Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
21-000620-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:336, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:827, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreigingen van politiemensen, leden van het Openbaar Ministerie en Tweede Kamerleden en voorhanden hebben van vuurwapen.

De gedragingen of uitlatingen van verdachte, gericht tegen personen die op de hoogte waren van zijn persoon en zijn verwoede pogingen om een in zijn ogen gevaarlijk minipistooltje onder het bereik van de Wet wapens en munitie te brengen dienen te worden geplaatst en beoordeeld in de context van zijn jarenlange strijd. In dat licht bezien konden de gedragingen van verdachte naar het oordeel van het hof bij die geadresseerden niet de redelijke vrees opwekken dat het misdrijf waarmee zou zijn bedreigd ook daadwerkelijk uitgevoerd zou worden.

Vrijspraak volgt.

Aan Kamervoorzitter van de Tweede Kamer A. van Miltenburg werd door verdachte een mailbericht met dreigende teksten gestuurd en aan de fractievoorzitter van het CDA S. van Haersma Buma een kogelbrief met dreigende teksten. Deze personen, werkzaam als volksvertegenwoordigers, kenden noch verdachte noch zijn strijd tegen politie en justitie en hebben na ontvangst van het mailbericht dan wel de kogelbrief in redelijkheid kunnen vrezen dat de adressant zijn bedreigingen zou kunnen uitvoeren. Bewezenverklaring volgt.

Bij de bepaling van de strafmaat wegen de bedreigingen van de twee volksvertegenwoordigers zwaar. Het geeft geen pas om personen met een publieke taak op deze wijze te benaderen en te bedreigen teneinde een bepaald doel te verwezenlijken. Dit is niet anders indien het een respectabel doel betreft.

Omdat het hof tot bewezenverklaring van minder feiten komt dan de rechtbank zal het hof ook een lagere straf opleggen dan door de rechtbank werd opgelegd en door de advocaat-generaal werd gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000620-15

Uitspraak d.d.: 7 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 januari 2015 met parketnummer 16-661643-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 mei 2015, 24 juli 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Blonk, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte zal in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de gegeven vrijspraak ten aanzien van feit 10, niet-ontvankelijk worden verklaard aangezien de wet in zoverre geen hoger beroep toelaat.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
"ZAAK MINI" hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 28 februari 2014 te [plaats] , en/of elders in Nederland, [naam zaaksofficier] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in een brief d.d. 30 januari 2014, gericht aan mr. [naam zaaksofficier] , en voorzien van een cd-rom, verwezen naar de Facebookpagina " [webpagina] ", waarop het vervolg van de brief te lezen zou zijn, op welke Facebookpagina/cd-rom (onder meer) een (video)filmpje genaamd "(mr.) [naam zaaksofficier] en Pistooltjes" was geplaatst met een aankondiging in geschreven tekst dat - zakelijk weergegeven - minipistolen gevaarlijk zijn en "dat het lijdend voorwerp in dit filmpje pers- en zaaksofficier [naam zaaksofficier] van het OM [plaats] is", gevolgd door een filmpje waarop een blik is te zien met daarop bevestigd een tweetal foto's van voornoemde [naam zaaksofficier] , waarna een hand met een minipistooltje in beeld verschijnt en vanuit dit pistooltje een kogel wordt afgevuurd dat het blik met de daarop bevestigde foto's doorboort op de plaats waar het linkeroog van voornoemde [naam zaaksofficier] zich bevindt, waarna vervolgens door een hand een bordje voor het blik met de foto's wordt geplaatst met daarop de tekst "Horen, Zien en Pest Officier [naam zaaksofficier] "; (artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2:
Zaak "MINI" hij op of omstreeks 23 maart 2014 te [plaats] , een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een enkelschots penvuur pistool van het merk Berloque, kaliber 2 mm penvuur en/of met bijbehorende onderdelen, te weten 5 schietbekers, en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van die wet in de vorm van 14 pyrotechnische patronen met siereffect en/of 17 penvuur knalpatronen van het kaliber 2 mm en/of 2 penvuur kogelpatronen van het kaliber 2 mm, voorhanden heeft gehad; (artikel 26 jo 55 van de Wet wapens en munitie)

