Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6027

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.170.257
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. Indienen verzoek tot verlenging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.170.257

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 167996)

beschikking van de familiekamer van 13 augustus 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.V.S. Cassese te Almelo,

en

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

(voorheen: Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel),

gevestigd te Hengelo (O),

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 27 februari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie, ingekomen op 20 mei 2015;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 11 juni 2015;

- het journaalbericht van mr. Cassese van 2 juli 2015 met productie, ingekomen op 3 juli 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2015 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de stichting zijn verschenen

[A], teamleider, en [B], gezinsvoogd. Ook verschenen is de vader. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is, met kennisgeving vooraf, niemand verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de - inmiddels verbroken - relatie van de ouders is op [geboortedatum] 2008 [kind] (verder te noemen: [kind]) geboren. De vader heeft [kind] erkend en [kind] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hem.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 1 maart 2010 is [kind] onder toezicht gesteld van de stichting, welke ondertoezichtstelling laatstelijk voor de bestreden beschikking bij beschikking van de kinderrechter van 19 februari 2014 is verlengd bij van 1 maart 2014 tot 1 maart 2015.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn verlengd met een jaar, te weten tot 1 maart 2016.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

27 februari 2015. Grief 1 ziet op het door de GI te laat indienen van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind]. Grief 2 ziet op het te laat geven van een beschikking door de rechtbank. Grief 3 ziet op de gronden van de ondertoezichtstelling. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.2

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 2.4.8 sub a en b van het Procesreglement civiel jeugdrecht dient een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling uiterlijk tijdens de achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling te worden ingediend en is een verlengingsverzoek dat is ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk.

5.2

De moeder stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de GI ontvankelijk heeft verklaard in het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] nu dit verzoek pas op 13 februari 2015 is ingediend, terwijl de ondertoezichtstelling verliep op

1 maart 2015. De moeder is daardoor in haar belangen geschaad nu haar de mogelijkheid is ontnomen haar procedurele kansen ten volle te benutten en zij zich niet naar behoren heeft kunnen voorbereiden op de zitting. Dit is onder andere in strijd met het fair play-beginsel.

5.3

De GI voert aan dat zij ter mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft meegedeeld wat de reden is van de te late indiening van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind]. In de periode dat het verzoek ingediend zou worden, speelde het hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden inzake de omgangsregeling. In de beschikking van het hof omtrent de omgangsregeling van 10 februari 2015 is opgenomen dat er een gesprek zou gaan plaatsvinden met de ouders en de gezinsvoogd over de uitbreiding van de omgang. De GI ging er vanuit dat dat inhield dat de moeder in zou stemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het te laat indienen van het verzoek kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid en de belangen van partijen zijn niet geschaad, aldus de GI.

5.4

Het hof is van oordeel dat het verlengingsverzoek weliswaar laat is ingediend, maar niet zo laat dat de eisen van een goede procesorde noodzaken tot niet-ontvankelijkheid van het verlengingsverzoek. De moeder heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd dat zij door het buiten de in het procesreglement civiel jeugdrecht genoemde termijn indienen van het verlengingsverzoek zodanig in haar belangen is geschaad dat sanctie van niet-ontvankelijkheid aangewezen is. De grief faalt.

5.5

Ingevolge artikel 1:256 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een ondertoezichtstelling telkens voor ten hoogste een jaar verlengen. Zonder tijdige verlenging zou de lopende ondertoezichtstelling van [kind] op 1 maart 2015 zijn geëindigd.

5.6

De moeder stelt in grief 2 dat de rechtbank te laat een beschikking heeft gegeven. Zij stelt dat de rechtbank de beginselen van een goede procesorde heeft geschonden en beroept zich daarbij op artikel 8.1 van het genoemde procesreglement. In dit reglement is bepaald dat de kinderrechter uiterlijk twee weken na de datum van de zitting op 18 februari 2015, docht in ieder geval voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling had moeten doen. Dit is volgende de moeder niet gebeurd en evenmin zijn partijen schriftelijk op de hoogte gesteld over het niet halen van deze uitspraaktermijn.

