Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6073

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
200.160.482/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag, informatieplicht, zorgregeling en kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.160.482/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C 18 / 145700 / FA RK 14-47)

beschikking van de familiekamer van 28 juli 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.G. Mellens-Schrage, kantoorhoudend te Hoogezand,

tegen

[verweerder],

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.H. Tjabringa, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 september 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 2 december 2014;

- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 december 2014, ingekomen op
8 december 2014;

- de brief van mr. Mellens-Schrage van 10 december 2014 met bijlage, ingekomen op

12 december 2014;

- het journaalbericht van mr. Mellens-Schrage van 15 december 2014 met bijlage, ingekomen op 15 december 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 12 januari 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 10 februari 2015;

- een journaalbericht van mr. Mellens-Schrage van 9 maart 2015 met bijlagen, ingekomen op 10 maart 2015;

- een journaalbericht van mr. Tjabringa van 12 maart 2015 met bijlagen, ingekomen op
16 maart 2015.

2.2

De minderjarige [de minderjarige2] heeft bij brief van 9 maart 2015, ingekomen ter griffie van het hof op 17 maart 2015, aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de zaak.

2.3

De minderjarige [de minderjarige1] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 26 maart 2015 door een raadsheer-commissaris gehoord.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2015 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Mellens-Schrage, en de man, bijgestaan door mr. Tjabringa.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1990 te [C] met elkaar gehuwd,
uit welk huwelijk vier kinderen zijn geboren, te weten [de meerderjarige] (ook te noemen: [de meerderjarige] ), geboren [in] 1994 te [D] , en de thans nog minderjarige [de minderjarige1] (ook te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 1998 te [E] , [de minderjarige2] (ook te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2000 te [E] ,
en [de minderjarige3] (ook te noemen: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2004 te [E] . [de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. [de minderjarige1] verblijft vanaf februari 2012 in zorginstelling ' [F] '.

3.2

Partijen hebben op 2 februari 2012 een ouderschapsplan en tevens een echtscheidingsconvenant ondertekend.

3.3

In artikel 3.1 (Kinderalimentatie) van het echtscheidingsconvenant is opgenomen: 'De draagkracht van de man is in onderling overleg (…) vastgesteld op € 400,-- netto per maand voor 4 kinderen. Partijen komen overeen dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie verstrekt van € 400,-- netto per maand (…) ingaande per datum waarop de woning verkocht is en de vrouw verhuisd is.'

3.4

In artikel 3.6 (Partneralimentatie) onder a. van het echtscheidingsconvenant is opgenomen:

' (…) Partijen zijn in onderling overleg overeengekomen dat de man maandelijks € 645,-- bruto partneralimentatie verstrekt aan de vrouw (…), voor het eerst per datum verkoop woning en verhuizing vrouw.'

3.5

In artikel 4.4 (Gebruiksrecht van de echtelijke (koop)woning) van het echtscheidingsconvenant is onder sub a. opgenomen:

'Het gebruiksrecht van de echtelijke woning (…) is toebedeeld aan de vrouw tot het moment waarop de woning verkocht is en de vrouw verhuisd is.'

Onder sub b. is opgenomen:

'De vaste lasten die verbonden zijn aan de echtelijke woning komen tot bovengenoemd moment ten laste van de man. (…). De vrouw betaalt de kosten van levensonderhoud tot het moment waarop de woning verkocht is en de vrouw verhuisd is.'

3.6

Bij beschikking van 11 april 2012 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken
en is tevens bepaald dat de regelingen, zoals tussen partijen overeengekomen in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan, als herhaald en ingelast worden beschouwd en deel uitmaken van de beschikking.

