Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6069

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
200.170.762/01 en 200.170.762/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.170.762/01 en -/02

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/168305/ JE RK 15-283)

beschikking van de familiekamer van 4 augustus 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I. Mercanoǧlu, kantoorhoudend te Enschede,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming Zwolle,

kantoorhoudende te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gecertificeerde instelling,
kantoorhoudend te Zwolle ,

hierna te noemen: de GI dan wel JBO,

2
2. [de pleegouders] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken, kantoorhoudende te Soest,
3. Stichting William Schrikker Jeugdbescherming,
kantoorhoudende te Amsterdam,
hierna te noemen: de WSG dan wel de voormalige GI.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de meervoudige familiekamer in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 14 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, is de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van de hierna genoemde minderjarige [de minderjarige] , verlengd tot uiterlijk
17 januari 2016 en is voorts JBO benoemd tot gecertificeerde instelling.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 mei 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te beslissen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking ten aanzien van de
vervanging van de gecertificeerde instelling zal worden geschorst;
II. te beslissen dat de beschikking van de rechtbank Overijssel d.d. 15 april 2015 zal
worden vernietigd.

2.2

Door de raad is op 12 juni 2015 een verweerschrift ingediend waarin is geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep van de moeder met bekrachtiging van de bestreden beschikking, kosten rechtens.

2.3

Namens de pleegouders is eveneens op 12 juni 2015 een verweerschrift ingediend waarin is geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking met afwijzing van de verzoeken van de moeder.

2.4

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder de brief van [B] van 9 juni 2015, de brief met bijlagen van mr. Mercanoǧlu van 12 juni 2015 met bijbehorend journaalbericht, de brief met bijlagen van mr. Dorhout-Tielken van 12 juni 2015 met bijbehorend journaalbericht en het faxbericht van mr. Mercanoǧlu van 16 juni 2015.

2.5

De op 16 juni 2015 geplande mondelinge behandeling van de zaak is ter zitting door het hof verdaagd en heeft vervolgens plaatsgevonden op 27 juli 2015, waarbij zijn verschenen de moeder en haar advocaat mr. Mercanoǧlu, dhr. [C] namens de raad, namens de GI dhr. [D] (voor de huidige gezinsvoogd), de pleegmoeder en haar advocaat mr. Dorhout-Tielken en voorts zijn namens de WSG verschenen mw. [E] (voormalig gezinsvoogd) en mw. [F] (gedragsdeskundige). Door
mr. Mercanoǧlu zijn pleitaantekeningen overgelegd.

3 Feiten en achtergronden

3.1

Uit de stukken is het hof onder meer het volgende gebleken.

3.2

De moeder is op negentienjarige leeftijd, [in] 2010 te [A] , bevallen van de thans vijfjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ).

3.3

De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] . De vader van [de minderjarige] , de heer [G] , is nooit betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

3.4

De moeder heeft toen ze nog minderjarig was bij haar oma (mz) gewoond. In die tijd heeft haar oma zich meerdere keren tot de hulpverlening gewend en ook zijn er zorgmeldingen geweest over de moeder.

3.5

In 2009 zwierf de moeder en/of verbleef zij bij junks en ook is sprake geweest van loverboyproblematiek bij de moeder. In december 2009 komt de moeder weer bij haar oma wonen, die dan inmiddels haar bewindvoerder en mentor is. Oma vraagt [H] om hulp en advies. Rond de geboorte van [de minderjarige] was de situatie van de moeder nog niet stabiel.

3.6

In oktober 2010, [de minderjarige] is dan drie maanden oud, gaf oma (mz) bij [H] aan dat het niet langer ging tussen haar en de moeder. De moeder had dubieuze contacten en bleef vaak weg. [H] doet een nieuwe zorgmelding bij het AMK en de moeder stemt in met verblijf in een ouder-kindvoorziening. Dit wordt een crisisopvang in [I] vanwege de conflicten tussen de moeder en haar oma. Een week later gaf de moeder aan dat ze toch niet in een ouder-kindvoorziening wilde gaan wonen maar bij haar vriend. De raad stelt vervolgens een onderzoek in en op 17 januari 2011 wordt [de minderjarige] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld. WSG wordt belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, die nadien telkens wordt verlengd.