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3:
Zaak "MINI" hij op of omstreeks 23 maart 2014 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11,5 gram (netto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (artikel 2C jo 10 lid 3 Opiumwet)


4:
Zaak "KAMER" hij op of omstreeks 6 oktober 2013 te [plaats] en/of [plaats] , en/of elders in Nederland, A. van Miltenburg (voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal) en/of de bewoners en/of bezoekers van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in een e-mailbericht (afkomstig van " [emailadres] "), gericht aan de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer, waarin hij aandacht vraagt voor het gevaar van minipistolen, onder

meer geschreven: "Sedert enige jaren zit ik in conflict met de Rotterdamse politie en het Rotterdamse OM omtrent minipistolen, die volgens het OM speelgoed zouden zijn, die geen letsel veroorzaken. (....) Omdat men niet toe wilt geven en ik er van overtuigd ben dat ik in mijn recht sta en derhalve van mijn leven niet op zal geven is een volgende logische stap om publiekelijk met die dingen te gaan schieten. Een schietpartij vanaf de publieke tribune van de 2e kamer haalt immers direct het nieuws en zo valt het verhaal achter de pistooltjes te openbaren, daar waar Justitie de kwestie tot aan het Ministerie al jaren in de doofpot probeert te houden." (artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

5:
Zaak " [naam] " hij op of omstreeks 20 juni 2010 te [plaats] , [medewerker politiebureau] (in haar hoedanigheid als medewerker/gastvrouw van de afdeling Intake en Service bij politiebureau [naam] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan de balie van politiebureau [naam] een vuurwapen aan die [medewerker politiebureau] getoond en/of voorgehouden en/of (vervolgens) met dat vuurwapen één of meer kogels afgeschoten op een blikje, terwijl die [medewerker politiebureau] zich achter de balie bevond, in elk geval terwijl die [medewerker politiebureau] zich op korte afstand van hem, verdachte bevond; (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

6:
Zaak " [naam] " hij op of omstreeks 20 juni 2010 te [plaats] , meermalen, althans eenmaal, [naam politieambtenaar] (in zijn hoedanigheid als politieambtenaar van de politie [plaats] -Rijmond) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam politieambtenaar] dreigend de woorden toegevoegd: "Bij deze bedreig ik jou met de dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

7:
Zaak " [naam] " hij op of omstreeks 20 juni 2010 en/of 21 juni 2010 te [plaats] , (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten 3, althans een of meer vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een enkelschots penvuur pistool van het merk Berloque, kaliber 2 millimeter en/of met bijbehorende onderdelen, te weten 5, althans een of meer schietbeker(s), en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van die wet in de vorm van 28, althans een of meer pyrotechnische patronen met siereffect en/of 69, althans een of meer penvuur knalpatronen van het kaliber 2 mm en/of 3, althans een of meer penvuur kogelpatronen van het kaliber 2 mm, voorhanden heeft gehad; (artikel 26 jo 55 van de Wet wapens en munitie)

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;


8:
Zaak "HOOFDOFFICIER" hij op of omstreeks 1 juni 2010 te [plaats] , [naam hoofdofficier] (Hoofdofficier van Justitie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van een of meer politieambtenaren tijdens een verhoor gezegd dat hij de hoofdofficier in zijn been zou schieten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