3.7

Het huwelijk van partijen is op 4 mei 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.8

Bij inleidend verzoekschrift van 8 januari 2014, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 9 januari 2014, heeft de vrouw de rechtbank verzocht om de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2012 te wijzigen en te bepalen dat de man wordt belast met het eenzijdig ouderlijk gezag over [de minderjarige1] , dat in het kader van een zorgregeling te gelden heeft dat de man [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij zich heeft gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van alle school-vakanties en feestdagen, waarbij partijen ieder jaar in september afspraken zullen maken omtrent de verdeling van de schoolvakanties en feestdagen voor het komende jaar en waarbij de man de kinderen ophaalt en bij de vrouw terugbrengt, en dat de man met ingang van
9 januari 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] aan de vrouw bij vooruitbetaling een bedrag van € 400,-- per kind per maand dient te voldoen.

3.9

De man heeft zich tegen het inleidende verzoek van de vrouw verweerd en heeft daarbij tevens een zelfstandig verzoek gedaan. De vrouw heeft zich tegen het zelfstandige verzoek van de man verweerd.

3.10

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat de minderjarigen één weekend in de maand van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven, en verder zo vaak als partijen in onderling overleg kunnen plannen, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de vrouw uiterlijk binnen twee weken aan de man alle financiële- en zorginformatie ten behoeve van [de minderjarige1] , zoals genoemd onder sub C van het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, dient af te geven voor zover de vrouw deze in haar bezit heeft. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

3.11

Op 15 september 2014 is de echtelijke woning verkocht en overgedragen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 9 september 2014. Zij beoogt in haar beroepschrift het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.2

De man is met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op het gezag over [de minderjarige1] , de tussen de man en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] vast te stellen zorgregeling en de informatie- en consultatieplicht.

4.3

In geschil is derhalve de afwijzing van het verzoek om het gezag over [de minderjarige1] alleen aan de man toe te wijzen, de beslissing dat de vrouw uiterlijk binnen twee weken na de datum van de beschikking waarvan beroep aan de man alle financiële- en zorginformatie ten behoeve van [de minderjarige1] , zoals genoemd onder sub C van het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, dient af te geven voor zover de vrouw deze in haar bezit heeft,
de vastgestelde zorgregeling tussen de man en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , de informatie- en consultatie-plicht en (de ingangsdatum van) de door de man te betalen bijdrage in de kosten verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

5 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van het gezag ( [de minderjarige1] )

5.1

Uit de standpunten van partijen, de tekst van het echtscheidingsconvenant en de beschikking waarvan beroep kan worden afgeleid dat partijen thans gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige1] zijn belast. Zowel de vrouw als de man stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige1] klem of verloren zou raken tussen de ouders indien zij gezamenlijk het ouderlijk gezag over hem (blijven) uitoefenen. Volgens partijen zijn zij niet in staat om op een normale wijze met elkaar te communiceren en is er tussen hen geen enkel overleg mogelijk. Partijen zijn het er over eens dat de man dient te worden belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] , nu de man zich bezighoudt met het dagelijks wel en wee van [de minderjarige1] en contact met [de minderjarige1] heeft, terwijl de vrouw vrijwel geen contact heeft met [de minderjarige1] en zij geen enkel contact met de man heeft over zaken aangaande [de minderjarige1] .

5.2

Het hof overweegt het volgende. Het wettelijke uitgangspunt is dat het gezag over minderjarige kinderen na een echtscheiding gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Op grond van artikel 1:253n lid 2 BW juncto artikel 1:251a lid 1 BW kan het bestaande gezamenlijk gezag slechts worden gewijzigd in gezag van een ouder alleen indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren zou raken tussen de ouders bij het (blijven) uitoefenen van gezamenlijk gezag en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of (b) wijziging anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.3

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het door partijen aangevoerde, zoals hiervoor uiteengezet, noch andere feiten of omstandigheden aanleiding geven om af te wijken van het uitgangspunt dat ouders in geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Niet is gebleken van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige1] klem of verloren zal raken bij gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouders. Ook anderszins is niet gebleken dat wijziging van het gezag in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk is. Het verzoek van partijen hiertoe zal dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van de zorgregeling ( [de minderjarige2] en [de minderjarige3] )

5.4

In het algemeen is het in het belang van een kind dat het contact heeft met de ouder bij wie het niet zijn gewone verblijfplaats heeft.

