Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5738

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
14/00139
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:44, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2461, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Ondernemingspensioenfonds. Aftrek voorbelasting. Transitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1784
V-N 2015/52.2.4
PJ 2015/169
FutD 2015-2010 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 29-09-2017
NTFR 2015/2338 met annotatie van E.H. van den Elsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/00139

uitspraakdatum: 28 juli 2015

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting [X] (in liquidatie) te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2014, nummer AWB 13/3953, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 10.402.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 9 januari 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] , [B] en [C] , namens belanghebbende, en mr. [D] , mr. [E] en [F] , als de gemachtigden van belanghebbende. Namens de Inspecteur zijn verschenen en gehoord mr. [G] en mr. [H] .

1.7

Partijen hebben een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, een stichting, is een ondernemingspensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. Belanghebbende voerde tot de datum waarop zij in liquidatie is getreden (1 januari 2012) de collectieve pensioenregeling uit van het [I] -concern en een aantal vennootschappen dat voorheen tot het [I] -concern behoorde (hierna gezamenlijk te noemen: [I] c.s.), op basis van een zogenoemde uitvoeringsovereenkomst in de zin van artikel 23 van de Pensioenwet. Voor deze activiteiten is belanghebbende als ondernemer in de zin van de Wet OB aangemerkt. De activiteiten als ondernemingspensioenfonds zijn ingevolge artikel 11, lid 1, aanhef en letter k, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) vrijgesteld van omzetbelasting.

2.2

Per 31 december 2008 is belanghebbende in een situatie van onderdekking terechtgekomen. Op grond van de uitvoeringsovereenkomst tussen belanghebbende en [I] c.s. was [I] c.s. verplicht de pensioentekorten volledig aan te vullen door middel van het betalen van herstelpremies.

2.3

Bij brief van 16 maart 2009 heeft belanghebbende [I] c.s. op de hoogte gesteld van haar financiële situatie en de mogelijkheid tot het heffen van herstelpremies. Het ging om een bedrag van circa € 750 mio dat in een periode van vijf jaren betaald moest worden.

2.4

Bij brief van 17 maart 2009 heeft [I] c.s. belanghebbende medegedeeld dat zij niet in staat is de door belanghebbende gevraagde herstelpremies te betalen.

2.5

Over de hoogte van de herstelpremies is vervolgens een geschil ontstaan tussen belanghebbende en [I] c.s. Zij hebben getracht hun geschil over de betaling van de herstelpremies in onderling overleg te beëindigen door middel van mediation. Zij hebben echter geen overeenstemming bereikt en de mediation beëindigd.

2.6

Belanghebbende en [I] c.s. zijn vervolgens overeengekomen hun geschil aan arbitrage te onderwerpen.

2.7

Bij brief van 17 juni 2010 heeft [I] c.s. haar voornemen kenbaar gemaakt de collectieve pensioenregeling niet langer bij belanghebbende onder te brengen maar bij de Stichting [J] (hierna: [J] ).

2.8

Belanghebbende en [I] c.s. hebben op 1 april 2011 een zogenoemde principeovereenkomst gesloten waarin de afspraken rondom de beëindiging van het geschil over de herstelpremies en de overgang naar [J] op hoofdlijnen zijn neergelegd. Hierin is onder meer vermeld dat [I] c.s. aan belanghebbende een bedrag van in totaal € 52 mio aan herstelpremies betaalt (waarvan 1 mio rente) alsmede een afkoopsom wegens aanpassing van de uitvoeringsovereenkomst van € 59,1 mio (exclusief rente). Voorts is daarin de volgende bepaling opgenomen met betrekking tot de kosten van de overgang naar [J] :

“(…)

Artikel 8 Door [I] c.s. te vergoeden kosten

1. Belanghebbende] heeft in het kader van de overgang naar [J] kosten gemaakt en zal nog additionele kosten moeten maken om de overgang te realiseren. [I] c.s. draagt aan deze kosten onvoorwaardelijk bij voor een bedrag van € 10 miljoen. De indicatieve opbouw van de gemaakte en te maken kosten is:

 € 5 miljoen voor transitiekosten (onder meer administratie);

 € 2,5 miljoen voor liquidatiekosten (onder meer beleggingen);

 € 2,5 miljoen voor kosten van de afwikkeling van de organisatie [X] .

De betalingsverhouding tussen [I] c.s. is in artikel 1 en bijlage 1 beschreven.