3.7

In maart 2011 werd voor [de minderjarige] voor het eerst een machtiging tot uithuisplaatsing verleend en werd zij in een crisispleeggezin geplaatst. Sinds maart 2012 verblijft [de minderjarige] in haar huidige pleeggezin. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is telkens verlengd, laatstelijk in de bestreden beschikking tot 17 januari 2016. In het huidige pleeggezin van [de minderjarige] is nog een ouder pleegkind aanwezig, namelijk [J] .

3.8

Van juli 2011 tot september 2011 woonde de moeder in een crisisopvang. Ze vertrok daar op eigen inititaitef en verbleef daarna op verschillende plekken. De moeder verbleef in de periode van 28 december 2011 tot 27 februari 2012 bij maatschappelijke opvang " [K] " en kreeg hulp van [H] bij onder meer het regelen van een uitkering. In de periode dat de moeder daar verbleef werd [in] 2012 het halfbroertje van [de minderjarige] , [L] , geboren.

3.9

Van 27 februari 2012 tot mei 2012 verbleef de moeder met [L] in de crisisopvang [M] en vanaf mei 2012 in een kort verblijfhuis in Tiel. Van februari tot juni 2013 woonde de moeder in het moeder-kindhuis [O] . Vervolgens ging de moeder, zonder overleg met de gezinsvoogd, tot augustus 2013 bij haar vriend wonen en daarna in [A] .

3.10

Op 12 september 2013 wordt het tweede halfbroertje van [de minderjarige] geboren, [P] . Tijdens de zwangerschap van [P] kreeg de moeder een relatie met een andere man, met wie ze na enkele weken is gaan samenwonen. Na twee maanden is de moeder door hem het huis uitgezet.

3.11

De vaders van [de minderjarige] , [L] en [P] zijn alledrie uit beeld.

3.12

De moeder woont sinds eind 2013 met de twee halfbroertjes van [de minderjarige] , [L] en [P] , bij haar ouders. Tot het gezin behoren eveneens een broer en een zus van de moeder.

3.13

In februari 2014 doet de raad op verzoek van de WSG onderzoek naar een verderstrekkende maatregel ten aanzien van [de minderjarige] (. De raad concludeert na onderzoek dat een verderstrekkende maatregel op dat moment niet is geïndiceerd. De moeder laat stabilisatie zien in haar leven en zij heeft de dagelijkse zorg voor de halfbroertjes van [de minderjarige] . De mogelijkheden van de moeder om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ter hand te nemen zijn volgens de raad nog onvoldoende onderzocht. Voor [de minderjarige] is volgens de raad van belang dat er snel duidelijkheid komt omtrent haar toekomstperspectief daar zij zich aan het hechten is in het pleeggezin.

3.14

De ondertoezichtstelling van [L] en [P] is in september 2014 beëindigd.

3.15

De WSG heeft naar aanleiding van de bevindingen van de raad van februari 2014 onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Daartoe is onder meer de bezoekregeling tussen de moeder en [de minderjarige] uitgebreid en is video interactie begeleiding ingezet om te kijken hoe de moeder en [de minderjarige] op elkaar reageren. Tot augustus 2014 vond de omgang eens per drie weken gedurende anderhalf uur (op een neutrale plek) plaats en daarna is de omgang frequenter en langer geworden. [de minderjarige] heeft twee keer een nachtje bij de moeder geslapen in de afgelopen periode. Ook werd de GGZ Drenthe ingeschakeld ( [Q] ) om in gezamenlijkheid met de gezinsvoogd en pleegzorg te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van de volwassenen rondom [de minderjarige] om een terugplaatsingstraject te begeleiden. Omdat men het onderling niet eens werd over het perspectief van [de minderjarige] werd ervoor gekozen om de situatie ter beslissing aan de kinderrechter voor te leggen. Sinds de bestreden beschikking is de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder weer teruggebracht tot een zaterdag per drie weken.