5.5

De vrouw kan zich niet verenigen met de door de rechtbank vastgestelde zorg-regeling en is - kort gezegd - van mening dat de omgang met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zou moeten plaatsvinden zoals door haar in eerste aanleg verzocht. De vrouw stelt dat het in het belang van de kinderen is dat er een dwangsom wordt verbonden aan het niet nakomen van de zorgregeling van € 500,-- voor iedere keer dat de omgang niet doorgaat.

5.6

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat een uitbreiding
van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling voor de man niet wenselijk is.

Volgens de man zal hij een regeling van één weekend per veertien dagen en een verdeling van de feestdagen en schoolvakanties bij helfte, zoals door de vrouw verzocht, met name vanwege de buitenlandse reizen die hij voor zijn werk moet maken, niet kunnen nakomen. Dit zal teleurstelling bij de kinderen veroorzaken, hetgeen voorkomen moet worden.
Met de man is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij er op kunnen vertrouwen dat een vastgestelde zorgregeling wordt nagekomen. Het hof is dan ook, evenals de rechtbank, van oordeel dat een tweewekelijkse weekendregeling niet in het belang van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is, nu de kans erg groot is dat deze regeling door de man niet kan worden nagekomen. Een zorgregeling waarbij [de minderjarige2] en [de minderjarige3] één keer per maand een weekend bij de man verblijven, zoals door de rechtbank vastgesteld, acht het hof passend en in het belang van de kinderen, waarbij het hof tevens in aanmerking heeft genomen dat de man eens per drie of vier weken in het weekend de zorg heeft voor [de minderjarige1] . Een gelijktijdig verblijf van [de minderjarige1] met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is gezien de gedragsproblematiek van [de minderjarige1] ongewenst.
De man heeft onweersproken gesteld dat hij op vrijdagavond niet eerder dan 18.00 uur thuis kan zijn uit zijn werk en derhalve de kinderen niet om 18.00 uur bij de vrouw kan ophalen. Hiermee rekening houdend acht het hof het redelijk dat de vrouw [de minderjarige2] en [de minderjarige3] op vrijdagavond om 19.00 bij de man brengt. De man dient de kinderen na het omgangs-weekend weer terug te brengen bij de vrouw. Op deze wijze hebben partijen beiden een aandeel in het halen en brengen van de kinderen, hetgeen in het belang van de kinderen moet worden geacht. Het door de vrouw aangevoerde is onvoldoende om het halen en brengen alleen aan de man over te laten. Ook wat betreft de verdeling van de feestdagen en schoolvakanties houdt het hof er rekening mee dat de man veelvuldig voor zijn werk in het buitenland verblijft. Een verdeling van de feestdagen en schoolvakanties bij helfte acht het hof om die reden niet haalbaar. Een volledig flexibele feestdagen- en vakantieregeling, zoals door de man verzocht, levert echter te veel onduidelijkheid op voor de kinderen.
Het hof zal bepalen dat de kinderen in de zomervakantie twee weken achter elkaar of twee keer een week, alsmede een week in een andere schoolvakantie, door partijen in overleg te bepalen, bij de man zullen verblijven, waarbij eveneens geldt dat de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer naar de vrouw terugbrengt. Op deze wijze is voor de kinderen, maar ook voor partijen duidelijk waar zij (in ieder geval) rekening mee kunnen en moeten houden wat betreft de verdeling van de schoolvakanties. Het hof wenst, evenals de rechtbank, te benadrukken, dat partijen zich dienen in te spannen om het contact tussen de man en de kinderen ook buiten de vast te stellen zorgregeling te laten plaatsvinden.

