Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6055

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
WAHV 200.162.880
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gedraging betreft “handelen in strijd met geslotenverklaring voor alle motorrijtuigen: bord C12/20”, op de Veenendaalseweg te De Klomp. Niet in geding is dat de gedraging is verricht.

Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter in de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden, te weten dat de gedraging nietsvermoedend zou zijn verricht en dat de overtreding eenmalig was, aanleiding gezien het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en de sanctie te matigen tot nihil.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en overweegt daarbij het volgende.

Het absolute karakter van de verplichting gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden brengt mee dat de vraag of de gedraging al dan niet opzettelijk of bewust is verricht, niet van belang is bij de oplegging van de sanctie. Daargelaten dat uit de door het openbaar ministerie verstrekte informatie blijkt dat het verbodsbord op het tijdstip van de gedraging werd ondersteund door tekstkarren, had ook zonder deze tekstkarren voor de betrokkene duidelijk moeten en kunnen zijn dat hij als automobilist niet door de tunnel mocht rijden. Het verweer van de betrokkene dat hij pas na de datum van de gedraging op de hoogte is geraakt van het verbod is daarom niet een omstandigheid die tot matiging of het achterwege laten van de sanctie kan leiden.

Voor zover de betrokkene heeft gepleit voor een belangenafweging waarbij zijn individuele belang niet ondergeschikt zou moeten worden gemaakt aan het veronderstelde financiële belang, overweegt het hof dat de door de plaatselijke wetgever ingestelde beperking van de vrije doorgang door de tunnel tot bepaalde categorieën weggebruikers geen ander doel kan dienen dan de veiligheid van die weggebruikers te waarborgen. Dat handhaving van het verbod voor andere weggebruikers heeft geresulteerd in oplegging van een groot aantal sancties doordat het verbod kennelijk massaal wordt genegeerd, is anders dan de betrokkene veronderstelt, een neveneffect van de handhaving van het verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.162.880

14 augustus 2015

CJIB 172887834

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 24 oktober 2014

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard, de sanctie gematigd tot een bedrag van € 0,- en bepaald dat het bedrag van de zekerheidstelling wordt terugbetaald. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 juli 2015. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen E.J. Swart.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “handelen in strijd met geslotenverklaring voor alle motorrijtuigen: bord C12/20”, welke gedraging zou zijn verricht op 22 mei 2013 om 20:24 uur op de Veenendaalseweg te De Klomp.

2. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter vastgesteld dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft echter in de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden aanleiding gezien de sanctie te matigen tot nihil. Die beslissing steunt op de overweging dat naar het oordeel van de kantonrechter aannemelijk is geworden dat de betrokkene de gedraging nietsvermoedend heeft verricht en dat de overtreding eenmalig was.

3. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat vaststaat dat de gedraging is verricht en dat geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het sanctiebedrag zou moeten worden gematigd. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft ter zitting aangevoerd dat de tunnel waar de gedraging heeft plaatsgevonden vanaf

3 december 2012 door middel van plaatsing van het bord C1 is afgesloten voor alle verkeer. Op 1 februari 2013 is het bord C1 vervangen door het bord C12. Omdat gebleken was dat de situatie niet geheel duidelijk was zijn beschikkingen met een pleegdatum vóór 5 april 2013 ingetrokken. Op 5 april 2013 is de bebording vervangen door bebording van een groter formaat en zijn aan weerskanten van de weg voor de tunnel tekstkarren geplaatst met de tekst "Let op! Doorrijden = € 90,- boete". Gelet op die informatie had volgens de gemachtigde voor de betrokkene op 22 mei 2013, de datum van de gedraging, duidelijk moeten zijn dat hij de tunnel op de Veenendaalseweg niet in mocht rijden.

Het verweer van de betrokkene, dat hij deze route slechts één keer per jaar rijdt en nietsvermoedend is doorgereden kan volgens de gemachtigde niet slagen omdat hij had kunnen en moeten weten dat hij niet door mocht rijden. Dat hij toch is doorgereden is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.

De gemachtigde van de advocaat-generaal concludeert dat de kantonrechter de sanctie ten onrechte heeft gematigd en dat diens beslissing moet worden vernietigd.

4. De betrokkene heeft in hoger beroep herhaald dat hij onbewust door de tunnel is gereden omdat hij dit de voorgaande jaren gewend was. Hij is pas door een krantenartikel in het Reformatorisch Dagblad van 29 mei 2013 op de hoogte geraakt van het verbod. Ter zitting heeft hij verklaard dat het bord C12 en het tekstbord op het tijdstip van de gedraging ter plaatse wel aanwezig waren. Hij had deze wel kunnen zien maar hij heeft ze niet gezien. De betrokkene heeft in een artikel in het Reformatorisch Dagblad gelezen dat in een periode van anderhalf jaar 35.000 beschikkingen zijn opgelegd voor het negeren van het verbod en dat er een groot financieel belang in het geding is. Hij hoopt dat het individuele belang niet over het hoofd wordt gezien.

5. De gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord C12, inhoudende:

"Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden."

6. Niet in geschil is dat de gedraging is verricht. Nu de stukken van het dossier geen aanleiding geven tot een andersluidend oordeel, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.

Die enkele vaststelling rechtvaardigt reeds het opleggen van een sanctie.

Het absolute karakter van voormelde verplichting brengt mee dat de vraag of de gedraging al dan niet opzettelijk of bewust is verricht niet van belang is bij de oplegging van de sanctie. Daargelaten dat uit de door het openbaar ministerie verstrekte informatie blijkt dat het verbodsbord op het tijdstip van de gedraging werd ondersteund door tekstkarren, had ook zonder deze tekstkarren voor de betrokkene duidelijk moeten en kunnen zijn dat hij als automobilist niet door de tunnel mocht rijden. Het verweer van de betrokkene dat hij pas na de datum van de gedraging op de hoogte is geraakt van het verbod is daarom niet een omstandigheid die tot matiging of het achterwege laten van de sanctie kan leiden.

7. Voor zover de betrokkene heeft gepleit voor een belangenafweging waarbij zijn individuele belang niet ondergeschikt zou moeten worden gemaakt aan het veronderstelde financiële belang, overweegt het hof dat de door de plaatselijke wetgever ingestelde beperking van de vrije doorgang door de tunnel tot bepaalde categorieën weggebruikers geen ander doel kan dienen dan de veiligheid van die weggebruikers te waarborgen. Dat handhaving van het verbod voor andere weggebruikers heeft geresulteerd in oplegging van een groot aantal sancties doordat het verbod kennelijk massaal wordt genegeerd, is anders dan de betrokkene veronderstelt, een neveneffect van de handhaving van het verbod. Het hof verwerpt het verweer van de betrokkene ook in zoverre.

8. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en de sanctie ten onrechte heeft gematigd. Het hof zal de beslissing vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.