9:
Zaak "KOGELBRIEVEN" hij in of omstreeks de periode van 13 mei 2010 tot en met 19 mei 2010, te [plaats] en/of [plaats] , en/of elders in Nederland, S. van Haersma Buma (als Tweede Kamerlid/fractievoorzitter van de CDA fractie in de Tweede Kamer der Staten-Generaal) en/of de overige leden van de CDA fractie en de leden van de fracties van PvdA, Groenlinks, SP, ChristenUnie en/of PvdD heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend een zogenaamde kogelbrief met daarop geplakt een 2 mm penvuur patroon verstuurd aan (een of meer leden van de CDA-fractie van de) Tweede Kamer met daarin onder meer de volgende tekst: "Het ligt in de lijn van verwachtingen dat u dit keer niet zult kunnen pretenderen dat u geen kogelbrief heeft ontvangen, al was het alleen al omdat u op you-tube kan zien hoe ik deze brief aan u post. Als u op you-tube zoekt op [zoekwoord] , dan treft u een hele reeks filmpjes, die elke grens van fatsoen overschrijden en u zult niet kunnen begrijpen dat justitie geen vervolging durft in te stellen. In vol ornaat treft u bovendien het minivuurwapen dat ik van Justitie aan kinderen mag verkopen en als ik u was zou ik mij eens afvragen of u zou willen dat uw kind met dit wapen op zolder met zijn vriendjes gaat zitten experimenteren? Ik ga er vooralsnog vanuit dat deze kogelbrief voor uw partij voldoende zal zijn om Hirsch Ballin in die 2e kamer het vuur aan de schenen te leggen en ik niet het complete koningshuis op een kogelbrief hoef te trakteren, of bombrieven hoef te versturen, dankzij de springstof die ik voorhanden mag hebben van Justitie." (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van feit 7 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 januari 2015 ten aanzien van dit feit het volgende overwogen:

Op de datum van het tenlastegelegde feit stond niet onomstotelijk vast of het minipistool met munitie moest worden beschouwd als een vuurwapen en munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie. Voorafgaand aan deze datum was juist aan verdachte kenbaar gemaakt, namens het openbaar ministerie, dat het minipistool (en bijbehorende munitie) als speelgoed moest worden beschouwd. Nadien is, mede aan de hand van rapportage door het NFI, door het openbaar ministerie alsnog geconcludeerd dat achteraf gezien het minipistool

met munitie wel op de lijst zou moeten worden geplaatst van de Wet Wapens en Munitie. Nu het openbaar ministerie echter ten tijde van het ten laste gelegde feit het gerechtvaardigde

vertrouwen bij de verdachte heeft gewekt dat hij voor het bezit juist niet vervolgd zou

worden, acht het de rechtbank het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat alsnog deze

vervolging tot een dagvaarding voor dit feit heeft geleid. Het openbaar ministerie is om die

reden niet ontvankelijk.

Het hof neemt deze overweging en conclusie over en maakt beide tot de zijne. Het openbaar ministerie zal derhalve niet-ontvankelijk in de vervolging worden verklaard.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1, 5, 6 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde bedreigingen het volgende.

De feiten 1, 5 en 8 betreffen gedragingen of uitlatingen van verdachte, gericht tegen personen die op de hoogte waren van zijn persoon en zijn verwoede pogingen om een in zijn ogen gevaarlijk minipistooltje onder het bereik van de Wet wapens en munitie te brengen. Het wapen in kwestie, een enkelschots penvuur pistool van het merk Berloque, kaliber 2 mm, werd lange tijd door de justitiële autoriteiten als een speelgoedpistool aangemerkt, niet vallend onder de reikwijdte van de Wet wapens en munitie. Verdachte heeft het er niet bij laten zitten en heeft vervolgens andere manieren gezocht en gevonden (zoals in de tenlastelegging omschreven) om zijn standpunt opnieuw onder de aandacht van politie en justitie te brengen.

Hoewel de gedragingen van verdachte zonder meer als kwalijk en ongepast zijn aan te merken, dienen deze te worden geplaatst en beoordeeld in de context van zijn jarenlange strijd als hiervoor omschreven. In dat licht bezien konden de gedragingen van verdachte naar het oordeel van het hof bij de geadresseerden niet de redelijke vrees opwekken dat het misdrijf waarmee zou zijn bedreigd ook daadwerkelijk uitgevoerd zou worden.