2 [ Belanghebbende] zal [I] c.s. zo spoedig mogelijk na ondertekenen van deze principeovereenkomst inzage geven in de onderbouwing van deze kosten. Indien deze onderbouwing zoals weergegeven door [belanghebbende] de eisen van redelijkheid en billijkheid niet kan doorstaan heeft [I] c.s. de mogelijkheid om aanvullende toelichting te ontvangen. Vergoeding van nog te maken kosten vindt alleen plaats voor zover [I] c.s. voorafgaand toestemming heeft gegeven voor deze uitgaven. Deze toestemming zal niet op onredelijke gronden worden onthouden.

3 Bij ondertekenen van deze principeovereenkomst voldoet [I] c.s. direct nadat, conform lid 2 inzage is gegeven op hoofdlijnen voor de indicatieve opbouw van de kosten, een bedrag van € 5 miljoen.

4 Bij ondertekenen van een principeovereenkomst tussen [I] c.s., [belanghebbende] en [J] over de overgang van [belanghebbende] naar [J] , voldoet [I] c.s. de resterende € 5 miljoen.

5 Indien de overgang naar [J] pas na 2012 kan worden gerealiseerd zal opnieuw tussen [I] c.s. en [belanghebbende] worden gesproken over een bijdrage van [I] c.s. aan de kosten. (…)”

In de genoemde bijlage 1 is het volgende vermeld:

Bijlage 1 – Verhouding [I] c.s. inclusief [belanghebbende]

De verhouding tussen [I] c.s. inclusief [belanghebbende] (uitgedrukt in percentages) is gebaseerd op de verdeling van de premiegrondslagsom per 28 februari 2011.

Verhouding I. c.s. inclusief X

Onderneming Premiegrondslagsom %

K 2.429.640 1,0 %

L 3.455.552 1,5 %

M 6.880.976 2,9 %

N 29.569.812 12,6 %

X 1.864.292 0,8 %

subtotaal 44.200.272 18,8 %

I 191.385.297 81,2 %

Totaal 235.585.569 100,0 %

2.8

In vijf – nagenoeg gelijkluidende – vaststellingsovereenkomsten van 18 april 2011 (hierna: de vaststellingsovereenkomsten), gesloten met de verschillende groepen vennootschappen die bij de principeovereenkomst zijn betrokken, zijn de afspraken tussen belanghebbende en [I] c.s. verder uitgewerkt. In de considerans is onder meer het volgende vermeld:

OVERWEGENDE:

(...)

(L) [ [I] c.s.] en [belanghebbende] wensen thans het Geschil in der minne te regelen en de Procedure te beëindigen op de voorwaarden zoals in de Vaststellingsovereenkomst uiteengezet;

(N) [belanghebbende] heeft aangegeven aan deze gewenste overgang te willen meewerken, in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en overige aanspraakgerechtigden van [belanghebbende];

(…)”

Ter zake van de herstelpremies is in de vaststellingsovereenkomsten bepaald dat [I] c.s een bedrag van € 52.001.375 is verschuldigd. Over de voorgenomen overgang van belanghebbende naar [J] is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

9 OVERGANG NAAR [J]

9.1

Inspanningsverplichting

[Belanghebbende] en [ [I] c.s.] zullen zich inspannen zo spoedig mogelijk een overgang van [belanghebbende] naar [J] te bewerkstelligen. Deze overgang zal overdracht van het gehele vermogen van en alle aanspraken van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en overige aanspraakgerechtigden van [belanghebbende] aan [J] omvatten (de “Overgang”). De Overgang zal naar verwachting worden vormgegeven als een juridische fusie of als een collectieve waardeoverdracht.

(…)

9.4

Kosten

Op het moment dat deze Vaststellingsovereenkomst onvoorwaardelijk wordt, zullen [ [I] c.s.] gezamenlijk een bedrag van (…) aan reeds gemaakte en nog te maken kosten die verband houden met de Overgang aan [belanghebbende] vergoeden, op voorwaarde dat [belanghebbende] de samenstelling van deze kosten voldoende heeft toegelicht. Indien en voor zover [belanghebbende] additionele kosten moet maken of heeft gemaakt om de Overgang te realiseren, zullen [ [I] c.s.] gezamenlijk deze additionele kosten vergoeden met een maximum van (…). Hierbij geldt dat vergoeding van kosten die gemaakt worden na ondertekening van deze Vaststellingsovereenkomst alleen plaatsvindt voor zover [I] B.V. voorafgaand toestemming heeft gegeven voor deze uitgaven. [I] B.V. zal deze toestemming niet op onredelijke gronden onthouden. De indicatieve opbouw van de reeds gemaakte en nog te maken kosten is:

( a) (…) aan transitiekosten;

( b) (…) aan kosten voor liquidatie van beleggingen;

( c) (…) aan kosten voor liquidatie of sterke reductie van organisatie [X] (…).”

