Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5952

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
200.137.996
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advocaat heeft onvoldoende onderzocht of cliënt in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtshulp. Strijd met artikel 24 Gedragsregels Advocatuur 1992. Client heeft zich terecht op ontbinding van de overeenkomst beroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.996

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 832705)

arrest van de tweede kamer van 11 augustus 2015

inzake

[appellante],

wonende te [plaatsnaam],

appellante,

hierna te noemen: [appellante]

advocaat: mr. M. el Ahmadi,

tegen:

[geïntimeerde], h.o.d.n. [bedrijfsnaam],

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. Th. C. van Schagen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie en [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 augustus 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 november 2013;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals die door de kantonrechter in het bestreden vonnis zijn vastgesteld onder 2.1 tot en met en 2.8. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak – zakelijk samengevat – om het volgende. [geïntimeerde] heeft als advocaat voor [appellante] werkzaamheden verricht in het kader van haar echtscheidingsprocedure. Van de daarvoor door [geïntimeerde] aan [appellante] verzonden facturen heeft [appellante] een bedrag van € 1.000,- betaald en een bedrag van € 4.321,39 onbetaald gelaten. [geïntimeerde] vordert in deze procedure (in conventie) betaling van het nog openstaande bedrag, vermeerderd met rente en kosten. [appellante] heeft zich tegen deze vordering verweerd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] ten onrechte geen gefinancierde rechtshulp voor haar heeft aangevraagd en dat hij daarmee in strijd heeft gehandeld met de Gedragsregels Advocatuur 1992, meer in het bijzonder regel 24 daarvan (hierna: gedragsregel 24). In reconventie vordert [appellante] terugbetaling van het door haar betaalde bedrag ad € 1.000,-. De kantonrechter heeft de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter – zakelijk samengevat – overwogen dat [geïntimeerde] ervan uit mocht gaan dat [appellante] geen recht had op gefinancierde rechtshulp, althans dat deze achteraf zou worden ingetrokken. Tegen dit oordeel van de kantonrechter richt zich de grief in hoger beroep.

4.2

Uitgangspunt in het geschil tussen partijen is dat hun rechtsverhouding mede wordt beheerst door gedragsregel 24. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [geïntimeerde] gedragsregel 24 in dit geval op de juiste wijze heeft toegepast en zo nee, welke gevolgen dat zou moeten hebben voor de verschuldigdheid door [appellante] van de declaraties van [geïntimeerde]. Gedragsregel 24 bepaalt onder meer dat een advocaat, tenzij hij goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, verplicht is met zijn cliënt bij het begin van de zaak en verder telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen. Ook bepaalt gedragsregel 24 dat, wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin verkiest daarvan geen gebruik te maken, de advocaat dat schriftelijk dient vast te leggen. De in deze gedragsregel vastgelegde zorgplicht van de advocaat jegens zijn cliënt brengt met zich dat een advocaat in beginsel de verplichting heeft om zijn cliënt erop te wijzen dat hij mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp. Bij het nakomen van deze verplichting zal de advocaat een grote mate van zorgvuldigheid dienen te betrachten en ook met zorgvuldigheid dienen te onderzoeken of de cliënt voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking komt. Daarbij dient hij de mogelijkheid voor gefinancierde rechtshulp uitdrukkelijk met zijn cliënt te bespreken en mag hij niet alleen afgaan op mededelingen van de cliënt terzake. Hij dient zich ervan te vergewissen dat de cliënt weet welk recht hij prijsgeeft indien geen toevoeging wordt aangevraagd en ook of hij de consequenties daarvan overziet en kan dragen.

4.3

[appellante] heeft gemotiveerd gesteld dat [geïntimeerde] niet met voldoende zorgvuldigheid heeft onderzocht of zij voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij zelf niet over inkomen beschikte, dat zij een schuld had van € 10.000,- en dat de opvolgende advocaat wel gefinancierde rechtshulp voor haar heeft kunnen verkrijgen. [geïntimeerde] heeft daartegenover gesteld dat hij goede gronden had om aan te nemen dat [appellante] niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. Voor zover hij daarbij heeft aangevoerd dat de echtgenoot van [appellante] een hoog inkomen had, dat [appellante] in gemeenschap van goederen was gehuwd en dat zij, gelet op het vermogen van de man (dat in de gemeenschap valt), niet in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtshulp, is dat onvoldoende om te mogen aannemen dat [appellante] niet in aanmerking kon komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp. Bij echtscheidingsprocedures kan er aanspraak op worden gemaakt dat, gelet op het tegenstrijdig belang tussen de (gewezen) echtelieden, voor de inkomens- en vermogenstoets geen rekening wordt gehouden met het inkomen en het vermogen van de echtgenoot (art. 34 lid 3 van de Wet op de rechtsbijstand). [geïntimeerde] had er dus niet zonder meer vanuit mogen gaan dat [appellante] gelet op het vermogen van de man niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. Daar komt nog bij dat de vraag of tussen [appellante] en haar echtgenoot door hun huwelijk een gemeenschap van goederen was ontstaan juist onderwerp van het geschil tussen [appellante] en haar echtgenoot was. Door in de e-mail van 24 oktober 2011 desalniettemin aan [appellante] mee te delen dat zij vanwege het vermogen van haar man niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam, heeft [geïntimeerde] [appellante] niet juist althans niet volledig geïnformeerd. Reeds daarmee heeft hij gehandeld in strijd met gedragsregel 24.