Met betrekking tot feit 6 overweegt het hof dat verdachte het feit stellig heeft ontkend terwijl het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verbalisant [naam politieambtenaar] op onderdelen niet congruent is aan het van het incident beschikbare beeldmateriaal. Daardoor kan niet buiten redelijke twijfel wordt vastgesteld dat verdachte de in de tenlastegelegde dreigende uitlatingen heeft gedaan.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het overig tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Ten aanzien van feit 2:

Ten tijde van het plegen van het feit was verdachte al op de hoogte dat bij nader onderzoek het NFI het litigieuze wapen, een enkelschots penvuur pistool van het merk Berloque, kaliber 2 mm, en bijbehorende munitie alsnog had beoordeeld als een vuurwapen, dan wel munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Bovendien was verdachte voor het voorhanden hebben van een zelfde wapen bij arrest van 8 november 2011 ook al veroordeeld door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Verdachte wist derhalve dat hij in het bezit was van een verboden wapen en munitie.

Ten aanzien van feit 3:

De in de woning van verdachte aangetroffen MDMA werd aangetroffen in een la waarin zich ook het pistool met munitie bevond. Verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de MDMA in zijn woning. Verdachte heeft aangegeven dat hij alleen in zijn woning woont en dat het niet anders kan dan dat de politie die MDMA in zijn woning moet hebben gelegd. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk zodat het er voor moet worden gehouden dat – bij gebrek van enige andere plausibele verklaring – verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van de aangetroffen MDMA.

Ten aanzien van de feiten 4 en 9:

Verdachte heeft zich in zijn strijd om aandacht te vragen voor zijn zaak ook gericht tot de Kamervoorzitter van de Tweede Kamer A. van Miltenburg en de fractievoorzitter van het CDA, S. van Haersma Buma. Aan Van Miltenburg werd door verdachte een mailbericht met dreigende teksten gestuurd, terwijl Van Haersma Buma een kogelbrief van verdachte ontving met dreigende teksten. Deze personen, werkzaam als volksvertegenwoordigers, kenden noch verdachte noch zijn strijd tegen politie en justitie en hebben na ontvangst van het mailbericht dan wel de kogelbrief in redelijkheid kunnen vrezen dat de adressant zijn bedreigingen zou kunnen uitvoeren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 9 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2:
hij op of omstreeks 23 maart 2014 te [plaats] , een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een enkelschots penvuur pistool van het merk Berloque, kaliber 2 mm penvuur en/of met bijbehorende onderdelen, te weten 5 schietbekers, en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van die wet in de vorm van 14 pyrotechnische patronen met siereffect en/of 17 penvuur knalpatronen van het kaliber 2 mm en/of 2 penvuur kogelpatronen van het kaliber 2 mm, voorhanden heeft gehad; (artikel 26 jo 55 van de Wet wapens en munitie)

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;


3:
hij op of omstreeks 23 maart 2014 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11,5 gram (netto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (artikel 2C jo 10 lid 3 Opiumwet)
4:
hij op of omstreeks 6 oktober 2013 te [plaats] en/of [plaats] , en/of elders in Nederland, A. van Miltenburg (voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal) en/of de bewoners en/of bezoekers van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in een e-mailbericht (afkomstig van " [emailadres] "), gericht aan de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer, waarin hij aandacht vraagt voor het gevaar van minipistolen, onder meer geschreven: "Sedert enige jaren zit ik in conflict met de Rotterdamse politie en het Rotterdamse OM omtrent minipistolen, die volgens het OM speelgoed zouden zijn, die geen letsel veroorzaken. (....) Omdat men niet toe wilt geven en ik er van overtuigd ben dat ik in mijn recht sta en derhalve van mijn leven niet op zal geven is een volgende logische stap om publiekelijk met die dingen te gaan schieten. Een schietpartij vanaf de publieke tribune van de 2e kamer haalt immers direct het nieuws en zo valt het verhaal achter de pistooltjes te openbaren, daar waar Justitie de kwestie tot aan het Ministerie al jaren in de doofpot probeert te houden." (artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

