Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5814

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
200.163.859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vrijstelling van leerplicht. Gemeente heeft niet onrechtmatig gehandeld door een verdere vrijstelling niet te accepteren. Belang van het kind brengt echter mee dat deze het lopende schooljaar toch wordt vrijgesteld.

De ouders van het kind berichten de gemeente dat zij hun kind vrijstellen van de leerplicht voor het leerjaar 2012-2013 om het kind zijn schoolloopbaan te laten vervolgen bij het Centrum voor Creatief Leren (CCL). De gemeente bevestigt het beroep op vrijstelling, welke bevestiging de ouders nodig hebben voor de bekostiging van het onderwijs bij CCL. Een en ander herhaalt zich voor het schooljaar 2013-2014. Als de ouders zich voor het schooljaar 2014-2015 beroepen op vrijstelling, bericht de gemeente dat dat beroep niet aan de vereisten voldoet. De gemeente laat het kind onderzoeken, concludeert dat er geen aanleiding meer is voor een vrijstelling en gebiedt de ouders het kind in te schrijven voor regulier onderwijs. De ouders vorderen in dit kort geding een verbod om hen te gebieden het kind in te schrijven en een gebod om de voor het PGB benodigde verklaring af geven. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen toegewezen, omdat de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, dat ook voor het schooljaar 2014-2015 de vrijstelling zou worden geaccepteerd. Het hof oordeelt dat van een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake is, maar vernietigt het vonnis toch niet. Het belang van het kind brengt mee dat deze meer gebaat is bij het voltooien van het schooljaar 2014-2015 bij CCL, ook omdat de gemeente niet voortvarend heeft gehandeld bij het onderzoek naar de gegrondheid van het beroep op vrijstelling. Het hof wijst de vordering, voor zover ingesteld tegen de leerplichtambtenaar, af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.163.859

(zaaknummer rechtbank Gelderland C/05/274075)

arrest in kort geding van de derde civiele kamer van 4 augustus 2015

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Lochem,

zetelende te Lochem,

2. [appellante sub 2],

in haar hoedanigheid van leerplichtambtenaar van de gemeente Lochem,

kantoorhoudende te Lochem,

appellanten,

hierna: de Gemeente en [de leerplichtambtenaar] ,

advocaat: mr. J.S.C. Liebrand-Bos,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

mede in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [het kind],

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna: [de ouders] ,

advocaat: mr. W. Brussee.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 december 2014 dat de voorzieningenrechter van rechtbank Gelderland tussen de Gemeente als gedaagde en [de ouders] als eisers heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 januari 2015,

■ de memorie van grieven,

■ de memorie van antwoord,

■ de akte uitlating producties zijdens de Gemeente en [de leerplichtambtenaar] .

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het bestreden vonnis van 12 december 2014 die het hof met enkele toevoegingen hieronder citeert.

3.2

[de ouders] zijn de ouders en wettelijk vertegenwoordigers van de veertienjarige [het kind] (hierna: [het kind] ).

3.3

[het kind] heeft een moeizame (pre-)basisschoolperiode gehad.

3.4

Op 28 mei 2008 heeft een psychologisch onderzoek plaatsgevonden bij [het kind] , welk onderzoek is uitgevoerd door Samen voor Zorg. Uit het verslag van het psychologisch onderzoek blijkt onder meer dat [het kind] over zeer begaafde cognitieve capaciteiten beschikt en dat hij ontwikkelingsproblemen vertoont die typisch samenhangen met zijn intelligentie en gevoeligheid.

3.5

Nadat [het kind] diverse malen van school was gewisseld als gevolg van problemen die hij ondervond binnen het reguliere onderwijs, hebben [de ouders] [het kind] laten testen door Frumau Psychologiepraktijk (hierna: Frumau) in Vught. In het verslag van Frumau van 25 juni 2012 wordt geconcludeerd dat er op dat moment in Nederland geen reguliere school is die kan afstemmen op de behoefte van [het kind] en dat daarom zijn ontwikkeling gevaar dreigt te lopen. Frumau adviseert verder in haar verslag om [het kind] zijn schoolloopbaan te laten vervolgen bij het Centrum voor Creatief Leren (hierna: CCL), thans Feniks Talent geheten, in Sterksel.