5.7

Gelet op het voorgaande, zal het hof bepalen dat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] één weekend
in de maand van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede twee weken in de zomervakantie en één week in een andere schoolvakantie bij de man verblijven, en verder zo vaak als partijen in onderling overleg kunnen plannen, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terug naar de vrouw brengt. Het hof ziet in het door de vrouw aangevoerde geen aanleiding om aan de naleving van de zorgregeling een dwangsom te verbinden. Het verzoek van de vrouw hiertoe zal worden afgewezen.

De informatie- en consultatieplicht ( [de minderjarige2] en [de minderjarige3] )

5.8

De man heeft verzocht dat een informatie- en consultatieplicht wordt vastgesteld,
zoals nader uiteengezet in zijn verweerschrift tevens inhoudende incidenteel hoger beroep.
De man heeft ter zitting van het hof zijn verzoek ingetrokken om hieraan een dwangsom te verbinden.

5.9

Het hof beschouwt het verzoek van de man om vastlegging van een informatie-
en consultatieplicht als een verzoek in het kader van de vast te stellen zorgregeling.
De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw sinds november 2011 heeft nagelaten hem over de kinderen te informeren, zoals zij wel op grond van de wet verplicht is. Het hof is van oordeel dat de door de man verzochte informatie- en consultatieregeling in het belang van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is, en zal zijn verzoek op dit punt, zoals door hem verzocht, toewijzen.
Het door de vrouw aangevoerde is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van de afgifte van de zorginformatie ( [de minderjarige1] )

5.10

De man heeft het hof in zijn verweerschrift tevens inhoudende incidenteel hoger beroep voorts verzocht te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na de datum van de beschikking van het hof alle financiële en zorginformatie ten behoeve van [de minderjarige1] , zoals genoemd onder sub C van het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek uit eerste aanleg van de man, aan de man dient af te geven. De man heeft ter zitting van het hof zijn verzoek ingetrokken om hieraan een dwangsom te verbinden. De man heeft ter zitting van het hof zijn verzoek in die zin beperkt dat hij de vrouw verzoekt om de afgifte van twee (rode) A4-mappen, waarin de volledige zorggeschiedenis van [de minderjarige1] vanaf zijn geboorte tot heden is opgenomen.

5.11

Het hof zal het verzoek van de man tot afgifte van de door verzochte zorginformatie over [de minderjarige1] afwijzen, nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij niet (meer) in het bezit is van de twee (rode) A4-mappen.

Ten aanzien van de kinderalimentatie ( [de minderjarige2] en [de minderjarige3] )

Wijziging van omstandigheden

5.12

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man vanaf het moment dat de woning is verkocht en de vrouw is verhuisd op 15 september 2014 alleen kinderalimentatie betaalt. De man betaalt geen partneralimentatie, hetgeen wel bij convenant
is overeengekomen. Naar het oordeel van het hof levert het voorgaande in ieder geval per
15 september 2014 een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW op die een hernieuwde beoordeling van de door de man te betalen kinderalimentatie rechtvaardigt.

De ingangsdatum

5.13

De vrouw heeft aangevoerd dat de kinderalimentatieverplichting van de man, anders dan overeengekomen in het echtscheidingsconvenant, vóór het moment waarop de woning verkocht is en de vrouw verhuisd, derhalve vóór 15 september 2014, dient in te gaan.
De vrouw voert hiertoe aan dat zij meer lasten van de echtelijke woning voor haar rekening heeft gekregen dan in het echtscheidingsconvenant afgesproken.

In het convenant is volgens de vrouw uitgegaan van een situatie waarin zij enkel de kosten van levensonderhoud, waar de gebruikerslasten niet onder vallen, dient te voldoen.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij, nu zij tevens alle gebruikerslasten van de echtelijke woning heeft voldaan, eerder (dan 15 september 2014) behoefte heeft gekregen aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

5.14

De man stelt zich op het standpunt dat partijen met hetgeen is opgenomen in artikel 4.4. van het echtscheidingsconvenant hebben bedoeld dat de man de vaste lasten zou betalen, te weten de hypotheek en gemeentelijke belastingen, niet zijnde de gebruikerslasten, en dat de vrouw haar eigen gebruikerslasten zou betalen.

