Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:6000

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
200.128.071/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over schade aan geleaste auto bij het einde van de lease. Verhuurder heeft aanvullingen geplaatst op innameformulier. Bewijsrechtelijke status van het formulier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.071/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 562722 CV EXPL 12-11035)

arrest van de eerste kamer van 11 augustus 2015

in de zaak van

[appelant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appelant],

advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

DealerLeasing B.V.,

gevestigd te Geldrop,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: DealerLeasing,

advocaat: mr. F.H. Gart, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 april 2015 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

[appelant] heeft een akte uitlating producties genomen.

1.2

Vervolgens heeft [appelant] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling
vaststaande feiten

2.1

Het hof ziet reden zelf de feiten vast te stellen.

2.1.1

[appelant] heeft met ingang van 29 februari 2012 van DealerLeasing een bedrijfsauto, een Peugeot Partner met kenteken [kenteken] , geleased tegen een leasesom van € 565,25 per maand inclusief BTW. In het door partijen ondertekende leasecontract, dat verwijst naar de toepasselijke algemene voorwaarden van DealerLeasing, is onder meer bepaald dat sprake is van een all-risk verzekering met een eigen risico van € 750,- exclusief BTW per schadegeval.

2.1.2

Toen [appelant] de auto in gebruik nam, heeft hij een afgifteformulier ondertekend. Op dat formulier is aangegeven dat aan de rechterachterzijde van de auto, achter het achterwiel, sprake was van een deuk en linksvoor en op het rechterachterportier van een tweetal ‘pitjes’

2.1.3

[appelant] heeft een achterstand in de betaling van de leasetermijnen laten ontstaan.

2.1.4

DealerLeasing heeft de leaseovereenkomst per 21 mei 2012 ontbonden.

2.1.5

[appelant] heeft de auto op 22 mei 2012 bij DealerLeasing ingeleverd. Bij die gelegenheid heeft hij een innameformulier ondertekend.

2.1.6

In een factuur van 29 juni 2012 heeft Autoschadebedrijf Waalre BV een bedrag van
€ 1.042,82 exclusief BTW in rekening gebracht voor het herstel van een drietal schades aan de Peugeot Partner. In de factuur is dat als volgt omschreven:
“Diverse schades herstellen.
schade 1
Herstellen en uitdeuken LA scherm 3.5 uur 262,50
spuiten linker achter scherm 225,=
Onderdelen achter bumper vernieuwen 202.82
Totaal ex btw 690.32
------------------------------------
schade 2
Uitdeuken zonder spuiten linker voor portier,
restylen 90,= ex btw
------------------------------------
schade 3
Uitdeuken en herstellen Ra.scherm 1,5 uur 112.50
Spuiten rechter achter scherm 150,=
Totaal ex btw 262.50”

2.1.7

DealerLeasing heeft het aan haar door het autoschadebedrijf in rekening gebrachte bedrag doorberekend aan [appelant] . Zij heeft dit bedrag vermeerderd met een bedrag van € 150,- exclusief BTW in verband met poetskosten. Van dit bedrag, € 1.192,82 exclusief BTW en
€ 1.419,45 inclusief BTW, heeft zij de door [appelant] betaalde borg afgetrokken, waarna een bedrag van € 524,46 resteerde.
procedure in eerste aanleg

2.2

DealerLeasing heeft, na wijziging van eis, betaling gevorderd van een bedrag van in hoofdsom € 1.832,31, bestaande uit openstaand leasetermijnen, genoemd bedrag van
€ 524,46 en een bedrag van € 43,88 in verband met een boete.

2.3

[appelant] heeft verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de reparatie- en de poetskosten. De kantonrechter heeft de vordering van DealerLeasing toegewezen voor wat betreft de hoofdsom en de handelsrente en [appelant] veroordeeld in de proceskosten.
bespreking van de grieven

2.4

Het hof stelt voorop dat de grieven slechts betrekking hebben op het door DealerLeasing gevorderde bedrag vanwege het schadeherstel en de poetskosten. Het hoger beroep is dan ook tot de verschuldigdheid van die posten beperkt.