3.6

Op 2 juli 2012 heeft het OPUS, de afdeling voor hoogbegaafde leerlingen van het Olympus College in Arnhem waar [het kind] na de zomervakantie van 2011 onderwijs volgde, een verklaring betreffende [het kind] afgegeven, die onder meer het volgende inhoudt:

“(…) Ondanks al onze inspanningen en maatwerk en ondanks in de afgelopen jaren opgebouwde expertise m.b.t. doorbreken van onderpresteren zijn OPUS en haar medewerkers niet in staat geweest [het kind] de didactische omgeving te bieden die hij nodig heeft. (…) Het is ons helder dat school voor [het kind] inmiddels vooral een rem is op leren, geen stimulerende invloed heeft en hem slechts verder demotiveert. (…) OPUS is niet in staat zijn identiteits- en daarmee samenhangende motivatie problematiek op te vangen. [het kind] is een van de jongeren die ontheven zou moeten worden van zijn leerplicht zodat hij middels thuisonderwijs of heel speciaal individueel (op [het kind] geschreven) weer in contact komt met zijn levensvreugde en ruimte krijgt zijn persoonlijke leerstijl te vinden.

Mijn advies luidt dan ook: een volledig traject bij CCL omdat daar de expertise voor dit soort problematiek volop aanwezig is. (…)”

3.7

Om het CCL te kunnen bekostigen, hebben [de ouders] bij Bureau Jeugdzorg een zorgaanvraag gedaan ter verkrijging van begeleiding in groepsverband en individueel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Hiervoor was tevens een verklaring omtrent vrijstelling van inschrijving op een school als bedoeld in artikel 5 aanhef en onder a van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) van de leerplichtambtenaar nodig.

3.8

Teneinde de door Bureau Jeugdzorg vereiste verklaring te verkrijgen, hebben [de ouders] op 11 juli 2012 een kennisgeving ter zake van vrijstelling van de leerplicht voor [het kind] voor het schooljaar 2012/2013 aan [de leerplichtambtenaar] gezonden. Bij deze kennisgeving zijn een rapportage van het CCL van 20 maart 2012, voormelde verklaring van de afdeling OPUS van het Olympus College van 2 juli 2012 en het verslag van Frumau van 25 juni 2012 gevoegd.

3.9

Bij brief van 14 augustus 2012 heeft [de leerplichtambtenaar] namens Burgemeester en wethouders van Lochem - hierna: B&W - [de ouders] onder meer het volgende medegedeeld:

“(…) Naar aanleiding van uw beroep op vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat [het kind] (…) als leerling van een school staat ingeschreven, delen wij u mee dat de benodigde verklaring als bedoeld in artikel 7 van de Leerplichtwet 1969 door u is overlegd. Op grond van uw beroep op vrijstelling behoeft [het kind] niet als leerling op een school te worden ingeschreven. Deze vrijstelling is geldig voor het schooljaar 2012-2013. Als u aansluitend opnieuw een beroep op vrijstelling wenst te doen, dan moet u dat tijdig voor de aanvang van het volgend schooljaar doen, maar in ieder geval vóór 1 juli 2013. (…)”

3.10

Nadat de verklaring van [de leerplichtambtenaar] was ontvangen, heeft Bureau Jeugdzorg op 31 augustus 2014 een indicatiebesluit genomen, waarmee [de ouders] voor [het kind] voor het schooljaar 2012/2013 een PGB (Vergoedingsregeling persoonlijke zorg, VPZ) hebben verkregen, die hun in staat stelde het CCL te kunnen betalen. Vervolgens is [het kind] bij het CCL aan de slag gegaan.

3.11

Op 8 april 2013 hebben [de ouders] een kennisgeving ter zake van vrijstelling van de leerplicht voor [het kind] voor het schooljaar 2013/2014 aan [de leerplichtambtenaar] gezonden. Bij die kennisgeving is een rapportage van het CCL van 24 januari 2013 gevoegd.