5.15

Het hof overweegt dat het bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, LJN: AG4158; Haviltex).
Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol, waaronder de taalkundige betekenis van de bewoordingen, en kan mede betekenis worden toegekend aan gedragingen en uitlatingen van partijen na de schriftelijke overeenkomst.

5.16

Het hof is van oordeel dat uit de tekst van artikel 4.4. van het echtscheidings-convenant, zoals hiervoor uiteengezet, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de vrouw niet gehouden was om de gebruikerslasten van de echtelijke woning zelf te voldoen.
In artikel 4.4 van het convenant wordt enerzijds gesproken van vaste lasten verbonden aan de echtelijke woning (door de man te voldoen) en anderzijds de kosten van levensonderhoud (door de vrouw te voldoen). Bij dit onderscheid ligt het voor de hand de kosten van bijvoorbeeld energie en water te scharen onder de kosten van levensonderhoud, die immers ook gemaakt worden als er geen sprake is van een (echtelijke) koopwoning. De vrouw
heeft haar stelling dat het echtscheidingsconvenant zo zou moeten worden uitgelegd dat de gebruikerslasten van de echtelijke woning niet onder de kosten van levensonderhoud vallen, mede gelet op de betwisting daarvan door de man, onvoldoende nader onderbouwd. Weliswaar heeft de man tot december 2012 ook de gebruikerslasten betaald, echter daarmee is hij gestopt toen de vrouw ging samenwonen. Niet is gebleken dat de vrouw daartegen heeft geprotesteerd, terwijl dat - als partijen hadden willen overeenkomen dat de vrouw ook de gebruikerslasten zou betalen - voor de hand had gelegen.

Andere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat er op een eerder moment dan 15 september 2014 sprake was van een wijziging van omstandigheden heeft de vrouw niet gesteld.

5.17

Gelet op het voorgaande, ziet het hof geen aanleiding om uit te gaan van een eerdere ingangsdatum dan het moment waarop de woning verkocht is en de vrouw is verhuisd, zijnde 15 september 2014.

De behoefte van de kinderen

5.18

Nu de ingangsdatum van de vastgestelde kinderbijdrage gelegen is na 1 januari 2013, gaat het hof bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van de uitgangspunten en de nieuwe rekenwijze zoals deze zijn neergelegd in de sinds 1 januari 2013 geldende richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen. De maatstaf is het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBI) ten tijde van de samenleving vermeerderd met het kindgebonden budget (KGB) waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt.
Op basis daarvan wordt de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vastgesteld. Vervolgens wordt op dat bedrag in mindering gebracht het kindgebonden budget waarop de vrouw thans recht heeft.

5.19

Gelet op de datum van ondertekening van het echtscheidingsconvenant, zal het hof voor de bepaling van het NBI van partijen uitgaan van de inkomensgegevens over het jaar 2011. Uitgaande van de jaaropgaven 2011, waaruit blijkt dat de man een inkomen had van (in totaal) € 65.880,-- bruto per jaar, bedroeg het NBI van de man € 3.530,-- per maand.
Wat betreft de bepaling van het NBI van de vrouw, zal het hof, bij gebreke van een jaaropgave over 2011, aansluiting zoeken bij de door haar overgelegde aanslag 2011, waaruit blijkt dat zij in dat jaar een verzamelinkomen had van € 22.066,--. Het NBI van de vrouw bedroeg op basis van deze gegevens in het jaar 2011 € 1.503,-- per maand.

