Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6025

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.162.076
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzing HR. Beëindiging partneralimentatie. Beslissingen over huwelijksgerelateerde en aanvullende behoefte en draagkracht. Terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.162.076

(zaaknummer rechtbank Maastricht, 154422)

beschikking van de familiekamer van 13 augustus 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.C. Blommendaal te Maastricht,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot 8 maart 2012 verwijst het hof naar de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.7 van de beschikking van het gerechtshof

's - Hertogenbosch van 8 maart 2012.

1.2

Bij die beschikking heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank Maastricht van 29 juni 2011 vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende verklaard voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd op 1 mei 2010, bepaald dat de vrouw de van de man ontvangen alimentatietermijnen ter zake van de periode vanaf 1 mei 2010 aan de man dient terug te betalen en daarover met ingang van de dag van die beschikking de wettelijke rente verschuldigd zal zijn tot de dag waarop zal zijn betaald, de in beide instanties gevallen proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen. Daaronder valt de afwijzing van het verzoek van de man tot nihilstelling of vermindering van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw over de periode van 1 maart 2010 tot 1 mei 2010.

1.3

Bij beschikking van 20 december 2013 heeft de Hoge Raad der Nederlanden de beschikking van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 maart 2012 vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

1.4

Bij journaalbericht van 11 december 2014, ingekomen ter griffie van het hof op

12 december 2014, heeft Mr. Blommendaal namens de man het hof verzocht over te gaan tot verdere behandeling van de zaak.

1.5

Bij journaalbericht van 20 maart 2015, ingekomen ter griffie van het hof op 23 maart 2015, heeft Mr. Haas namens de vrouw een brief overgelegd waarin hij gebruikt maakt van de mogelijkheid om kenbaar te maken wat volgens de vrouw nog ter beslissing voorligt.

1.6

Bij journaalbericht van 8 april 2015 met bijlagen, ingekomen op 9 april 2015, heeft mr. Blommendaal producties in het geding gebracht.

1.7

De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

1.8

Mr.. Haas heeft ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van het journaalbericht met bijlage van mr. Blommendaal van 8 april 2015, aangezien het is ingekomen binnen de in artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven genoemde termijn van 10 dagen.

Het hof heeft daarop beslist dat op die bijlagen acht wordt geslagen, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn. Het hof heeft mr. Haas de gelegenheid geboden in een leespauze van die bijlagen kennis te nemen.

2 De motivering van de beslissing

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

2.1

Artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) schrijft voor dat de rechter naar wie het geding is verwezen de behandeling daarvan voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 20 december 2013 uitdrukkelijke overwegingen gewijd aan twee van de vier klachten in cassatie, te weten, kort weergegeven:

  • -

    de klacht dat het gerechtshof 's-Hertogenbosch ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) (klachtonderdeel 1);

  • -

    de klacht dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft overwogen dat ook de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw is komen te vervallen (klachtonderdeel 3).

2.2

Gelet daarop faalt grief 1 in het principaal hoger beroep en behoeft deze grief geen verdere bespreking meer. Tevens volgt uit rechtsoverweging 3.5 van de beschikking van de Hoge Raad, dat het door de man gestelde verval van de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw geen zelfstandige grond is voor beëindiging van zijn alimentatieplicht jegens de vrouw.

2.3

De Hoge Raad heeft geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan de klachtonderdelen 2 en 4. Klachtonderdeel 2 heeft betrekking op de overwegingen van het Gerechtshof

’s-Hertogenbosch over het duurzaam karakter van de samenwoning van de vrouw en haar nieuwe partner [A] (hierna: [A]) en hun wederzijdse verzorging. Klachtonderdeel 4 heeft betrekking op het oordeel van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust ter zake teveel betaalde alimentatie vanaf

1 mei 2010.

Het hof is als verwijzingsrechter niet gebonden aan de door de klachten bestreden beslissingen van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en zal de aan de klachten ten grondslag liggende geschilpunten opnieuw behandelen.