2.9

In totaal moest aan belanghebbende maximaal € 10.000.000 aan kosten worden vergoed in verband met de overgang naar [J] . De bijdrage van [I] c.s. bedroeg in totaal € 9.920.000. Het restant, te weten € 80.000, kwam voor rekening van belanghebbende zelf omdat ook een aantal van haar werknemers bij belanghebbende was verzekerd.

2.10

In overeenstemming met hetgeen is neergelegd in de vaststellingsovereenkomsten, zijn de pensioenregelingen (voor het overgrote deel) – in de vorm van een collectieve waardeoverdracht – per 1 januari 2012 overgedragen aan [J] . Deze collectieve waardeoverdracht is, overeenkomstig het verzoek daartoe van belanghebbende, door de Inspecteur aangemerkt als een overgang van een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) en als zodanig niet onderworpen aan de heffing van omzetbelasting.

2.11

In verband met de overdracht aan [J] (hierna ook aangeduid als: de transitie) heeft belanghebbende met ingang van het jaar 2010 kosten gemaakt. De kosten hebben enerzijds betrekking op loonkosten die zijn gemaakt door werknemers van belanghebbende (interne kosten) en anderzijds op kosten die door derden aan belanghebbende in rekening zijn gebracht (externe kosten).

2.12

Tot de stukken van het geding behoort een factuur van belanghebbende aan [I] BV van 31 januari 2012 waarop een bedrag van € 9.662.800 (inclusief € 1.542.800 aan omzetbelasting) in rekening wordt gebracht met als omschrijving “Vergoeding van transitiekosten conform vaststellingsovereenkomst”. Aan de overige groepen van vennootschappen zijn facturen met dezelfde omschrijvingen uitgereikt. In totaal heeft belanghebbende € 11.804.800 (€ 9.920.000, vermeerderd met € 1.884.800 omzetbelasting) aan [I] c.s. in rekening gebracht. [I] c.s. heeft – voor zover de betreffende rechtspersonen belaste prestaties verrichten – deze omzetbelasting met instemming van de Inspecteur in aftrek gebracht, ook als later blijkt dat sprake is van omzetbelasting in de zin van artikel 37 van de Wet OB.

2.13

In het vierde kwartaal 2012 is aan belanghebbende een bedrag aan transitiekosten in rekening gebracht van in totaal € 503.382. Daarover is € 102.694 aan omzetbelasting berekend, welk bedrag belanghebbende niet op haar aangifte in aftrek heeft gebracht.

2.14

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep uitsluitend ziet op de naheffingsaanslag, dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende feiten en omstandigheden aandraagt die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van belaste prestaties, dat belanghebbende niet in die bewijslast is geslaagd, dat belanghebbende evenmin optreedt als commissionair en dat de Inspecteur de aftrek van voorbelasting terecht heeft geweigerd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of belanghebbende de omzetbelasting die aan haar in verband met de transitie in rekening is gebracht als voorbelasting in aftrek kan brengen.

3.2

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de betaling door [I] c.s. aan belanghebbende van € 9.920.000 een vergoeding is voor een belaste prestatie. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.3

Primair meent belanghebbende dat zij een dienst verleent die is aan te merken als “het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van de collectieve waardeoverdracht” aan [J] . De kosten die door derden aan belanghebbende in rekening zijn gebracht, zijn rechtstreeks toerekenbaar aan deze belaste dienst en daarom kan belanghebbende de voorbelasting volledig in aftrek brengen, aldus belanghebbende. Subsidiair beroept zij zich op een analoge toepassing van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak PPG (HvJ 18 juli 2013, nr. C-26/12, ECLI:EU:C:2013:526). Naar belanghebbendes mening mag haar geen uit de aftrekregeling voortvloeiend belastingvoordeel worden onthouden doordat de wetgever ervoor heeft gekozen pensioenen door een juridische scheiding tussen de werkgever en het pensioenfonds te beschermen. Meer subsidiair stelt belanghebbende dat het neutraliteitsbeginsel vereist dat de omzetbelasting op de ingekochte diensten bij haar aftrekbaar is. Nog meer subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij als inkoopcommissionair of daarop gelijkende ondernemer op eigen naam, maar voor rekening van [I] c.s. diensten van derden heeft ingekocht als bedoeld in artikel 4, lid 4, van de Wet OB. Dat brengt volgens belanghebbende mee dat zij geacht moet worden juridische- en consultancydiensten te hebben ingekocht en te hebben verricht aan [I] c.s. Omdat het belaste diensten betreft, kan belanghebbende de aan die diensten toerekenbare voorbelasting in aftrek brengen.