3.12

Bij brief van 16 mei 2013 heeft [de leerplichtambtenaar] namens B&W [de ouders] medegedeeld dat de kennisgeving als bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 Lpw is overgelegd en dat [het kind] voor het schooljaar 2013/2014 niet als leerling/deelnemer op een school of instelling behoeft te worden ingeschreven.

3.13

Op 17 mei 2014 hebben [de ouders] hun kennisgeving ter zake van vrijstelling van de leerplicht voor het schooljaar 2014/2015 aan [de leerplichtambtenaar] gezonden. Bij die aanvraag is een rapportage van het CCL van 28 januari 2014 gevoegd, die onder meer het volgende inhoudt:

“(…) Huidige hulpvraag:

[het kind] kwam indertijd bij CCL omdat hij zich overmatig aanpaste en daar depressieve klachten op heeft ontwikkeld. In de behandeling van de afgelopen jaren is gebleken dat deze klachten verminderd zijn (…). De hulpvraag die met name overblijft is richting: wat vind ik nu eigenlijk leuk en hoe ga ik naar de toekomst toe? Hoewel dit nog steeds in zeker mate over aanpassing gaat, is de kleuring hiervan meer op begeleiding hiervan meer op begeleiding gericht. De mate waarin [het kind] weet wat hij leuk vindt is echter zeer gering. Hij weet echt niet wat hij wil gaan doen. Hij speelt veel rollenspellen, maar richting school of werk heeft hij geen idee.

(…)

Diagnostische overwegingen

(…)

De huidige status van de problemen zoals verwoord door [het kind] is, dat hij nu in staat is om beter om te gaan met zijn “aanpasgedrag” en hij ervaart ook geen klachten meer in de zin van somberheid of angsten. (…) Daarmee geeft hij (desgevraagd) aan, dat hij hierin voldoende veranderd is. Waar hij nu met name vragen naar heeft is hoe hij zijn toekomst moet gaan vormgeven en hoe hij dit moet plannen/organiseren. Daarmee is duidelijk geworden dat de behandeling afgerond kan worden en de rest van de voor hem benodigde ondersteuning in het kader van begeleiding vormgegeven moet worden.

Advies

Geconcludeerd wordt dat hoewel [het kind] voortgang heeft gemaakt en zijn klachten verminderd zijn de situatie nog kwetsbaar is en dat behandelgesprekken (reflectieve/ontdekkende gesprekken met de mentor) nog steeds nodig zijn om te voorkomen dat er terugval plaats gaat vinden. De begeleiding wordt geïntensiveerd op het uitwerken door [het kind] van zijn toekomstperspectief en toebereiding naar opleiding. Met [het kind] is besproken dat het verstandig zou zijn als hij hier de komende maanden steviger op inzet.

(…)”

3.14

Ongeveer zes weken nadat [de ouders] laatstgemelde kennisgeving hadden gezonden, heeft [de leerplichtambtenaar] [de ouders] telefonisch medegedeeld dat zij een aanvullend onderzoek ten aanzien van [het kind] wenste te laten verrichten.

3.15

In juli 2014 wordt [het kind] vervolgens onderzocht door Psychologenpraktijk Kansrijk (hierna: Kansrijk) te Wehl. In het naar aanleiding van het onderzoek opgestelde rapport van begin september 2014 is onder meer het volgende geconcludeerd:

“(…) De algemene intelligentie komt in de gemiddelde range uit. Dat betekent dat [het kind] een onderwijsaanbod behoeft passend bij zijn mogelijkheden.

De gedragskenmerken: moeite met afstemmen, tekorten in zelfsturing, sociale begripsproblemen, moeite met zelfinzicht en met overzicht, stereotiep gedrag, weerstand tegen veranderingen en achterstanden in de sociaal-emotionele ontwikkeling wijzen in de richting van een Pervasieve ontwikkelingsstoornis bij [het kind] .

Derhalve is [het kind] gebaat bij een onderwijssetting die een passend aanbod heeft bij zijn specifieke en brede ondersteuningsbehoefte: bij de sociaal-emotionele ontwikkeling, de leerontwikkeling (dyslexie) en de concentratie (executieve vaardigheden onder andere plannen). (…)

Het onderzoek is besproken met [geïntimeerde sub 2]. Zij geeft aan de sociaal-emotionele gegevens van het onderzoek van [het kind] te herkennen.