2.4

Na de verwijzing is nog in geschil de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en dient op de volgende punten nog te worden beslist:

  • -

    de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw;

  • -

    de aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud;

  • -

    de draagkracht van de man;

  • -

    de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

Het gaat daarbij over de periode van 1 mei 2010 tot 22 januari 2014. De bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw over de periode 1 maart 2010 tot 1 mei 2010 is niet aan de orde, alleen al niet omdat het betrekken van die periode in deze procedure na verwijzing zou betekenen, dat de vrouw slechter zou worden van het door haar ingestelde beroep in cassatie. Dat zou in strijd komen met het verbod op reformatio in peius.

2.5

Allereerst is nog de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in geschil. De man stelt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte deze behoefte van de vrouw op € 2.065,- netto per maand heeft gesteld en ten onrechte is uitgegaan van de Hof-norm. De vrouw betwist dat en voert aan dat er voldoende stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan de alimentatiebehoefte kon worden vastgesteld, dat de man zelf ook rekent met de 60%-norm en dat zijn beroep op twee uitspraken van de Hoge Raad niet opgaat, nu de rechtbank de behoefte aan alimentatie in redelijkheid heeft bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden. De rechtbank heeft de 60%-norm als hulpmiddel mogen inzetten om in standaardgevallen als deze de huwelijksgerelateerde behoefte globaal te berekenen, aldus de vrouw.

2.6

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De rechter zal de behoefte daarnaast zo veel mogelijk moeten bepalen aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud.

Door bij de berekening van de hoogte van haar behoefte enkel uit te gaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden, miskent de vrouw dat zij haar welstandsgerelateerde behoefte dient te stellen en bij betwisting dient te onderbouwen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de man had het dan ook op de weg van de vrouw gelegen om haar behoefte nader te onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van een behoeftelijstje. Dat heeft zij evenwel niet gedaan. Daarom zal het hof ter bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte niet de 60%-norm als basis nemen.

2.7

Het hof zal bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in de beoordeling betrekken of de vrouw vanaf 1 mei 2010 een gemeenschappelijke huishouding vormde met [A] en daardoor haar lasten met [A] kon delen. De vrouw heeft gesteld dat zij weliswaar vanaf begin juni 2010 met [A] in zijn woning in [plaats] heeft samengewoond, maar zij betwist het duurzame karakter daarvan. Volgens de vrouw hangt die duurzaamheid af van de intentie van de partners en die was volgens haar niet gestoeld op duurzaam samenwonen.

Het hof komt met betrekking tot dit geschilpunt niet tot een ander oordeel dan het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Gesteld al dat de intentie van de partners als beoordelingsmaatstaf moet worden gehanteerd, dan zullen er concrete aanwijzingen moeten zijn dat deze intentie ontbrak. Daaraan schort het in deze zaak. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar samenwoning met [A] uit iets anders voortkwam dan uit haar bewuste keuze om haar leven met dat van hem te gaan delen. Zij heeft niet aangetoond dat zij geen andere mogelijkheid van huisvesting had dan bij [A] in te trekken. Al met al onderschrijft het hof het oordeel van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in rechtsoverweging 3.14 van zijn beschikking en neemt het dit oordeel over.

2.8

De feiten die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in rechtsoverweging 3.16 van zijn beschikking heeft vermeld en die ten grondslag liggen aan zijn oordeel dat vanaf 1 mei 2010 van een gemeenschappelijk huishouding en van wederzijds verzorging tussen de vrouw en [A] sprake was, worden ook door het hof onderschreven. Ook in zoverre neemt het hof het oordeel van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over. Niet in geschil is overigens dat de vrouw nog steeds samenwoont met [A].

2.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gaat het hof bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw uit van de bijstandsnorm over het jaar 2009 voor een alleenstaande van € 899,- per maand, te verminderen met de helft van de daarin begrepen wooncomponent van € 202,- per maand, nu zij vanaf 1 mei 2010 met [A] is gaan samenwonen. Voor splitsing in meer of andere perioden ziet het hof geen aanleiding, omdat in het onderhavige geval onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die meebrengen dat de al dan niet aanwezigheid van de kinderen verschil uitmaakt voor de berekening van de eigen huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Uit het voorgaande vloeit voort dat grief 3 van de man slaagt.

De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent het hof aldus op € 798,- per maand.

2.10

De man betwist dat de vrouw niet (geheel) in haar behoefte kan voorzien. Hij stelt in grief 4 dat de vrouw, nu zij niet de zorg heeft voor de kinderen en over voldoende opleiding en goede diploma's beschikt, zich volledig kan wijden aan het arbeidsproces.