2.5

Met grief 1 komt [appelant] op tegen de vaststelling door de kantonrechter dat hij de auto niet schoon heeft opgeleverd. Voor zover de grief zich richt tegen de feitenvaststelling heeft [appelant] bij deze grief geen belang, nu het hof de feiten reeds heeft vastgesteld.
Dat geldt, mutatis mutandis, ook voor grief 2, die zich keert tegen de vaststelling door de kantonrechter dat de auto bij inlevering schade had die is weergegeven op een door [appelant] ondertekend innameformulier.

2.6

Grief 3 hangt met de grieven 1 en 2 samen. In grief 3 keert [appelant] zich tegen de betekenis die de kantonrechter heeft toegekend aan het innameformulier, waarop de kantonrechter onder meer de in de grieven 1 en 2 aangevallen vaststelling van feiten heeft gebaseerd.

2.7

DealerLeasing heeft een innameformulier in het geding gebracht, waarop bij de vraag
“auto gepoetst?” het antwoord “Zeer vies” is aangekruist. Verder staat op dit formulier vermeld onder “opmerkingen”: “Schades die uitkomen naar het wassen van de auto worden doorberekend aan klant”. Ten slotte is op het formulier, voor zover van belang, aangegeven dat sprake is van een deuk in het linker voorportier, een deuk aan de linkerachterzijde (onder), een pitje aan de linkerachterzijde (achter het achterraam), een scheur bij de bumper linksachter en een deuk rechtsachter.

2.8

[appelant] heeft ontkend dat hij de auto vies heeft ingeleverd. Hij stelt dat hij de auto naar de autowasstraat heeft gebracht en toen heeft ingeleverd. Hij heeft het innameformulier ondertekend, maar daarop was toen niet aangegeven dat de auto (zeer) vies was. Er was slechts sprake van een kleine kras linksachter. Volgens [appelant] heeft DealerLeasing het formulier aangevuld nadat hij het had ondertekend. Toen is ook de opmerking over het doorberekenen van na het wassen blijkende schades geplaatst, aldus [appelant] , die aangeeft dat hij het innameformulier helaas niet heeft bewaard. DealerLeasing heeft betwist dat zij “heeft geknoeid” met het formulier. Wel heeft zij aangegeven dat het mogelijk is dat achteraf schades zijn aangetekend op het formulier, te weten de schades die na het wassen zijn gebleken. Dat betekent niet dat die latere aantekeningen niet juist zijn, aldus DealerLeasing. Volgens DealerLeasing komt het voor rekening en risico van [appelant] dat hij het innameformulier niet heeft bewaard.

2.9

Uitgangspunt is dat DealerLeasing dient te stellen - en bij betwisting te bewijzen - dat
[appelant] de auto vies en met de door [appelant] veroorzaakte schades heeft ingeleverd. Dat bewijs kan zij, onder meer, leveren met een door beide partijen ondertekend innameformulier. Een dergelijk formulier levert, als onderhandse akte, in beginsel dwingend bewijs op van hetgeen in het formulier is vermeld omtrent de staat van de auto bij het inleveren. In beginsel, omdat [appelant] heeft gesteld dat het formulier weliswaar door hem is ondertekend, maar de inhoud er van (vanwege de aanvullingen) vals is. Op [appelant] rusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze valsheid (vgl. Hoge Raad 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4278).

2.10

[appelant] heeft gemotiveerd gesteld dat op het innameformulier aanvullingen zijn geplaatst nadat hij het formulier had ondertekend. DealerLeasing heeft dat betwist voor wat betreft het aankruisen van “zeer vies” en de opmerking over schades die blijken na het wassen van de auto. [appelant] dient dan ook te bewijzen dat die vermeldingen op het formulier zijn geplaatst nadat hij het had ondertekend. [appelant] heeft terzake echter geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Dat staat echter niet aan het toelaten van [appelant] tot bewijslevering in de weg omdat als wordt uitgegaan van de echtheid van het formulier op de hiervoor besproken punten dat formulier dwingende bewijskracht heeft en [appelant] daartegen tegenbewijs kan leveren. Een aanbod tot het leveren van tegenbewijs hoeft niet te zijn gespecificeerd. Het hof zal [appelant] dan ook toelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen feit dat de auto zeer vies was toen [appelant] deze inleverde.