Hoewel [geïntimeerde sub 2] aangeeft dat de verbale kant van [het kind] ‘niet zijn sterke kant is’, denkt zij dat hij hoogbegaafd is. Een eventueel nieuw capaciteitenonderzoek kan overwogen worden. Wat betreft schooltype denkt mevrouw aan Feniks in Sterksel of een school in Borne.”

3.16

[de ouders] hebben vervolgens Frumau verzocht [het kind] te onderzoeken. In haar verslag van september 2014 concludeert Frumau het volgende:

“Op dit moment is er in Nederland geen reguliere school die kan afstemmen op de behoefte van [het kind] . Hierom dreigt zijn ontwikkeling gevaar te lopen.

Het advies is dat [het kind] zijn schoolloopbaan gaat vervolgen bij het CCL. Reden hiervan is dat het CCL kan aansluiten bij zowel de cognitieve als de emotionele behoeften van [het kind] . Ik zie dit als de beste optie voorhanden om de ontwikkeling van [het kind] vlot te trekken. Het CCL kan [het kind] ondersteuning bieden en hem behandelen voor zijn depressie.

Daarnaast kunnen ze hem voldoende uitdaging bieden op cognitief gebied en hem ondersteuning bieden en leren omgaan met zijn dyslexie. Het meest belangrijk vind ik nog dat het CCL in staat is om deze behandeling, uitdaging en ondersteuning op elkaar af te stemmen zodat er maatwerk ontstaat. Het is van belang dat [het kind] binnen het CCL de ruimte krijgt om een langdurig traject in te gaan.”

3.17

Op 24 september 2014 hebben [de ouders] het verslag van Frumau naar [de leerplichtambtenaar] gestuurd en daarbij aangegeven dat het traject dat zij de afgelopen twee jaar met [het kind] hebben bewandeld, nog niet is afgerond en dat een plotselinge overgang naar een totaal nieuwe leeromgeving niet in het belang is van Pepijns gezondheid.

3.18

Bij e-mailbericht van 26 september 2014 heeft [de leerplichtambtenaar] [de ouders] toestemming gevraagd voor het doorsturen van het eindrapport van het CCL van 7 juli 2014 en het verslag van Frumau aan Bureau Kansrijk. [de ouders] hebben die toestemming niet gegeven.

3.19

Bij brief van 1 oktober 2014 heeft de advocaat van [de ouders] [de leerplichtambtenaar] een brief gestuurd, waarin hij onder meer een dringend verzoek doet tot het afgeven van een vrijstellingsbrief voor het schooljaar 2014/2015 teneinde [het kind] in staat te stellen om ook in dat schooljaar door middel van een PGB te blijven genieten van de expertise van het CCL.

3.20

Bij brief van 23 oktober 2014 heeft [de leerplichtambtenaar] namens B&W de advocaat van [de ouders] onder meer medegedeeld dat uit de overgelegde verklaring van Kansrijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de eisen van de wet die een beroep op vrijstelling rechtvaardigen en dat [de ouders] [het kind] binnen twintig werkdagen alsnog dienen in te schrijven op een erkende school of instelling.

3.21

Bij e-mailbericht van 31 oktober 2014 heeft de advocaat van [de ouders] [de leerplichtambtenaar] onder meer medegedeeld dat een gerechtelijke procedure zal worden gestart teneinde af te dwingen dat [het kind] vrijgesteld blijft en het traject bij het CCL kan continueren.