De vrouw betwist dat en voert aan dat zij geen werkervaring heeft, omdat zij tijdens het huwelijk altijd bij de kinderen thuis is gebleven en slechts vrijwilligerswerk heeft kunnen doen.

In het incidenteel hoger beroep voert de vrouw aan (grief I) dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het redelijk is dat zij in ieder geval het minimumloon van € 1.550,- bruto per maand (inclusief 8% vakantietoeslag) kan genereren en dat de aanvullende onderhoudsbijdrage derhalve kan worden vastgesteld op € 900,- per maand, nu de vrouw slechts over een zeer bescheiden inkomen beschikt, haar kansen op de arbeidsmarkt niet groot zijn en zij derhalve niet het minimumloon kan genereren.

2.11

Het hof gaat ervan uit dat de vrouw in redelijkheid geheel in de onder 2.9 vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte moet kunnen voorzien. De vrouw heeft in dit kader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en waarom ze dat niet zou kunnen. Ook heeft ze onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ze er alles binnen haar mogelijkheden aan heeft gedaan om betaald werk te vinden. De handgeschreven lijst van de vrouw met een overzicht van sollicitaties is hiertoe onvoldoende. De vrouw heeft gesteld dat ze operaties heeft ondergaan, maar daarbij niet toegelicht in welke mate deze door haar gestelde omstandigheid haar het zoeken naar betaald werk heeft belemmerd. Het hof gaat dan ook ervan uit dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft.

2.12

Gezien al het voorgaande zal het hof de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 mei 2010 op nihil stellen.

2.13

De grieven 5 en 6 in het principaal hoger beroep en de grieven II, III en IV in het incidenteel hoger beroep behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

2.14

In het kader van klachtonderdeel 4, dat betrekking heeft op de door het Gerechtshof

’s-Hertogenbosch bepaalde terugbetaling van vanaf 1 mei 2010 ontvangen alimentatietermijnen inclusief wettelijke rente daarover, overweegt het hof als volgt. In het verweerschrift hoger beroep tevens incidenteel appèl van de vrouw valt niet te lezen dat zij de door haar ontvangen bedragen aan partneralimentatie heeft opgesoupeerd. Wel is uit de brief die is gevoegd bij het door Mr. Haas namens de vrouw ingediende journaalbericht van 20 maart 2015 en het verhandelde ter mondelinge behandeling bij het hof duidelijk geworden dat de vrouw de door de rechtbank toegewezen partneralimentatie tot en met juli 2011 heeft doen incasseren tot een bedrag van € 16.494,31. Daarvan valt een bedrag van € 946,94, dat betrekking over de periode van 13 januari 2010 tot en met 31 januari 2010, buiten de periode van 1 mei 2010 tot aan 22 januari 2014.

Ter beoordeling staat in hoeverre in redelijkheid van de vrouw kan worden verlangd dat zij gehouden is tot terugbetaling van het geïncasseerde bedrag van (€ 16.494,31 - € 946,94 =) € 15.547,37. Nu het hof tot het oordeel is gekomen dat de vrouw in staat was vanaf 1 maart 2010 met behulp van haar verdiencapaciteit zelf in haar behoefte te voorzien en bij gebreke van een toelichting met betrekking tot de terugbetaling, zal het hof het verzoek van de man tot terugbetaling van de ontvangen alimentatietermijnen toewijzen als na te melden.

3 De slotsom

4.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt grief 1 en slagen grieven 2, 3 en 4 in het principaal hoger beroep en faalt grief I in het incidenteel hoger beroep.

4.2

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw betreft, vernietigen en beslissen als volgt.

4.3

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 29 juni 2011, voor zover het de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 30 december 2009 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant in die zin dat dat bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 mei 2010 op nihil wordt gesteld;

bepaalt dat de vrouw de van de man ontvangen alimentatietermijnen ter zake van de periode vanaf 1 mei 2010 ten bedrage van € 15.547,37 aan de man dient terug te betalen en over dit bedrag met ingang van de dag van deze beschikking de wettelijke rente zal zijn verschuldigd tot aan de dag waarop geheel zal zijn betaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.P.M. van den Dungen, C.J. Laurentius-Kooter en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op 13 augustus 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.