Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5887

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
21-001297-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:1108, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:875, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 14 juni 2013 en 14 november 2013 heeft verdachte in het centrum van Utrecht twee jonge vrouwen verkracht; hij heeft hen telkens – na hen op straat te hebben aangesproken - onder bedreiging van een wapen gedwongen hem oraal te bevredigen. Daarnaast heeft verdachte zich op 19 juni 2014 te Utrecht schuldig gemaakt aan aanranding van een jonge vrouw door onverhoeds in haar gezicht te ejaculeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001297-15

Uitspraak d.d.: 11 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 februari 2015 met parketnummer 16-703163-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 juli 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. E.D. van Elst, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte hoger beroep is het hoger beroep van verdachte onbeperkt ingesteld. In de appelschriftuur is echter vermeld dat het hoger beroep zich niet richt tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte van het onder de feiten 4 en 5 tenlastegelegde werd vrijgesproken. De verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij geen hoger beroep heeft willen instellen tegen voormelde vrijspraken. Het openbaar ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld. Verdachte zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

Verzoek

De raadsvrouw van verdachte heeft ter zitting van het hof haar eerder in deze procedure gedane en afgewezen verzoek om alsnog gedragsdeskundigen nader onderzoek te laten verrichten naar de mate van (on)toerekeningsvatbaarheid van verdachte herhaald.

Het hof overweegt omtrent dit verzoek als volgt.

De noodzaak om gedragsdeskundigen alsnog nader onderzoek te laten ontbreekt. Meer in het bijzonder overweegt het hof dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en hij daardoor op geen enkele wijze steun biedt aan voormeld verzoek. Verdachte heeft verklaard dat hij zich door het roken van verkeerde wiet niets kan herinneren van de hem tenlastegelegde zedenzaken. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. Dit oordeel van het hof vindt steun in hetgeen C.A.M. van der Meijs, psychiater, daaromtrent heeft gerapporteerd. Van der Meijs acht het vanuit zijn expertise niet waarschijnlijk dat verdachte zich helemaal niets meer van de zedenfeiten kan herinneren. Daar komt bij, aldus Van der Meijs, dat het niet kunnen herinneren niet valt te rijmen met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten bij herhaling wel in staat is geweest om doelgerichte en complexe handelingen uit te voeren. Het hof wijst het verzoek dan ook af.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het beslag en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . Daarom zal het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met verbetering en aanvulling van gronden op de beide hiervoor genoemde punten, worden bevestigd.

Ten aanzien van het beslag.

Onder verdachte is een Sportgun, zijnde een imitatie vuurwapen, en een alarmpistool in beslag genomen. Deze aan verdachte toebehorende voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de misdrijven waarvan hij werd verdacht. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als hiervoor bewezenverklaard en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Beide voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1670,76. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1316,76.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de verzochte schadevergoeding in zijn geheel zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep ter zake dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder de feiten 4 en 5 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het beslag en de benadeelde partij [benadeelde] .

Bepaalt ten aanzien van het beslag en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] als volgt.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een nabootsing van een GSR Sportgun, kleur zwart, en een alarmpistool.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.670,76 (duizend zeshonderdzeventig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 1.007,76 (duizend zeven euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 663,00 (zeshonderddrieënzestig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.670,76 (duizend zeshonderdzeventig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit

€ 1.007,76 (duizend zeven euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 663,00 (zeshonderddrieënzestig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. M. Otte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Mientjes, griffier,

en op 11 augustus 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Otte is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 11 augustus 2015.

Tegenwoordig:

mr. Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr. M.J.M van der Mark, advocaat-generaal,

mr. D. Mientjes, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.