3.22

Bij brief van 5 november 2014 heeft [de leerplichtambtenaar] namens B&W de advocaat van [de ouders] onder meer medegedeeld dat zij kan instemmen met een inschrijving van [het kind] op een school of instelling met ingang van 6 januari 2015.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In deze zaak gaat het samengevat om het volgende. Omdat [het kind] in het reguliere onderwijs moeilijk kan aarden, hebben [de ouders] hem vanaf het schooljaar 2012/2013 ingeschreven bij het CCL in Sterksel, een instelling voor onderwijsondersteuning voor kinderen met een hoog ontwikkelingspotentieel. [de ouders] hebben voor dat schooljaar en de daarop volgende schooljaren een kennisgeving van vrijstelling voor de leerplicht gedaan op grond van psychische ongeschiktheid van [het kind] tot het volgen van regulier onderwijs, als bedoeld in de artikelen 5 sub a, 6 en 7 Lpw. Zij hebben voor deze schooljaren telkens een indicatiebesluit voor zorgaanspraken Begeleiding Groep en Begeleiding Individueel aangevraagd bij Bureau Jeugdzorg Gelderland in verband met bekostiging van het verblijf op het CCL. Het toenmalige beleid van de Bureaus Jeugdzorg hield in dat voor verlening van de indicatie een bevestiging van de kennisgeving vrijstelling leerplicht door de leerplichtambtenaar vereist was, waarin deze de kennisgeving had getoetst en in orde had bevonden. Voor de schooljaren 2012/2013 en 2013/2014 heeft [de leerplichtambtenaar] deze verklaringen afgegeven, op basis waarvan [de ouders] een indicatiebesluit hebben verkregen en het verblijf van [het kind] konden betalen door middel van een VPZ (Vergoedingsregeling persoonlijke zorg, hierna in navolging van partijen aangeduid met PGB). Voor het schooljaar 2014/2015 heeft [de leerplichtambtenaar] met een beroep op artikel 7 Lpw voorgesteld dat [het kind] zou worden onderzocht door drs. J.W. Barendsen van Psychologenpraktijk Kansrijk te Wehl. Uit het rapport van Barendsen hebben B&W, in dit geval het bevoegde gezag op grond van de Leerplichtwet, afgeleid dat [het kind] ingeschreven dient te worden op een erkende school of instelling, hetgeen zij [de ouders] hebben bericht bij brief van 23 oktober 2014. [de ouders] hebben in dit kort geding gevorderd dat de Gemeente en [de leerplichtambtenaar] (a) wordt verboden om hen te verplichten [het kind] voor het schooljaar 2014/2015 in te schrijven op een erkende school of instelling en (b) hun wordt opgedragen een verklaring af te geven waarmee [de ouders] voor [het kind] (met terugwerkende kracht) een PGB kunnen verkrijgen voor het schooljaar 2014/2015, en dat zij (c) worden veroordeeld tot betaling van € 9.000 als voorschot op de schadevergoeding, een en ander (d) onder verbeurte van dwangsommen en met veroordeling in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 12 december 2014 de petita onder (a) en (b) toegewezen en die onder (c) en (d) afgewezen. Van dit vonnis zijn de Gemeente en [de leerplichtambtenaar] in hoger beroep gekomen onder aanvoering van zeven grieven en een ongenummerde grief.

4.2

Grief 1 richt zich tegen een aantal vaststellingen van de feiten door de voorzieningenrechter. In § 3 heeft het hof de feiten opnieuw vastgesteld met inachtneming van de opmerkingen onder grief 1. Deze grief behoeft daarom verder geen behandeling.

4.3

Als aanvullend verweer heeft [de leerplichtambtenaar] aangevoerd dat de vorderingen tegen haar noch in persoon noch in haar hoedanigheid van leerplichtambtenaar hadden mogen worden toegewezen. Dat verweer, dat in feite een grief is tegen het vonnis, is gegrond. Als leerplichtambtenaar is [de leerplichtambtenaar] belast met het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet, is zij gemandateerd om namens B&W besluiten te nemen (§ 1.2 toelichting op de Instructie voor leerplichtambtenaar en RMC-functionaris, productie 21 bij inleidende dagvaarding), en heeft zij op grond van artikel 11 Lpw als bestuursorgaan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen van schoolbezoek (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3953). In dit geval gaat het om feitelijke mededelingen die [de leerplichtambtenaar] als spreekbuis van B&W, in dit geval het bevoegde gezag, heeft gedaan aan [de ouders] omtrent het rechtsgevolg van de kennisgeving vrijstelling leerplicht voor het schooljaar 2014/2015 en omtrent de leerplicht van [het kind] voor dat schooljaar. Het gaat hier om mededelingen van louter informatieve aard die geen besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht zijn (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 18 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6321). Tegen de mededelingen staan dus geen voorzieningen op grond van de Algemene wet bestuursrecht open. De grondslag van de vorderingen van [de ouders] is kennelijk dat de Gemeente en [de leerplichtambtenaar] onrechtmatig handelen door de gevraagde verklaring niet af te geven en hen te verplichten [het kind] in te schrijven op een erkende school of instelling. [de ouders] zijn in een dergelijke vordering op zichzelf ontvankelijk bij de burgerlijke rechter, ook tegenover [de leerplichtambtenaar] in haar hoedanigheid van ambtenaar. Wel dienen zij wat [de leerplichtambtenaar] betreft te stellen dat haar persoonlijk een (ernstig) verwijt treft (HR 11 oktober 1991, NJ 1993/165). Dat hebben [de ouders] niet gedaan. Dat brengt mee dat de vordering tegen [de leerplichtambtenaar] alsnog moet worden afgewezen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. De gedragingen van leerplichtambtenaar [de leerplichtambtenaar] hebben in het maatschappelijk verkeer te gelden als gedragingen van de Gemeente en kunnen daarom aan de Gemeente worden toegerekend. Hierna zal binnen het door de grieven opgeworpen kader worden onderzocht of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.