3.16

Op 1 december 2014 heeft er een zitting plaatsgevonden bij de kinderrechter naar aanleiding van een verzoek van de moeder om de uithuisplaatsing te beëindigen. De WSG bleek van mening dat [de minderjarige] bij de moeder kan wonen. De pleegouders hadden twijfels of een thuisplaatsing goed is voor [de minderjarige] en hadden moeite met de door de WSG vastgestelde opbouw van de omgangsregeling, die gericht is op een thuisplaatsing per 8 januari 2015. Dat ging volgens de pleegouders (veel) te snel en zij ervoeren veel onrust bij [de minderjarige] , gedragsproblemen en een terugval dan wel stagnatie in met name haar motorische en cognitieve ontwikkeling.

3.17

Op 8 december 2014 heeft de WSG de raad op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te beëindigen. De raad stelde vervolgens, na multidisciplinair overleg, een onderzoek in of thuisplaatsing inderdaad het meest in het belang van [de minderjarige] is zoals de WSG meende.

3.18

Bij beschikking van 12 januari 2015 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 17 januari 2016. Bij afzonderlijke beschikking van 12 januari 2015 heeft de kinderrechter de machtigiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 17 maart 2015.

3.19

De raad heeft (omdat de WSG daartoe niet overging) op 20 februari 2015 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 17 januari 2016. Bij dat verzoekschrift heeft de raad zijn rapport van bevindingen gevoegd ge(pre)dateerd 26 februari 2015.

3.20

Bij beschikking van 16 maart 2015 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij beschikking van 16 maart 2015 verlengd tot 15 april 2015 en de zaak verder verwezen naar de meervoudige kamer, die het verzoek ter terechtzitting op
1 april 2015 heeft behandeld.

3.21

In de hier bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2015 is vervolgens de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg overeenkomstig het verzoek van de raad, verlengd tot 17 januari 2016. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de moeder.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het geschil betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige] met ingang van 15 april 2015 tot 17 januari 2016 en daarnaast de vervanging van de WSG door JBO als gecertificeerde instelling en het daarop gerichte schorsingsverzoek.

Het toepasselijk recht

4.2

Per 1 januari 2015 is de Wet tot wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) inwerking getreden. Blijkens artikel 28 van de Overgangswet nieuw BW is het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift in beginsel bepalend voor de toepassing van het sindsdien geldende recht. Nu in de Overgangswet nieuw BW geen afwijkende bepaling is opgenomen over de toepassing van het geldende recht met ingang van 1 januari 2015 ten aanzien van uithuisplaatsingen, zijn de nieuwe bepalingen van toepassing.


De vervanging van WSG door JBO en het daarop gerichte schorsingsverzoek

4.3

Op grond van artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

4.4

In haar eerste grief heeft de moeder in dit verband betoogd dat sprake is van een kennelijke misslag waar het gaat om de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vervanging van WSG als gecertificeerde instelling door JBO. De moeder verzoekt in dit verband de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking op dit punt te schorsen. De achtste grief van de moeder hangt hiermee samen, zij het dat die ziet op de beslissing ten gronde en niet alleen op de schorsing van tenuitvoerlegging ervan. Daarin heeft de moeder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het advies van de raad heeft overgenomen dat WSG moet worden vervangen door JBO. Ter zitting is hieraan onder meer toegevoegd dat de moeder slechte ervaringen heeft met JBO en niet tot samenwerking met JBO kan komen.

