er is sprake van geheugenproblemen, overzichtsproblemen, mentale traagheid, oordeels- en kritiekstoornissen en neiging tot zelfverwaarlozing indien niet aangestuurd. De geestelijke beperkingen en het ontbrekend besef bij [verzoeker] maken dat [K] hem niet in staat acht zijn eigen vermogensrechtelijke en niet vermogensrechtelijke belangen zelf ten volle naar behoren te kunnen waarnemen. Het hof heeft geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van [K] .

4.10

Dat [verzoeker] niet in staat moet worden geacht tot een behoorlijke waarneming van zijn vermogensrechtelijke belangen als gevolg van zijn geestelijke toestand - reden waarom het beschermingsbewind in 2001 is uitgesproken - is niet in geschil. Het hof is ervan overtuigd geraakt dat [verzoeker] ook zijn andere belangen niet behoorlijk waarnemen kan, zoals blijkt uit zijn wens om weer zelfstandig te gaan wonen, terwijl dat eerder ook niet is gelukt en de huidige zorgverleners en het CIZ aangegeven hebben dat dat geen haalbare kaart is. [verzoeker] heeft iemand nodig die op alle gebieden in zijn belang kan handelen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met de minder ingrijpende maatregelen van onderbewindstelling, zoals die voor de bestreden beschikking van toepassing was, in combinatie met mentorschap, omdat de handelingsbekwaamheid van de betrokkene door de minder verstrekkende maatregelen niet wordt opgeheven en deze [verzoeker] om die reden onvoldoende bescherming bieden. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de ondercuratelestelling van [verzoeker] de meest passende voorziening is.

De persoon van de curator

4.11

Vervolgens rijst de vraag wie tot curator benoemd dient te worden.

Curatele is een ingrijpende beschermingsmaatregel waardoor een onder curatele gestelde handelingsonbekwaam wordt. De wetgever heeft de onder curatele gestelde evenwel invloed gegeven bij de keuze wie zijn belangen gaat behartigen. De wet schrijft in artikel 1:383 lid 2 BW voor dat de rechter bij de benoeming van de curator in principe de uitdrukkelijke voorkeur van de curandus volgt. [verzoeker] heeft een uitdrukkelijke voorkeur om niet zijn broer of zus als curator te benoemen maar een onafhankelijke derde.

Alleen als gegronde redenen zich tegen een zodanige benoeming verzetten, kan de rechter van de voorkeur van de curandus afwijken. De wettelijke voorkeur voor andere personen die genoemd worden in lid 3 van voornoemd artikel, voor bijvoorbeeld een broer of zus, is niet een dergelijke reden. Lid 3 is namelijk pas van toepassing als lid 2 niet gevolgd wordt. Van andere objectiveerbare redenen om de voorkeur van [verzoeker] niet te volgen, is niet gebleken. Het betoog van de broer dat hij en zijn zus geschikt zijn als curator, dat de familiecontacten in stand moeten worden gehouden, dat zij het meest betrokken op hem zijn en het meest voor [verzoeker] kunnen betekenen, is onvoldoende rechtvaardiging om van de voorkeur van [verzoeker] af te wijken.

4.12

Nu [verzoeker] een onafhankelijke, professionele curator wenst maar geen specifiek persoon heeft voorgedragen, zal het hof overgaan tot de benoeming van een professionele curator. Het hof zal [L] B.V., kantoorhoudend te [M] tot curator benoemen. Deze curator is aangesloten bij de Branchevereniging Professionele Bewindvoerders en Inkomenbeheerders (BPBI) en heeft zich bij brief van 23 juli 2015 bereid verklaard benoemd te worden tot curator van [verzoeker] .

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking

voor zover het de ondercuratelestelling betreft te bekrachtigen en voor zover het de benoeming van de broer tot curator betreft, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren. Het hof ziet in de familierelatie tussen partijen aanleiding geen kostenveroordeling uit te spreken.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 maart 2015 voor zover het de ondercuratelestelling van [verzoeker] , geboren [in] 1944 betreft;

vernietigt voornoemde beschikking voor zover het de benoeming van de broer tot curator betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

benoemt [L] B.V., kantoorhoudend te [M] , tot curator;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. A.H. Garos en mr. G.K. Schipmölder, bijgestaan door de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 augustus 2015.