4.4

Grief 2 houdt in dat de gevraagde voorzieningen zich door hun declaratoire aard en onomkeerbare gevolgen niet lenen voor behandeling in kort geding. De grief is ongegrond. De voorzieningen betreffen een verbod om [de ouders] op te dragen [het kind] voor het schooljaar 2014/2015 te laten inschrijven op een erkende school of instelling en een opdracht een verklaring op te stellen omtrent de gedane kennisgeving vrijstelling leerplicht. Deze veroordelingen betreffen feitelijke handelingen. Weliswaar is de toewijzing ervan gebaseerd op een oordeel over de rechtsverhouding tussen partijen, maar dat is in kort geding heel gebruikelijk, zo niet noodzakelijk en maakt niet dat het verbod op een declaratoir dictum wordt overtreden. Dat de gevolgen van toewijzing van het gevorderde onomkeerbaar kunnen zijn, is evenmin een beletsel om de vordering in kort geding te onderzoeken en toe te wijzen.

4.5

De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6 van het bestreden vonnis in de kern genomen beslist dat [de ouders] voor het schooljaar 2014/2015 een beroep op vrijstelling van de leerplicht op grond van de artikelen 5 sub a, 6 en 7 Lpw kunnen doen. Zij hadden erop mogen vertrouwen dat de verklaring van het CCL van 28 januari 2014, ook al gaat het - anders dan artikel 7 Lpw voorschrijft - om een verklaring van de behandelende professional, voldoende zou zijn voor het verkrijgen van vrijstelling voor het schooljaar 2014/2015 (rechtsoverweging 4.3), en ook al was de verklaring - anders dan artikel 7 Lpw voorschrijft – bij de kennisgeving ouder dan drie maanden, een tekortkoming overigens waarop de Gemeente pas in deze procedure een beroep heeft gedaan (rechtsoverweging 4.5). De Gemeente had daarom een verklaring omtrent vrijstelling van de leerplicht behoren af te geven en had [de ouders] niet mogen opdragen [het kind] in te schrijven op een erkende school of instelling. De grieven 3 tot en met 6, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, betogen in de kern genomen dat er van dergelijk vertrouwen geen sprake was, dat een correcte wetstoepassing meebracht dat de Gemeente drs. Barendsen inschakelde en dat uit haar advies volgde dat [het kind] moest worden ingeschreven op een erkende school of instelling, zodat er geen aanleiding was voor een verklaring omtrent vrijstelling van de leerplicht.