4.5

Deze grieven van de moeder slagen in zoverre dat ter zitting van het hof als gesteld en niet betwist is komen vast te staan dat de raad in eerste aanleg geen verzoek heeft gedaan om WSG te vervangen door JBO. De raad heeft alleen het advies gegeven in zijn rapport om de WSG te doen vervangen door JBO maar tot indiening van een daartoe strekkend verzoek is het niet gekomen, aldus de toelichting namens de raad ter zitting van het hof die steun vindt in de stukken. Ook in hoger beroep is overigens niet een dergelijk verzoek gedaan. Het hof gaat er daarom vanuit dat de rechtbank in de bestreden beschikking ambtshalve heeft beslist om de WSG te vervangen door JBO, waarmee de rechtbank buiten het toepassingsbereik van artikel 1:259 BW is getreden omdat daarin niet de bevoegdheid wordt gegeven om ambtshalve een dergelijke beslissing te geven. Voor zover de rechtbank het oog heeft gehad op een verzoek van de pleegouders op dit punt, daargelaten of een dergelijk verzoek uit de stukken (zoals het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg) kan worden afgeleid, overweegt het hof dat de pleegouders niet behoren tot de kring van personen genoemd in artikel 1:259 die een dergelijk verzoek kunnen doen. Ook in dat geval is de rechtbank dus buiten het toepassingsbereik getreden van artikel 1:259 BW.

4.6

Ter zitting is door mr. Dorhout-Tielken terecht opgemerkt dat hoger beroep van een dergelijke beslissing tot vervanging van de GI is uitgesloten in artikel 807 Rv. Volgens vaste rechtspraak kan een wettelijk appelverbod echter worden doorbroken indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Deze doorbrekingsgronden zijn onder meer geformuleerd door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989 Enka/Dupont en zijn nadien bestendigd (zie bijvoorbeeld HR 15 mei 1998, NJ 1999/672, ECLI:NL:HR:1998:ZC2656 en HR 28 september 2012, NJ 2012/556). Het hof begrijpt de toelichting van mr. Mercanoǧlu ter zitting aldus dat de moeder van mening is dat de rechtbank buiten het toepassingsbereik is getreden van artikel 1:259 BW en doorbreking van het appelverbod daarom gerechtvaardigd is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het toepassingsbereik van artikel 1:259 BW slaagt dat betoog. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank op dit punt vernietigen. Wellicht ten overvloede wijst het hof erop dat deze beslissing betekent dat de WSG geacht wordt de gecertificeerde instelling te zijn gebleven.

4.7

Nu het hof ten gronde zal beslissen over het hier bedoelde punt bestaat geen belang meer bij een afzonderlijke beslissing op het verzoek in het incident ter zake van de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad op dit punt. Het hof zal het schorsingsverzoek daarom afwijzen.


Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige]

4.8

Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in artikel 1 WJZ respectievelijk de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.9

Overeenkomstig artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.

4.10

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking doorslaggevende betekenis toegekend aan de positieve hechting van [de minderjarige] in het gezin bij de pleegouders en het ontbreken van een veilige hechting aan de moeder in de eerste acht maanden van haar leven, in combinatie met het feit dat volgens de rechtbank niet aan de noodzakelijke randvoorwaarde(n) voor een succesvolle terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder is voldaan namelijk dat alle betrokken volwassenen om de minderjarige heen gaan staan en haar volmondig steunen. In dit verband heeft de rechtbank onder meer gewezen op de gespannen situatie die is ontstaan tussen de moeder en de pleegouders, het ontbreken van een goede communicatie tussen hen en de omstandigheid dat [de minderjarige] signalen van onveiligheid heeft laten zien ten tijde van de uitbreiding van het contact met de moeder.

4.11

Het hof schaart zich, na eigen onderzoek, achter de beslissing en overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking, neemt die over en verwijst daar kortheidshalve naar. In aanvulling daarop overweegt het hof naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd nog het volgende.

4.12

Gelet op de voorgeschiedenis van de zaak twijfelt het hof er niet aan dat [de minderjarige] onveilig gehecht is aan de moeder. Blijkens de stukken was de moeder in dit verband om haar moverende redenen vaak niet beschikbaar voor [de minderjarige] toen zij nog bij de moeder woonde en is ook sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] sprake van beperkt(e) contact(en) tussen de moeder en [de minderjarige] .