5.20

Gelet op het voorgaande, bedroeg het netto gezinsinkomen van partijen (€ 3.530,--
+ € 1.503,-- =) € 5.033,-- per maand. Partijen konden, gelet op de hoogte van het gezins-inkomen, geen aanspraak maken op KGB. Nu echter zowel de man als de vrouw zich op
het standpunt heeft gesteld dat het netto gezinsinkomen lager was, volgens de vrouw
€ 4.250,-- per maand en volgens de man € 4.190,-- per maand, zal het hof uitgaan van een netto gezinsinkomen van € 4.250,--, daar dit bedrag de bovengrens van de rechtsstrijd vormt. Uit voornoemd gezinsinkomen volgt dat de kosten van de (vier) kinderen, op basis van de tabel eigen aandeel kosten kinderen 2011 en op basis van 13 kinderbijslagpunten, op € 1.475,-- per maand, zijnde € 368,-- per kind per maand gesteld kunnen worden.
Het eigen aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt na indexering in 2014 € 383,-- per kind per maand en per 1 januari 2015 € 386,-- per kind per maand. Op deze bedragen dient het bedrag aan KGB waarop de vrouw thans recht heeft in mindering te worden gebracht. Het hof passeert de stelling van de man dat voor de berekening van het KGB waar de vrouw recht op zou hebben uitgegaan dient te worden van een situatie dat zij niet samenwoont.
Het hof gaat uit van de feitelijke situatie van samenwoning van de vrouw en het door haar als samenwonende (te) ontvangen KGB, zoals ook de Werkgroep Alimentatienormen voorstaat. Uit de stukken blijkt dat de vrouw in 2014 (voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ) een KGB van € 1.713,-- ontving, zijnde € 71,-- per kind per maand. Aldus bedraagt de resterende behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] met ingang van 15 september 2014 (€ 383,-- - € 71,-- =) € 312,-- per maand.

Uit de stukken blijkt voorts dat de vrouw in 2015 (voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ) een KGB van € 585,-ontving, zijnde € 24,-- per kind per maand. Aldus bedraagt de resterende behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] met ingang van 1 januari 2015 (€ 386,-- - € 24,-- =) € 362,-- per maand.
De man heeft zijn stelling dat [de minderjarige1] een hogere behoefte dan [de minderjarige2] en [de minderjarige3] heeft, te weten € 440,-- per maand, mede gelet op de betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende nader onderbouwd.

5.21

Uitgangspunt in de nieuwe richtlijnen is dat het eigen aandeel in de kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht.
Nu de ingangsdatum van de vaststelling van de kinderalimentatie na 1 april 2013 ligt, dient (ook) de draagkracht te worden berekend volgens de nieuwe richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen. Het bedrag aan draagkracht wordt volgens deze nieuwe richtlijnen vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud.

De draagkracht van de man

5.22

Het bedrag aan draagkracht van de man wordt in 2014 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x (NBI - (0,3 NBI + € 860,--)). Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

5.23

Uit de jaaropgave 2014 van de man blijkt dat hij in 2014 een jaarinkomen had van
€ 69.844,-- bruto. Het NBI van de man bedraagt op basis van deze gegevens € 3.550,-- per maand. Tot januari 2015 kon de man in aanmerking komen voor € 93,-- aan fiscaal voordeel voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

5.24

Het hof volgt de man in zijn stelling dat bij de vaststelling van zijn draagkracht tevens rekening dient te worden gehouden met de door hem betaalde kosten voor [de meerderjarige] , die inmiddels jongmeerderjarig is en studeert, door de door de Dienst Uitvoering Onderwijs vastgestelde ouderbijdrage van de man van € 260,-- per maand als extra last mee te nemen.
Het door de vrouw aangevoerde is, mede gelet op de betwisting daarvan door de man, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Nu partijen in artikel 3.2 van het convenant zijn overeengekomen dat de kosten van levensonderhoud en studie worden verdeeld totdat het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, zal het hof (bij de berekening van de draagkracht van de man) tot 4 augustus 2015, wanneer [de meerderjarige] 21 jaar wordt, rekening houden met voornoemd bedrag van € 260,-- per maand.