4.6

De grieven zijn gegrond. Een vrijstelling geldt als hoofdregel voor één schooljaar. Dit volgt tevens uit de brieven van [de leerplichtambtenaar] aan [de ouders] van 14 augustus 2012 en 16 mei 2013, waarin de vrijstelling voor [het kind] is bevestigd voor de schooljaren 2012/2013 en 2013/2014. De uitzondering dat een vrijstelling voor de gehele periode van de leerplicht geldt, doet zich bij [het kind] niet voor. De Gemeente heeft er terecht op gewezen dat de gang van zaken bij de vrijstelling voor de schooljaren 2012/2013 en 2013/2014 geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen wekken dat voor [het kind] voor het schooljaar 2014/2015 een vrijstelling zou gelden als deze zou worden gedocumenteerd met een rapport van het CCL (dat ouder dan drie maanden was). De vrijstelling voor 2012/2013 is gedocumenteerd met een rapportage van het CCL van 20 maart 2012, de verklaring van de afdeling OPUS van het Olympus College van 2 juli 2012 en het verslag van Frumau van 25 juni 2012 gevoegd (zie 3.8), derhalve niet alleen met een rapportage van het CCL. De vrijstellingsverklaringen over de schooljaren 2012/2013 en 2013/2014 zijn in beide gevallen onderbouwd met een of meer rapportages die niet ouder dan drie maanden zijn. Verder heeft de Gemeente er in nr. 31 memorie van grieven terecht op gewezen dat uit het rapport van het CCL van 28 januari 2014, anders dan uit de eerdere rapporten, onvoldoende duidelijk bleek dat vrijstelling van de leerplicht nog steeds noodzakelijk was. In deze omstandigheden heeft de Gemeente in overeenstemming met artikel 7 Lpw gehandeld door [het kind] te laten onderzoeken door Barendsen die een door de Gemeente aangewezen GGZ-psycholoog was als bedoeld in artikel 7 Lpw. Verder is het oordeel van de Gemeente dat [het kind] niet aan de voorwaarden voor vrijstelling voldeed en dat zij daarom de voor het PGB vereiste verklaring niet zou afgeven, gezien het advies van Barendsen op zichzelf evenmin onjuist. De Gemeente heeft dus niet onrechtmatig gehandeld.

4.7

De grieven leiden echter niet tot vernietiging van het vonnis. Het hof dient het belang van het kind, [het kind] , voorop te stellen. Zijn belang was er niet bij gebaat dat hij eind oktober/begin november 2014, toen het schooljaar al enkele maanden op streek was, zou moeten switchen van het CCL naar een erkende school of instelling. Uit de voorgeschiedenis blijkt dat [het kind] in zijn jeugd zeer vaak van school is veranderd, omdat de school aangaf niet de vereiste begeleiding te kunnen geven, of omdat de school de deuren sloot of om andere redenen. Met dit belang heeft de Gemeente onvoldoende rekening gehouden door na ontvangst van de kennisgeving ter zake van vrijstelling van de leerplicht van 17 mei 2014 eerst rond 1 juli 2014 opdracht aan Barendsen te geven tot het onderzoeken van [het kind] , waardoor mede in verband met de zomervakantie de rapportage pas begin september 2014 kon worden afgerond. Op grond van deze belangenafweging ziet het hof aanleiding het dictum van het vonnis, voor zover tegen de Gemeente gewezen, in stand te laten.

4.8

Grief 7 gaat uit van een onjuiste lezing van rechtsoverweging 4.7, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat [de ouders] met een verklaring van de Gemeente omtrent vrijstelling van de leerplicht (met terugwerkende kracht) een PGB voor [het kind] voor het schooljaar 2014/2015 kunnen verkrijgen. Daarmee heeft de voorzieningenrechter, anders dan de Gemeente stelt, niet willen aangeven dat de Gemeente diende te beslissen over het PGB. De grief is ongegrond.

4.9

Omdat de grief met betrekking tot de vordering tegen [de leerplichtambtenaar] gegrond is, zal het bestreden vonnis in zoverre worden vernietigd. De grieven 3 tot en met 6 zijn weliswaar terecht voorgesteld, maar kunnen niettemin niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, zodat dit in zoverre zal worden bekrachtigd. De grieven 2 en 7 zijn ongegrond.

4.10

Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de Gemeente alle kosten van haar ambtenaar [de leerplichtambtenaar] heeft gedragen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 12 december 2014, behoudens voor zover tegen [de leerplichtambtenaar] gewezen, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht:

wijst af de vorderingen tegen [de leerplichtambtenaar] ;

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, F.J. de Vries en A. Skerka, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2015.