4.13

Daar tegenover staat dat [de minderjarige] inmiddels al weer zo'n drie jaar en vier maanden bij de pleegouders verblijft, terwijl tussen [de minderjarige] en de pleegouders wel sprake is van een positieve gehechtheidsrelatie. Het hof beschikt althans niet over concrete aanwijzingen om daaraan te twijfelen of aan te nemen dat de opvoedingsvaardigheden van de pleegouders tekortschieten. De moeder heeft gewezen op verschil in levensovertuiging tussen haar en de pleegouders. De pleegouders hebben toegelicht dat zij zijn aangesloten bij de (gematigd christelijke) [R] kerk en dat moeder hier nooit eerder een punt van heeft gemaakt. Het hof overweegt dat de jeugdhulp zoveel mogelijk aan dient te sluiten bij de levensovertuiging van de minderjarige, mede gelet op het bepaalde daaromtrent in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Gelet echter op het feit dat [de minderjarige] al meer dan drie jaar in het pleeggezin woont en niet is gesteld of gebleken dat de verschillende levensovertuigingen op zichzelf tot problemen hebben geleid in de samenwerking tussen de pleegouders en de moeder, kan het hof aan de desbetreffende stelling van de moeder in deze procedure geen doorslaggevende waarde toekennen. Het belang van [de minderjarige] bij rust en continuïteit in de opvoedingssituatie prevaleert, mede gelet op haar kwetsbaarheid en ontwikkelingsproblematiek.

4.14

Vast staat dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt sinds zij eind 2013 bij haar ouders is ingetrokken, dat zij liefdevol met [de minderjarige] omgaat en voorts dat de ondertoezichtstelling van haar andere twee kinderen in september 2014 is beëindigd. Het hof kan de raad evenwel volgen in zijn standpunt dat hier niet de ontwikkeling van de moeder doorslaggevend is, maar het belang van [de minderjarige] , die - anders dan haar halfbroertjes - al jaren in een pleeggezin woont. Bovendien is de positieve ontwikkeling bij de moeder nog vrij recent en zal nog moeten blijken of die voldoende bestendig is. De moeder voedt haar jongste twee kinderen op met hulp van haar ouders, waardoor het risico bestaat dat de komst van [de minderjarige] het evenwicht in het gezin bij de moeder zal verstoren. Het hof heeft in dit verband de indruk dat de moeder zich niet voldoende realiseert welke impact de komst van [de minderjarige] zal hebben in het gezin bij de moeder, niet alleen vanwege de aanpassingsproblemen voor de andere leden van het gezin maar ook vanwege het ondervangen van de gevolgen voor [de minderjarige] van het voor haar waarschijnlijk traumatiserende vertrek uit het pleeggezin, zijnde immers haar basisveiligheid. Dat geldt natuurlijk te meer in het geval zij niet vrij en onbelemmerd contacten kan onderhouden met het pleeggezin en vice versa. Het gaat hier om een beschadigd meisje waarbij de pleegouders in staat zijn gebleken de bij de moeder opgelopen schade om te buigen naar een zekere positieve ontwikkeling met behulp van derden, waaronder bijvoorbeeld de school, fysiotherapie en logopedie. De moeder stelt weliswaar dat zij niet in de weg zal staan aan de contacten tussen [de minderjarige] en het pleeggezin maar gezien de gespannen verhoudingen tussen de moeder en de pleegouders ziet het hof hierin toch een niet te verwaarlozen risico op mislukking. Ook in hoger beroep is in dit verband gebleken dat de verhouding tussen de moeder en de pleegouders onder druk is komen te staan en als gespannen moet worden aangemerkt waarbij de onderlinge communicatie tussen hen te wensen overlaat, blijkend bijvoorbeeld uit hetgeen zij over en weer hebben verklaard omtrent de gang van zaken rondom de overdrachtsmomenten. De pleegouders hebben in dit verband melding gemaakt van een zekere afstandelijkheid bij de moeder jegens hen bestaande uit bijvoorbeeld het niet nakomen van de afspraak om bij hen binnen te komen bij de overdracht. De moeder wijt zulks aan de communicatie.