4.4

Ook voor het overige is - tegenover het vaststaande feit dat [appellante] inmiddels een toevoeging heeft verkregen - onvoldoende gebleken dat [geïntimeerde] goede gronden had om te kunnen concluderen dat [appellante] niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking zou komen. De beoordeling daarvan vindt plaats naar de maatstaf van het inkomen en vermogen twee jaar vóór het indienen van de aanvraag (het zogenoemde peiljaar). [geïntimeerde] heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat [appellante] over onroerend goed in Jordanië zou beschikken, zonder dat duidelijk is wat de waarde daarvan is en in hoeverre dit - mede in het licht van de onbetwiste door [appellante] gestelde schuld - aan het verkrijgen van een toevoeging in de weg zou staan. Ook over de waarde van sieraden, die overigens naar de eigen stellingen van [geïntimeerde] “beleend” waren (dus waar tegenover ook een schuld stond), en van de auto heeft [geïntimeerde] niets gesteld. Voorts heeft Van Veen niet toegelicht dat de door hem gememoreerde toelage van de echtgenoot (volgens de mail van 19 april 2012 waaraan hij refereert: vanaf augustus 2011, dus na het peiljaar) als inkomen van [appellante] moet worden aangemerkt dat aan het verkrijgen van een toevoeging in de weg zou hebben gestaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof verder niet in hoe een financieel aanbod van de echtgenoot van invloed is op de vraag of [appellante] voor een toevoeging in aanmerking kwam.

4.5

Al met al is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] goede gronden had om aan te nemen dat [appellante] niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. Hij had dan ook nader onderzoek moeten doen, of moeten proberen om een toevoeging voor haar te verkrijgen, of [appellante] voor de geïnformeerde keuze moeten stellen om daarvan af te zien. In het laatste geval had hij ingevolge gedragsregel 24 schriftelijk moeten vastleggen dat [appellante] ervoor koos om, ondanks het feit dat er aanleiding was om nader te onderzoeken of zij daarvoor in aanmerking kon komen, niet van gefinancierde rechtshulp gebruik te maken. Dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan. Uit de e-mail van 24 oktober 2011 blijkt immers niet dat hij [appellante] de geïnformeerde keuze heeft voorgehouden om al dan niet voor het aanvragen van gefinancierde rechtshulp te kiezen en de e-mail is ook geen bevestiging van een keuze door [appellante] om daarvan af te zien. Dat een aan [appellante] verleende toevoeging ingevolge artikel 34g van de Wet op de rechtsbijstand met terugwerkende kracht zou kunnen worden ingetrokken gelet op het resultaat van de procedure en de aanspraak die [appellante] eventueel op het (al dan niet gemeenschappelijke) vermogen van haar man zou kunnen maken of vanwege andere nieuw gebleken gegevens, laat de verplichting van [geïntimeerde] om bij aanvang van het verlenen van zijn diensten en verder telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat met [appellante] te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen en haar voor de keuze te stellen daar al dan niet gebruik van te maken, onverlet. Gefinancierde rechtshulp is er ook voor bedoeld om een partij die bij aanvang van een procedure over onvoldoende inkomen of vermogen beschikt om een advocaat te betalen in de gelegenheid te stellen van professionele rechtshulp gebruik te maken. Dat bij de zogenoemde resultaatstoets de toevoeging achteraf kan worden ingetrokken en de advocaat alsnog op basis van een (bedongen) uurtarief dient te worden betaald, doet aan de uit gedragsregel 24 voortvloeiende verplichtingen niet af.

4.6

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] gedragsregel 24 niet juist heeft toegepast en daarmee is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [appellante]. [appellante] heeft zich dan ook op goede gronden op de ontbinding van de overeenkomst beroepen. Nu het beroep op ontbinding door [appellante] slaagt, is de betalingsverbintenis uit hoofde van de overeenkomst vervallen. De vorderingen van [geïntimeerde] in conventie dienen te worden afgewezen, met dien verstande dat [appellante] zich in eerste aanleg bereid heeft verklaard de kosten voor de betekening in Frankrijk en leges voor het GBA (in totaal € 59,-) te voldoen, zodat het hof ervan uitgaat dat zij de vordering van [geïntimeerde] in zoverre heeft erkend. Daarop is zij in hoger beroep niet terug gekomen. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen.

4.7

Nu de overeenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] als ontbonden moet worden beschouwd, ontstaat er voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de over en weer reeds ontvangen prestaties. Dit betekent dat de vordering van [appellante] in reconventie tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van die overeenkomst aan [geïntimeerde] heeft betaald, voor toewijzing gereed ligt. De in hoger beroep gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden kan eveneens worden toegewezen. Voor de verklaring dat die ontbinding per 24 oktober 2011 heeft plaatsgevonden, ziet het hof geen grond.

4.8

De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal, zowel wat de conventie als wat de reconventie betreft, worden vernietigd. In conventie zal aan [geïntimeerde] worden toegewezen een bedrag van € 59,-, terwijl in reconventie [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot (terug)betaling van € 1.000.- en voor recht zal worden verklaard dat de overeenkomst is ontbonden. [geïntimeerde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. De kosten aan de zijde van [appellante] voor de procedure in eerste aanleg in conventie en in reconventie zullen worden vastgesteld op:

  • -

    griffierecht nihil

  • -

    salaris advocaat € 400,- (2 punten x tarief t/m € 5.000,-, waarbij gelet op de samenhang van de reconventie met de conventie en de aard van de gedingstukken geen afzonderlijke punten zijn toegekend aan de reconventie)

en voor de procedure in hoger beroep op:

  • -

    explootkosten € 92,82

  • -

    griffierecht € 299,-

  • -

    salaris advocaat € 632,- (1 punt x tarief I).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 augustus 2013 en opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellante] in conventie om aan [geïntimeerde] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 59,-;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [geïntimeerde] in reconventie om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 1.000,-;

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] is ontbonden;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie en in reconventie, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op nihil voor verschotten en op € 400,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 299,- voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, F.J.P. Lock en D.J. Buijs en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015.

Wegens afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de oudste raadsheer.