2.11

Voor de op het formulier aangegeven schades ligt het anders. [appelant] heeft erkend dat sprake was van een kleine schade - door hem aangeduid als kras - linksachter. Dat er meer of andere schades waren en dat die schades op het formulier waren aangegeven toen hij het ondertekende, heeft hij echter gemotiveerd betwist. Dealer Leasing sluit niet uit dat er later schades op de bon zijn vermeld. Welke schades het betreft, heeft DealerLeasing niet vermeld. Daarmee heeft zij de stelling van [appelant] dat het innameformulier op het punt van de schades is aangevuld nadat [appelant] het had ondertekend, onvoldoende weersproken. Het hof gaat daar dan ook van uit. Het gevolg daarvan is dat het formulier op het punt van de schades geen dwingende bewijskracht heeft. Voor zover [appelant] met grief 3 opkomt tegen de betekenis die de kantonrechter op het punt van de schades aan het formulier toekent, slaagt de grief.

2.12

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat DealerLeasing de door haar gestelde omvang van de schade bij het inleveren van de auto niet heeft bewezen. Vast staat slechts dat sprake is van enige schade linksachter. Dat er ook sprake was van andere schade staat niet (voorshands) vast vanwege het ontbreken van dwingende bewijskracht van het innameformulier op dit punt. Dat [appelant] niet meer beschikt over een kopie van het door hem ondertekende formulier leidt niet tot een ander oordeel. Het zou mogelijk van belang zijn geweest bij de waardering van het door [appelant] te leveren tegenbewijs indien het formulier wel dwingende bewijskracht zou hebben gehad, maar die situatie doet zich nu niet voor. Dealerleasing heeft bewijs van haar stellingen betreffende de omvang van de schade bij het inleveren van de auto aangeboden. Het door DealerLeasing gedane bewijsaanbod is voldoende gespecificeerd, zodat het hof haar tot dat bewijs zal toelaten.

2.13

Met grief 4 komt [appelant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appelant] niet heeft betwist dat hij de auto “zeer vies” heeft ingeleverd. De grief is terecht voorgesteld, nu [appelant] dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd heeft betwist. Of dat [appelant] kan baten, is afhankelijk van de uitkomst van het door [appelant] te leveren tegenbewijs.

2.14

Met de grief komt [appelant] ook op tegen de omvang van het door DealerLeasing voor het poetsen van de auto in rekening gebrachte bedrag, te weten € 150,-. [appelant] stelt dat in artikel 12 sub c van de algemene voorwaarden van DealerLeasing een bedrag van € 100,- exclusief BTW is vermeld voor het poetsen van een vies ingeleverde auto. DealerLeasing beroept zich op een andere versie van haar algemene voorwaarden, waar in artikel 12 sub c een bedrag van € 150,- exclusief BTW wordt vermeld. Het hof volgt DealerLeasing niet in dit beroep, nu DealerLeasing, ofschoon dat op haar weg had gelegen, niet heeft onderbouwd dat de door haar voor het eerst in hoger beroep overgelegde algemene voorwaarden en niet de bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte algemene voorwaarden van toepassing zijn. In dit verband overweegt het hof dat de in het geding gebrachte algemene voorwaarden geen aanduiding (zoals een ingangsdatum of een nummer) bevatten, waarnaar in het contract is verwezen. De grief slaagt dan ook op het punt van de omvang van de poetskosten. De vordering van DealerLeasing op dit punt is toewijsbaar tot een bedrag van € 119,- (inclusief BTW), doch alleen indien [appelant] niet in het door hem te leveren tegenbewijs slaagt.