5.7

De GI voert aan dat in de beschikking is te lezen dat de uitspraak is gedaan op 27 februari 2015. De termijn van de ondertoezichtstelling liep tot 1 maart 2015. Wat de GI betreft is de beschikking dan ook op tijd gegeven.

5.8

Het hof stelt vast dat de kinderrechter in de rechtbank Overijssel bij beschikking van 27 februari 2015 de ondertoezichtstelling van [kind] tijdig met een jaar heeft verlengd. Deze beschikking is gegeven voor het expireren van de eerdere verlenging van de ondertoezichtstelling op 1 maart 2015 en binnen de in het procesreglement genoemde termijnen. Dat de beschikking pas op 4 mei 2015 is verzonden en kennelijk - naar het oordeel van het hof ten onrechte - niet naar de moeder, maakt dit oordeel niet anders. Het hof is voorts van oordeel dat het enkel overschrijden van een in het genoemde procesreglement vermelde beslistermijn als regel niet een zodanige schending van de eisen van een goede procesorde tot gevolg heeft, dat dit dient te leiden tot de vernietiging van een verlengingsbeschikking. Grief 2 faalt.

5.9

Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Ingevolge artikel 1:256 lid 2 BW kan de duur van de ondertoezichtstelling telkens worden verlengd met ten hoogste een jaar.

5.10

De moeder kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] niet verenigen. Zij voert in haar derde grief aan dat zij en de vader zelfstandig communiceren, ook als het om de omgangsregeling gaat. Voorts voert zij aan dat de ondertoezichtstelling een kortdurende maatregel hoort te zijn en dat na vijf jaar de tijd rijp is om deze te beëindigen. Daar komt bij dat de ondertoezichtstelling niet meer in het noodzakelijk belang is van [kind]; hij ontwikkelt zich goed, het gaat goed op school en er is geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging.

5.11

De GI stelt dat er nog onvoldoende vertrouwen is dat de ouders samen op harmonieuze wijze uitvoering kunnen geven aan de omgangsregeling, dat [kind] bedreigd wordt in zijn ontwikkeling door het ontbreken van basaal vertrouwen tussen de ouders en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is zodat de omgangsregeling conform de beschikking van het hof uitgevoerd kan worden zonder dat [kind] in de knel komt. De GI voegt eraan toe dat het goed gaat met [kind] op school en dat de uitvoering van de afspraken die er nu zijn naar tevredenheid verloopt.

5.12

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof met de moeder van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [kind] thans niet langer aanwezig zijn. Bij beschikking van 19 februari 2014 heeft de kinderrechter aannemelijk geoordeeld dat [kind] zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. De kinderrechter heeft geoordeeld dat bij beëindiging van de ondertoezichtstelling [kind] klem zou komen te zitten tussen zijn ouders, nu zijn ouders niet bereid zijn dan wel niet in staat zijn om met elkaar te overleggen waar het [kind] en/of de omgang betreft.

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat sprake was van een positieve ontwikkeling, maar dat het vertrouwen dat de ouders de omgangsregeling zelf in harmonie konden regelen nog onvoldoende aanwezig was, waarbij de kinderrechter het belangrijk vond dat de gezinsvoogd de omgang en de opbouw daarvan goed zou volgen, deze met de ouders zou bespreken en evalueren en met name de belangen van [kind] zou bewaken.

Van gronden die een ondertoezichtstelling van [kind] op dit moment nog langer kunnen rechtvaardigen is naar het oordeel van het hof thans echter niet gebleken. Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld blijkt dat de positieve ontwikkeling zich heeft doorgezet en dat aan de omgangsregeling zonder tussenkomst van de gezinsvoogd naar aller tevredenheid uitvoering wordt gegeven. Zowel de moeder als de vader en de GI hebben ter mondelinge behandeling bevestigd dat de omgangsregeling naar behoren verloopt en dat de ouders daarbij geen hulp nodig hebben van de GI. Dat er af en toe een misverstand optreedt in de communicatie, doet hieraan niet af.

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen tot aan heden en vernietigen met ingang van heden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen tot heden en vernietigen met ingang van heden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 27 februari 2015 voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot heden;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 27 februari 2015 met ingang van de datum van deze beschikking en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T.M. Blankestijn, A.R. van der Winkel en

K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op 13 augustus 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.