9:
hij in of omstreeks de periode van 13 mei 2010 tot en met 19 mei 2010, te [plaats] en/of [plaats] , en/of elders in Nederland, S. van Haersma Buma (als Tweede Kamerlid/fractievoorzitter van de CDA fractie in de Tweede Kamer der Staten-Generaal) en/of de overige leden van de CDA fractie en de leden van de fracties van PvdA, Groenlinks, SP, ChristenUnie en/of PvdD heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend een zogenaamde kogelbrief met daarop geplakt een 2 mm penvuur patroon verstuurd aan (een of meer leden dit lid van de CDA-fractie van de) Tweede Kamer met daarin onder meer de volgende tekst: "Het ligt in de lijn van verwachtingen dat u dit keer niet zult kunnen pretenderen dat u geen kogelbrief heeft ontvangen, al was het alleen al omdat u op YouTube kan zien hoe ik deze brief aan u post. Als u op YouTube zoekt op [zoekwoord] , dan treft u een hele reeks filmpjes, die elke grens van fatsoen overschrijden en u zult niet kunnen begrijpen dat justitie geen vervolging durft in te stellen. In vol ornaat treft u bovendien het minivuurwapen dat ik van Justitie aan kinderen mag verkopen en als ik u was zou ik mij eens afvragen of u zou willen dat uw kind met dit wapen op zolder met zijn vriendjes gaat zitten experimenteren? Ik ga er vooralsnog vanuit dat deze kogelbrief voor uw partij voldoende zal zijn om Hirsch Ballin in die 2e kamer het vuur aan de schenen te leggen en ik niet het complete koningshuis op een kogelbrief hoef te trakteren,

of bombrieven hoef te versturen, dankzij de springstof die ik voorhanden mag hebben van Justitie." (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van feit 2 een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld en betoogd dat – kort gezegd – verdachte heeft gehandeld in een veront-schuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Om die reden zou verdachte moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt:

Verdachte heeft de tenlastegelegde gedragingen opzettelijk begaan. De schulduitsluitings-grond waarop een beroep is gedaan vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en in hetgeen het hof hiervoor in het bijzonder heeft overwogen. Het verweer wordt verworpen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen, verboden wapenbezit en het voorhanden hebben van harddrugs. In zijn langdurige strijd met politie en justitie om een in zijn ogen gevaarlijk minipistooltje onder het bereik van de Wet wapens en munitie te brengen is verdachte, nadat het door hem gewenste effect niet werd bereikt, verder gegaan met zijn acties en heeft hij de grenzen van het toelaatbare overschreden, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in bedreigingen van twee volksvertegenwoordigers. Daarnaast heeft verdachte een verboden wapen en munitie en verdovende middelen in zijn bezit gehad.

Bij de bepaling van de strafmaat wegen de bedreigingen van de twee volksvertegen-woordigers zwaar. Het geeft geen pas om personen met een publieke taak op deze wijze te benaderen en te bedreigen teneinde een bepaald doel te verwezenlijken. Dit is niet anders indien het een respectabel doel betreft.

Omdat het hof tot bewezenverklaring van minder feiten komt dan de rechtbank zal het hof ook een lagere straf opleggen dan door de rechtbank werd opgelegd en door de advocaat-generaal werd gevorderd. Het hof ziet geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht te verbinden. Uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat verdachte van

1 oktober 2010 tot en met 23 januari 2013 onder behandeling is geweest van de [kliniek] te [plaats] en dat deze behandeling thans met succes is afgerond.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 10 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 7 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 5, 6 en 8 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 9 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. H. Abbink en mr. M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Wormgoor, griffier,

en op 7 augustus 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.B.T.G. Steeghs is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 augustus 2015.

Tegenwoordig:

mr. H. Abbink, voorzitter,

mr. J. van Spanje, advocaat-generaal,

mr. E.C.M. Steeghs, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.