5.25

Op basis van de nieuwe richtlijnen berekent het hof de draagkracht van de man in de periode van 15 september 2014 tot 1 januari 2015 (periode 1) op 70% x (€ 3.550,-- - (0,3 x
€ 3.550,-- + € 860,-- + € 260,--)) = € 956,-- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel van € 93,-- per maand, derhalve € 1.049,-- per maand. Het hof is, met de man, van oordeel, dat zijn draagkracht dient te worden verdeeld over drie kinderen, te weten [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De man heeft zijn stelling dat hij kosten maakt ten behoeve van [de minderjarige1] , die

in een zorginstelling verblijft, voldoende onderbouwd. Nu de behoefte van [de minderjarige1] in 2014 is vastgesteld op een bedrag van € 383,--, resteert een bedrag van € 666,-- voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , zijnde € 333,-- per kind per maand.

5.26

Het bedrag aan draagkracht van de man wordt in 2015 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x (NBI - (0,3 NBI + € 875,--)). Vanaf 2015 bestaat er geen recht meer op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen.

5.27

Het hof berekent de draagkracht van de man in de periode van 1 januari 2015 tot
4 augustus 2015 (periode 2) op 70% x (€ 3.550,-- - (0,3 x € 3.550,-- + € 875,-- + € 260,--)) = € 945,-- per maand voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Nu de behoefte van [de minderjarige1] in 2015 is vastgesteld op een bedrag van € 386,--, resteert een bedrag van € 559,-- voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , zijnde € 280,-- per kind per maand.

5.28

Het hof berekent de draagkracht van de man in de periode vanaf 4 augustus 2015 (periode 3) op 70% x (€ 3.550,-- - (0,3 x € 3.550,-- + € 875,--)) = € 1.127,-- per maand voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Nu de behoefte van [de minderjarige1] in 2015 is vastgesteld op een bedrag van
€ 386,--, resteert een bedrag van € 741,-- voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , zijnde € 371,-- per kind per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.29

Uit de jaaropgave 2014 van de vrouw blijkt dat zij in 2014 een jaarinkomen had
van € 25.992,-- bruto. Het hof zal op dit bedrag een bedrag van (afgerond) € 1.649,-- in mindering brengen, nu uit de door de vrouw overgelegde vaststellingsovereenkomst genoegzaam is gebleken dat dit een eenmalige nabetaalde ANW-toeslag betreft.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat in de jaaropgave tevens een bedrag aan winstdeling is begrepen waarmee geen rekening dient te worden gehouden, nu (ook) deze inkomsten niet structureel van aard zouden zijn. Het hof volgt de vrouw hierin niet, nu zij haar stelling op dit punt, mede gelet op de betwisting daarvan door de man, onvoldoende nader heeft onderbouwd. Het hof gaat derhalve uit van een jaarinkomen van (€ 25.992,-- - € 1.649,-- =) € 24.343,--, op basis waarvan het NBI van de vrouw € 1.612,-- per maand bedraagt.

5.30

Op basis van de nieuwe richtlijnen berekent het hof de draagkracht van de vrouw in de periode van 15 september 2014 tot 1 januari 2015 (periode 1) op 70% x (€ 1.612,-- - (0,3 x € 1.612,-- + € 860,--)) = € 188,-- per maand. De draagkracht van de vrouw dient te worden verdeeld over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en bedraagt derhalve € 94,-- per kind per maand.

5.31

Het hof berekent de draagkracht van de vrouw in de periode vanaf 1 januari 2015 (periode 2 en periode 3) op 70% x (€ 1.612,-- - (0,3 x € 1.612,-- + € 875,--)) = € 177,-- per maand, zijnde € 89,-- per kind per maand.

De draagkrachtvergelijking

5.32

Aangezien de totale draagkracht van de man en de vrouw groter is dan de totale behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , zal het hof het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking.
De verdeling van de kosten over beide ouders wordt berekend volgens de formule:
ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt dan in de periode van 15 september 2014 tot
1 januari 2015 (periode 1): € 666,-- / € 854,-- x € 624,-- = (afgerond) € 487,--.