4.15

Het hof acht aannemelijk dat de onrust die is ontstaan sinds begin 2014 bij alle betrokkenen in het kader van de onduidelijkheid omtrent het toekomstperspectief van [de minderjarige] ook zo zijn weerslag heeft gehad op [de minderjarige] , al was het alleen maar vanwege de uitbreiding van de contacten tussen [de minderjarige] en de moeder en de spanningen bij de betrokken volwassenen. Een kind voelt immers doorgaans haarfijn aan wanneer de basisveiligheid in het geding komt. Om die redenen ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de toelichting van de pleegouders dat [de minderjarige] bij hen signalen heeft laten zien die lijken te wijzen op onveiligheid sinds de uitbreiding van het contact met de moeder waaronder een terugval in haar ontwikkeling (motorisch, spraak), onrustig gedrag en smeren met ontlasting en urine. De moeizame en achterlopende cognitieve en motorische ontwikkeling van [de minderjarige] blijkt eveneens uit het schrijven van de school van [de minderjarige] van juni 2015. Het hof deelt daarom de zorgen van de raad over de invloed van de onrust voor [de minderjarige] op de gehechtheidsrelatie met de pleegouders en het belang van [de minderjarige] bij duidelijkheid. Voor zover de moeder heeft betwist dat [de minderjarige] signalen van onveiligheid heeft laten zien sinds de uitbreiding van het contact met de moeder faalt dat betoog dus.

4.16

De moeder heeft ook het falen van het door de WSG ingezette traject bij de GGZ in [Q] aan de opstelling van de pleegouders toegeschreven en betwist dat de communicatie over de terugplaatsing onzorgvuldig zou zijn geweest. Volgens de moeder hebben de pleegouders onvoldoend de regie geaccepteerd van de WSG. Het hof stelt vast dat de stelling van de moeder dat het aan de pleegouders is te wijten dat het traject bij [Q] niet is gelukt door de pleegouders is betwist en geen steun vindt in stukken waaronder de verklaring van de GGZ van 21 oktober 2014 en de brief van [B] van 9 juni 2015, waaruit veeleer blijkt dat in onderling overleg met alle betrokkenen is besloten een beslissing van de kinderrechter te vragen en niet over te gaan tot een gezinsopname in [Q] , zodat de desbetreffende stelling van de moeder niet als vaststaand kan worden aangenomen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting twijfelt het hof er voorts niet aan dat de communicatie over het traject naar een eventuele terugplaatsing en het toekomstperspectief van [de minderjarige] te wensen over heeft gelaten, waarbij het hof evenals de raad de indruk heeft dat zulks mede is veroorzaakt doordat het rapport van de raad van februari 2014 ten onrechte is uitgelegd als aanzet om over te gaan tot thuisplaatsing van [de minderjarige] . Ten onrechte omdat dat niet de vraag was die aan de raad was voorgelegd, maar of ontheffing van de moeder van het gezag op dat moment was geïndiceerd. De WSG heeft het hof in dit verband niet kunnen overtuigen van de zorgvuldigheid waarmee een en ander gegaan is in de communicatie met betrokken personen en instanties.

4.17

De moeder heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de lange termijn effecten van de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Het hof overweegt dat in de gegeven omstandigheden de kans op mislukking van een thuisplaatsing van [de minderjarige] te groot is nu niet aan de noodzakelijke randvoorwaarden voor een succesvolle terugplaatsing is voldaan.

4.18

Het hof concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden doorslaggevende waarde heeft toegekend aan het hechtingsbelang van [de minderjarige] en continuering van het verblijf van [de minderjarige] in het pleeggezin en mitsdien terecht is overgegaan tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] .

4.19

Aangezien ook overigens niets is aangevoerd dat het hof tot een andere beslissing kan leiden betekent het voorgaande dat het hoger beroep van de moeder faalt.

5 De slotsom

5.1

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het gerechtshof:


vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 14 april 2015 voor zover het de beslissing tot benoeming van JBO tot gecertificeerde instelling betreft;

bekrachtigt die beschikking voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige [de minderjarige] betreft (tot 17 januari 2016);

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht in de hoofdzaak en in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. B.J.H. Hofstee en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2015 in bijzijn van de griffier.