2.15

Grief 5 betreft de overweging van de kantonrechter dat [appelant] het risico heeft aanvaard dat er nog andere schade zichtbaar zou kunnen worden die in rekening zou kunnen worden gebracht. De kantonrechter heeft deze overweging gebaseerd op de opmerking in het intakeformulier over schades die na het wassen van de auto mogelijk zichtbaar zouden worden. De grief faalt. Indien, zoals uit het intakeformulier volgt, de auto inderdaad zo vies was dat deze niet goed kon worden geïnspecteerd op schades, diende [appelant] er rekening mee te houden dat er nog andere dan op het moment van ondertekening al bekende schades aan de auto zouden zijn en dat ook die schades bij hem in rekening zouden worden gebracht. Met de opmerking werd een voorbehoud gemaakt voor niet zichtbare schades, in die zin dat het feit dat deze schades ten tijde van het ondertekenen van het formulier niet op het formulier waren aangegeven niet aan het in rekening brengen van die schades in de weg stond.

2.16

Met grief 6 komt [appelant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appelant] zijn stelling terzake van schade aan de auto ten tijde van de ontvangst op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Het hof stelt vast dat Dealerleasing inmiddels het afgifteformulier betreffende de auto in het geding heeft gebracht. [appelant] heeft de inhoud van dat formulier, hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 2.1.2 niet bestreden, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de in dat formulier aangegeven schades aanwezig waren toen de auto aan [appelant] werd afgegeven. [appelant] heeft dan ook geen belang meer bij de bespreking van de grief.

2.17

Grief 7 is gericht tegen het eindoordeel van de rechtbank betreffende de vordering inzake de schade en de schoonmaakkosten. De grief valt deels samen met eerdere grieven en heeft in zoverre geen zelfstandige betekenis. Daarnaast bestrijdt de grief de hoogte van de schade. Volgens [appelant] heeft DealerLeasing de hoogte van de schade niet onderbouwd. DealerLeasing heeft vervolgens de in rechtsoverweging 2.1.6 aangehaalde factuur van het schadeherstelbedrijf overgelegd. Naar aanleiding van die factuur heeft [appelant] opgemerkt dat uit deze factuur niet blijkt welke op die factuur vermelde reparatiewerkzaamheden betrekking hebben op de aan hem toegerekende schades. In dat verband heeft hij gewezen op de schades in het afgifteformulier.

2.18

Het hof is, met [appelant] , van oordeel dat inderdaad niet duidelijk is dat de in rekening gebrachte reparatiekosten betrekking hebben op de aan [appelant] toegerekende schades. DealerLeasing dient dit te bewijzen. Het hof zal haar ook tot dat bewijs toelaten.

2.19

Het hof volgt [appelant] niet in zijn betoog dat hij maximaal een bedrag van € 750,-, het eigen risico, is verschuldigd. DealerLeasing heeft er terecht op gewezen dat sprake is van een eigen risico van € 750,- per evenement. Nu [appelant] niet heeft gesteld dat de in rekening gebrachte schades bij hetzelfde evenement zijn ontstaan, is het eigen risico niet beperkt tot
€ 750,-.

2.20

De slotsom is dat het hof het geschil nog niet kan afdoen, maar dat bewijslevering aan beide zijden noodzakelijk is. Gelet op het relatief geringe belang en de kosten die zijn gemoeid met dit getuigenbewijs geeft het hof partijen - zeker nu de maximale proceskostenveroordeling; 3 punten in tarief I nagenoeg is bereikt - opnieuw in overweging een minnelijke regeling te treffen. Indien dat partijen wederom niet lukt en getuigen dienen te worden gehoord, dienen partijen in onderling overleg de volgorde van de bewijslevering te bepalen.

2.21

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens nader te beslissen:

draagt DealerLeasing op te bewijzen dat de door [appelant] op 22 mei 2012 ingeleverde Peugeot Partner de schade had die is aangegeven op het als prod. 1 bij Memorie van Antwoord overgelegde innameformulier en dat de door Autoschadebedrijf Waalre BV in rekening gebrachte reparatiewerkzaamheden (alleen) op die schade betrekking heeft;

laat [appelant] toe tegenbewijs te leveren tegen het door het hof voorshands bewezen geachte feit dat de door hem op 22 mei 2012 ingeleverde Peugeot Partner zeer vies was;

bepaalt dat, indien partijen dat bewijs (ook) door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen opgeven op de roldatum
25 augustus 2015, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

verstaat dat de griffier het door [appelant] gefourneerde procesdossier onder zich zal houden.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. L. Groefsema en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 augustus 2015.