3.4

De Inspecteur meent dat belanghebbende geen recht op aftrek van voorbelasting heeft, omdat belanghebbende geen belaste prestatie verricht waaraan de kosten kunnen worden toegerekend. Het bedrag van € 9.920.000 is naar zijn mening een onbelaste schadevergoeding.

3.5

Niet in geschil is dat belanghebbende de afnemer is van de ingekochte diensten.

3.6

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.7

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de naheffingsaanslag.

3.8

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 1 van de Wet OB wordt – voor zover hier van belang – omzetbelasting geheven ter zake van diensten welke onder bezwarende titel worden verricht. Een dienst wordt enkel onder bezwarende titel verricht, en is dus enkel belastbaar, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de prestatie een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding werkelijk de tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst (zie onder meer HvJ 3 maart 1994, Tolsma, nr. C-16/93, ECLI:EU:C:1994:80, BNB 1994/271, punten 13 en 14, HvJ 17 september 2002, Town & Country Factors, C-498/99, ECLI:EU:C:2002:494, V-N 2002/50.16, punt 18, en HvJ 6 oktober 2009, SPÖ Landesorganisation Kärnten, C-267/08, ECLI:EU:C:2009:619, V-N 2009/52.24, punt 19). In het onderhavige geval moet daarom worden vastgesteld of “een rechtstreeks en noodzakelijk verband” bestaat tussen de betaling door [I] c.s. aan belanghebbende van € 9.920.000 en een dienst van belanghebbende, en of deze werkelijk de tegenwaarde daarvoor vormt.

4.2

Belanghebbende en [I] c.s. hebben hun afspraken vormgegeven zoals neergelegd in de tussen hen gesloten overeenkomsten. De Inspecteur heeft niet gesteld dat de afspraken tussen die partijen in werkelijkheid anders waren. Het Hof heeft dan ook bij zijn hierna gegeven oordeel de inhoud van de onder de feiten genoemde overeenkomsten als uitgangspunt genomen. Partijen zijn vrij hun onderlinge betrekkingen op een zo voordelig mogelijke wijze te regelen. Een uitzondering doet zich voor indien sprake is van misbruik. De Inspecteur heeft niet gesteld dat daarvan te dezen sprake is.

4.3

In artikel 8 van de principeovereenkomst, nader uitgewerkt in artikel 9.4 van de vaststellingsovereenkomsten, zijn de afspraken met betrekking tot de betaling van € 9.920.000 vastgelegd. Gelet op deze contractuele bepalingen maakt belanghebbende haar stelling niet aannemelijk dat zij met [I] c.s. is overeengekomen dat zij tegen betaling van voornoemd bedrag een dienst heeft verricht die bestaat in “het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van de collectieve waardeoverdracht”. De in 2.8 genoemde overwegingen in de considerans maken dat, anders dan belanghebbende meent, niet anders.

4.4

Niet in geschil is dat belanghebbende de kosten op eigen naam heeft gemaakt. Uit de stukken van het geding leidt het Hof af dat belanghebbende de kosten voorts voor eigen rekening heeft gemaakt. Naar het oordeel van het Hof volgt uit voornoemde contractuele bepalingen dat belanghebbende en [I] c.s. zijn overeengekomen dat [I] c.s. onvoorwaardelijk bijdraagt in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken om de collectieve waardeoverdracht te realiseren (hierna: de kosten). Uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende met [I] c.s. is overeengekomen dat belanghebbende 99,2% van de kosten zonder winstopslag doorberekent aan [I] c.s. en dat daarbij een maximum is afgesproken van € 10.000.000. De afspraak hield in dat belanghebbende zelf voor 0,8% deelde in de kosten en dat zij de kosten zou dragen boven het overeengekomen totaalbedrag van € 10.000.000. Niet in geschil is dat [I] c.s. de overeengekomen maximumbijdrage van € 9.920.000 daadwerkelijk aan belanghebbende heeft betaald en dat belanghebbende het restant (€ 80.000 vermeerderd met het surplus) zelf heeft gedragen. Gelet op het vorenstaande is belanghebbende met [I] c.s. een rechtsbetrekking aangegaan ingevolge welke de kosten (grotendeels) aan [I] c.s. zijn doorbelast.