Het eigen aandeel van de man bedraagt dan in de periode van 1 januari 2015 tot 4 augustus 2015 (periode 2): € 559,-- / € 736,-- x € 724,-- = (afgerond) € 550,--.

Het eigen aandeel van de man bedraagt dan in de periode vanaf 4 augustus 2015 (periode 3):
€ 741,-- / € 918,-- x € 724,-- = (afgerond) € 584,--.

De zorgkorting

5.33

Ten aanzien van de zorgkorting overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat de kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind zijn hoofdverblijf niet heeft.

5.34

Nu [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in ieder geval één weekend in de maand en vanaf 28 juli 2015 tevens twee weken in de zomervakantie en één week in een andere schoolvakantie bij de man (zullen) verblijven, is het hof, met de man, van oordeel dat uitgegaan dient te worden van een zorgkorting van 15%. In de periode van 15 september 2014 tot 1 januari 2015 (periode 1) bedraagt de zorgkorting 15% van € 624,-- = € 94,-- en vanaf 1 januari 2015 (periode 2 en periode 3) 15% van € 724,-- = € 109,--.

5.35

Uit het vorenstaande volgt dat de man na te noemen bijdragen in de kosten van de kinderen aan de vrouw dient te voldoen:

- over de periode van 15 september 2014 tot 1 januari 2015 (periode 1) € 487,-- - € 94,-- =
€ 393,-- per maand, zijnde € 197,-- per kind per maand;

- over de periode van 1 januari 2015 tot 4 augustus 2015 (periode 2) € 550,-- - € 109,-- =
€ 441,-- per maand, zijnde € 221,-- per kind per maand.

- over de periode vanaf 4 augustus 2015 (periode 3) € 584,-- - € 109,-- = € 475,-- per maand, zijnde € 238,-- per kind per maand.

De proceskosten

5.36

De vrouw heeft verzocht de man in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen.

5.37

In zaken waarin partijen in een familierelatie tot elkaar staan is het echter gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten zal dragen. Het hof ziet onvoldoende redenen om in deze zaak af te wijken van dat uitgangspunt. Het door de vrouw aangevoerde is daartoe onvoldoende. Het hof zal dan ook bepalen dat in hoger beroep de proceskosten in de hiervoor bedoelde zin zullen worden gecompenseerd.

6 De slotsom

6.1

Gelet op het vorenoverwogene, zal het hof beslissen als na te melden.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 september 2014;

en opnieuw beslissende:

stelt met ingang van 28 juli 2015 de volgende zorgregeling vast tussen [de minderjarige2] , geboren [in] 2000 te [E] , en [de minderjarige3] , geboren [in]
[in] 2004 te [E] , en de man:

[de minderjarige2] en [de minderjarige3] verblijven één weekend in de maand van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede twee weken in de zomervakantie en één week in een andere schoolvakantie
bij de man, en verder zo vaak als partijen in onderling overleg kunnen plannen, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terug naar de vrouw brengt;

stelt vast dat de vrouw de man uiterlijk op de eerste datum van ieder nieuw kwartaal, dus uiterlijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van ieder jaar schriftelijk dient te informeren omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , waarbij in ieder geval de volgend informatie wordt verstrekt:

- informatie over gezondheid, eventuele doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik;

- informatie over hobby's en activiteiten, sporten;

- schoolprestaties, kopieën van schoolrapporten en schoolfoto's;

bepaalt dat de vrouw de man dient te consulteren omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot (het vermogen van) [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 15 september 2014 tot 1 januari 2015 (periode 1) een bedrag van € 197,-- per kind per maand, van 1 januari 2015 tot 4 augustus 2015 (periode 2) een bedrag van € 221,-- per kind per maand en vanaf 4 augustus 2015 (periode 3) een bedrag van € 238,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. van der Meer, mr. A.W. Beversluis en
mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 juli 2015 in bijzijn van de griffier.