Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6050

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
TBS P15/0135
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 38, zesde lid (Sr.) bepaalt dat de rechter kan bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. De vraag doet zich voor hoe deze regeling zich verhoudt tot de bepaling van het eerste lid van artikel 38d (Sr.), inhoudende dat de termijn van de terbeschikkingstelling in beginsel ingaat op de dag waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P15/0135

Beslissing d.d. 6 augustus 2015

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,

verblijvende in [RIBW instelling] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2015, houdende verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met 2 jaren met handhaving van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 december 2012 gestelde bijzondere en algemene voorwaarden.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 6 maart 2015;

- de voortgangsverslagen toezicht van Reclassering Nederland, gedateerd 3 maart 2015 en

4 juni 2015;

- het aanvullende verlengingsadvies van Reclassering Nederland van 8 juli 2015.

Het hof heeft ter zitting van 23 juli 2015 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.L. Pöll, advocaat te ‘s-Gravenhage, en de advocaat generaal mr. M.J.M van der Mark.

Ontvankelijkheid van de vordering tot verlenging

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij vonnis van 28 december 2012 de terbeschikkinggestelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 777 dagen, de terbeschikkingstelling met voorwaarden gelast en voorts bepaald dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank heeft tevens het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van 4 januari 2013.

De terbeschikkinggestelde heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, maar het beroep bij akte van 14 augustus 2013 ingetrokken.

De Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft de officier van justitie bij brief van 16 januari 2014 (het hof leest: 2015) meegedeeld dat de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling dient plaats te vinden tussen 15 juni 2015 en 15 juli 2015. DJI is er daarbij vanuit gegaan dat de terbeschikkingstelling zou eindigen op 14 augustus 2015.

De officier van justitie in het arrondissement Den Haag heeft echter al op 24 november 2014 (ingekomen bij de rechtbank op 26 november 2014) verlenging van de terbeschikking-stelling gevorderd, uitgaande van 4 januari 2015 als expiratiedatum, in welke vordering de officier van justitie door de rechtbank ontvangen is.

Nu ingevolge artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering de vorderingstermijn dwingend is voorgeschreven, dient het hof vast te stellen welke datum als ingangsdatum van de terbeschikkingstelling heeft te gelden: 4 januari 2013 dan wel 14 augustus 2013.

Ingevolge artikel 557, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering mag geen beslissing ten uitvoer worden gelegd zolang een aangewend rechtsmiddel niet is ingetrokken of daarop is beslist. Artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt echter dat de rechter kan bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. De wetgever heeft daarbij uitdrukkelijk de bedoeling gehad een oplossing te bieden voor de zogenaamde ‘toezichtloze periode’ tussen de beëindiging van de voorlopige hechtenis en de aanvang van de terbeschikkingstelling. De bepaling dat de terbeschikkingstelling dadelijk uitvoerbaar is bedoelt een uitzondering te maken op de schorsende werking van artikel 557 van het Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 823, nr. 3, pag. 7-8).

De vraag doet zich voor hoe deze regeling zich verhoudt tot de bepaling van het eerste lid van artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de termijn van de terbeschikkingstelling in beginsel ingaat op de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij de maatregel is opgelegd onherroepelijk is geworden. De wetgever heeft zich hierover niet uitgelaten. Het hof is echter van oordeel dat een redelijke wetstoepassing met inachtneming van de rechtspositionele belangen van de terbeschikkinggestelde er toe leidt, dat in afwijking van genoemde bepaling de termijn van de maatregel ingaat op de dag dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden is ingegaan. Nu dit, gelet op artikel 38f, eerste lid, sub b van het Wetboek van Strafrecht, op 4 januari 2013 is geweest -de dag met ingang waarvan het bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven- , is aldus de vordering van de officier van justitie met inachtneming van artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering tijdig ingediend.

Overwegingen:

Het standpunt van Reclassering Nederland

De reclassering heeft geadviseerd de terbeschikkingstelling onder dezelfde voorwaarden te verlengen met twee jaren. De terbeschikkinggestelde houdt zich weliswaar aan de regels van de RIBW, maar hij heeft geen dagbesteding, nauwelijks sociale contacten en heeft veel aansturing nodig met betrekking tot zijn persoonlijke verzorging en het uitvoeren van taken. De reclassering verwacht dat het realiseren van een stabiel evenwicht op de diverse leefgebieden en daarmee een verantwoord recidiverisico, nog geruime tijd nodig heeft.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De terbeschikkinggestelde heeft aangegeven dat hij zelfstandig wil wonen. Hij heeft niets aan de begeleiding gehad en wil stoppen met het medicijngebruik. De raadsvrouw heeft gesteld dat de overplaatsing naar de RIBW goed is verlopen en dat de terbeschikkinggestelde stappen heeft gemaakt. De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de vordering tot verlenging af te wijzen en subsidiair om de terbeschikkingstelling met 1 jaar te verlengen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De terbeschikkinggestelde kan nog niet zonder begeleiding. Hij heeft zijn leefgebieden nog niet op orde en heeft een heel beperkt sociaal vangnet. Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een matig tot hoog recidivegevaar indien de maatregel zou worden opgeheven. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Het hof acht geen termen aanwezig om de verlenging van de maatregel te beperken tot een termijn van een jaar. De terbeschikkinggestelde zal nog gedurende langere tijd hulp en begeleiding nodig hebben. Uitgangspunt van het hof is dat wanneer aannemelijk is geworden dat behandeling en begeleiding meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren.

Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met aanvulling van gronden worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden de beslissing van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2015 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde] .

Aldus gedaan door

mr. Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr. J.P. Bordes en mr. P. de Bruin, als raadsheren,

en drs. E.M.M. Mol en dr. A.J. Verheugt als raden,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot als griffier,

en op 6 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken.

De raden en mr. P. de Bruin zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.