4.5

De Inspecteur is van mening dat het louter doorbelasten van kosten aan [I] c.s. geen prestatie onder bezwarende titel is. Hij verwijst in verband daarmee naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak EDM (HvJ 29 april 2004, nr. C-77/01, ECLI:EU:C:2004:243). Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De doorbelasting van kosten is in beginsel een economische activiteit die aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen (HR 14 september 1988, nr. 25.005, BNB 1989/213 en HvJ 15 maart 2001, nr. C-108/00, Syndicat des Producteurs Indépents, ECLI:EU:C:2001:173). Indien een ondernemer betalingen verricht aan een andere ondernemer moet als regel ervan worden uitgegaan dat deze betalingen de tegenwaarde voor een prestatie vormen (zie HR 1 maart 2002, nr. 36020, ECLI:NL:HR:2002:AD9708, BNB 2002/141). Een onbelastbare doorberekening van kosten vormt de uitzondering op dit algemene uitgangspunt. Die uitzondering doet zich bijvoorbeeld voor als sprake is van kosten voor gemene rekening. Het ligt op de weg van de partij die zich op deze uitzondering beroept de daarvoor benodigde feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken (HR 25 april 2014, nr. 12/03772, BNB 2014/160).

4.6

De Inspecteur heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat te dezen is voldaan aan de in HR 23 april 1997, nr. 32.166, ECLI:NL:HR:1997:AA2154, BNB 1997/301 en HR 21 november 2008, nr. 43 930, BNB 2009/41 genoemde vereisten voor toepassing van het leerstuk “kosten voor gemene rekening”. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 9.920.000.000 een onbelaste schadevergoeding is. Hij heeft daarvoor echter onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. Evenmin heeft hij voldoende aangedragen voor zijn stelling dat het bedrag van € 9.920.000 – naast de vergoeding van € 59,1 mio – wordt betaald voor de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst respectievelijk dat sprake is van een “package deal” die inhield dat in totaal (circa) € 70 mio werd betaald voor het beëindigen van het geschil tussen belanghebbende en [I] c.s.

4.7

Op grond van het bepaalde in artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet OB kan de ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek brengen de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht. Om aan de ondernemer een recht op aftrek van de voorbelasting toe te kennen en de omvang van dat recht te bepalen, dient er volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat (zie HvJ 8 juni 2000, nr. C-98/98, Midland Bank, ECLI:EU:C:2000:300, punt 24, en HvJ 22 februari 2001 C-408/98, Abbey National, ECLI:EU:C:2001:110, punt 26). Een dergelijk rechtstreeks verband is te dezen aanwezig voor zover belanghebbende de kosten aan [I] c.s. heeft doorbelast. De omzetbelasting op de doorbelaste kosten is dus aftrekbaar, de omzetbelasting die toerekenbaar is aan de kosten die voor rekening van belanghebbende blijven niet.

4.8

In het onderhavige kwartaal heeft belanghebbende € 503.382 aan kosten in rekening gebracht gekregen. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het onderhavige tijdvak (tenminste) € 54.306 van de kosten aan [J] heeft doorbelast. In haar aangifte heeft zij een bedrag aan verschuldigde omzetbelasting vermeld van € 10.402 wegens de doorbelasting van de kosten. Belanghebbende heeft voormeld bedrag aan omzetbelasting niet voldaan. Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende op de verschuldigde omzetbelasting de aan de doorbelaste kosten toerekenbare omzetbelasting in aftrek kan brengen. De naheffingsaanslag moet derhalve worden vernietigd. Gelet daarop komt het Hof aan de behandeling van overige standpunten van belanghebbende niet meer toe.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 243 (1 punt x wegingsfactor 1 x € 243) voor de kosten in bezwaar, € 980 (2 punten  wegingsfactor 1  € 490) voor de kosten in eerste aanleg en € 980 (2 punten x wegingsfactor 1 x € 490) voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 2.203 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.203, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 318 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 493 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 28 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.