Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5800

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
14/01148
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:6184, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Reisaftrek. Vertrouwensbeginsel. Bewust standpunt in voorgaand jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2303
V-N 2015/53.4 met annotatie van Redactie
FutD 2015-2070
NTFR 2015/2451 met annotatie van mr. N. ten Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummer 14/01148

uitspraakdatum: 4 augustus 2015

Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 september 2014, nummer AWB 14/1591, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Apeldoorn (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.021. Voorts is bij beschikking € 18 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de belastingaanslag en beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 september 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2015 te Arnhem. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [A] . Belanghebbende is, met voorafgaande kennisgeving aan het Hof, niet verschenen.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is in loondienst werkzaam in de zorgsector. Zij verzorgt dementerenden die gedurende 24 uur per dag zorg behoeven. Dit heeft tot gevolg dat belanghebbende ook ’s avonds en ’s nachts haar woon-werkverkeer aflegt. Belanghebbende maakt voor het woon-werkverkeer geen gebruik van het openbaar vervoer, maar van haar eigen auto. Belanghebbende heeft in haar aangiften voor 2008 en 2011 bedragen aan reisaftrek opgevoerd.

2.2

De Inspecteur heeft de reisaftrek in 2008, na voorafgaande briefwisseling met belanghebbende daarover, gecorrigeerd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar aangetekend. De Inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar, zonder nadere motivering, de reisaftrek alsnog geaccepteerd.

2.3

In het kader van de aanslagregeling over 2011 heeft [B] , werkzaam bij de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, in een brief van 16 oktober 2013 het volgende geschreven:

“In uw reactie heeft u aangegeven dat de Belastingdienst over belastingjaar 2008 uw bezwaar tegen de correctie Reiskostenaftrek heeft toegewezen. Dit opgewekt vertrouwen is echter komen te vervallen doordat u per 1 februari 2011 van werkgever bent verandert. Ik heb dan ook besloten de aftrek maar voor 1 maand toe te kennen. Daarbij heb ik rekening gehouden met de reiskostenvergoeding die u van uw werkgever heeft ontvangen.”

2.4

Belanghebbende heeft de reisaftrek voor 2011 berekend op € 915. De Inspecteur heeft de reisaftrek voor de eerste maand van 2011 (zie 2.3) berekend op € 50. De correctie bedraagt derhalve € 865. In de beroeps- en hogerberoepsfase heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat voor het jaar 2011 in het geheel geen sprake is van gewekt vertrouwen en dat de aftrek voor de eerste maand van 2011 slechts om pragmatische redenen is verleend.

2.5

De Rechtbank heeft geoordeeld dat omdat belanghebbende geen gebruik maakt van het openbaar vervoer voor haar werk, zij niet voldoet aan de eisen die de wet stelt aan reisaftrek. Van gewekt vertrouwen is volgens de Rechtbank geen sprake. Het beroep is ongegrond verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op reisaftrek boven het in aanmerking genomen bedrag. Belanghebbende stelt dat ze daarop recht heeft in het kader van een redelijke wetstoepassing, dan wel vanwege door de Inspecteur gewekt vertrouwen. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende geen recht heeft op reisaftrek boven het in aanmerking genomen bedrag.

3.2

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot een aanslag IB/PVV 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.156.

3.3

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Vanuit het oogpunt van proces-economie zal het Hof als eerste het beroep op het vertrouwensbeginsel behandelen. Het Hof stelt te dezen voorop dat het antwoord op de vraag of van gerechtvaardigd vertrouwen sprake is, afhangt van de waardering van – voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen – omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid (vgl. HR 13 december 1989, nr. 25 077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179).

4.2

Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slagen is het volgende van belang. De Inspecteur heeft ter zake van de aangifte over 2008 de reisaftrek gecorrigeerd. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2008 de correctie van de reisaftrek betwist en deze uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld. De Inspecteur is vervolgens aan het bezwaar tegemoet gekomen en heeft de reisaftrek - zonder nadere motivering - alsnog in aanmerking genomen. Naar het oordeel van het Hof is dan de conclusie gerechtvaardigd dat de Inspecteur bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk heeft gewekt of heeft kunnen wekken dat hij de reisaftrek voor het jaar 2008 bewust heeft geaccepteerd. Daarmee is door de Inspecteur vertrouwen gewekt dat belanghebbende onder genoemde omstandigheden recht had op de reisaftrek. Aangezien de omstandigheden in de eerste maand van 2011 dezelfde waren als die in 2008 - namelijk werkte belanghebbende onder dezelfde omstandigheden bij dezelfde werkgever - dient een beroep op het vertrouwensbeginsel voor die maand te worden gehonoreerd. Uit de in 2.3 geciteerde brief kan de conclusie worden getrokken dat - anders dan in beroep en hoger beroep - ook de Inspecteur bij de aanslagregeling die mening was toegedaan. De reisaftrek is voor de eerste maand van 2011 daarom terecht niet meer in geschil.

4.3

Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn stelling dat van gewekt vertrouwen geen sprake meer kan zijn nadat belanghebbende per 1 februari 2011 van werkgever is gewisseld. In het midden kan blijven of sprake was van dezelfde werkgever die onder een ander loonbelastingnummer aangifte deed, zoals belanghebbende heeft verklaard, of dat sprake was van een andere werkgever. Belanghebbende heeft immers onweersproken gesteld dat zij dezelfde werkzaamheden onder dezelfde omstandigheden is blijven verrichten. Naar het oordeel van het Hof is - ten opzichte van 2008 - sprake van een zich onveranderd voordoende aangelegenheid voor het gehele jaar 2011. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt.

4.4

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof geen cijfermatige toelichting kunnen geven op de reisaftrek die voor de maand januari 2011 is toegestaan. Nu overigens de cijfermatige benadering van belanghebbende in het door haar ingenomen standpunt door de Inspecteur niet is bestreden zal het Hof in deze procedure dat standpunt volgen. Dat heeft tot gevolg dat het vastgestelde belastbare inkomen met € 865 moet worden verminderd.

4.5

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd zodat het beroep slechts gegrond is voor zover het vastgestelde belastbare inkomen wordt verminderd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, nu het Hof

niet is gebleken van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart de tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2011 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.156;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 122 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer,
in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2015.

Mr. Kooijmans is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier,

(J.H. Riethorst)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 4 augustus 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.