Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:5726

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
200.172.942
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van Hof van beroep te Antwerpen tot uitoefening bevoegdheid ingevolge artikel 15 lid 5 Verordening Brussel II-bis. Ambtshalve onderzoek. Verwijzing naar hof ’s-Hertogenbosch. 15 Verordening Brussel II-bis, 265 Rv, 12 lid 2 Uitvoeringswet internationale kinderbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: 200.172.942

(rolnummer Hof van beroep te Antwerpen: 2015/FA/17)

(rolnummers Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout: 1119.B.2012-269.B.2014)

beschikking van de familiekamer van 28 juli 2015

inzake

[verzoeker] en

[verzoekster],

woonplaats gekozen hebbend bij mr. M. Michel,

kantoorhoudende in België, [adres],

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders,

en

[verweerster],

wonende in België, [adres],
verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de grootmoeder.

1 Het verloop van de procedure

Het Hof van beroep te Antwerpen heeft bij arrest van 16 juni 2015 dit hof verzocht op grond van artikel 15 lid 1 sub b van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Verordening Brussel II-bis) zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 van dit artikel uit te oefenen. Het desbetreffende arrest met bijgevoegd rechtsplegingsdossier is op 25 of 26 juni 2015 ter griffie van dit hof ingekomen.

2 Vaststaande feiten en omvang van het geschil

2.1

Verzoekers in hoger beroep zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (België), en

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (België).

De ouders zijn op 8 september 2012 met elkaar in het huwelijk getreden.

2.2

Verweerster in hoger beroep is de grootmoeder (van vaderszijde) van de kinderen.

2.3

Op 23 juli 2012 en 20 februari 2014 heeft de grootmoeder bij de Jeugdrechtbank Turnhout verzoeken ingediend om haar recht op persoonlijk contact met [kind 1] en [kind 2] te kunnen uitoefenen (rolnr. 119.B.2012 respectievelijk rolnr. 269.B.2014). Bij vonnis van de Jeugdrechtbank van 11 april 2014 zijn beide zaken gevoegd.

2.4

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout, van 10 oktober 2014 is aan de grootmoeder een recht op persoonlijk contact met de beide kinderen toegekend éénmaal per maand, nader overeen te komen tussen partijen en bij gebrek aan akkoord, de zaterdag afwisselend met de zondag van 18.00 uur tot 20.00 uur, voor het eerst op zaterdag 18 oktober 2014, met de verplichting voor de ouders om de kinderen naar de grootmoeder te brengen en hen daar op te halen. Voorts is daarbij de zaak voor evaluatie en verdere behandeling gesteld op een latere zitting.

2.5

Op 9 januari 2015 zijn de ouders van voormeld vonnis van 10 oktober 2014 in hoger beroep gekomen bij het Hof van beroep te Antwerpen. Daarbij hebben zij verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de vordering van de grootmoeder als ongegrond af te wijzen, althans deze afhankelijk te maken van bemiddeling.

2.6

De grootmoeder heeft ter zitting bij het Hof van beroep te Antwerpen verzocht om bekrachtiging van het bestreden vonnis.

2.7

Het Hof van beroep te Antwerpen heeft in zijn arrest van 16 juni 2015 vastgesteld dat alle betrokkenen ten tijde van het inleiden van de verschillende procedures voor de Jeugdrechtbank Turnhout nog in België woonden, maar dat de ouders zich inmiddels samen met de kinderen in [plaatsnaam] (Nederland) hadden gevestigd.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Het Hof van beroep te Antwerpen heeft op grond van artikel 15, lid 1, sub b, Verordening Brussel II-bis dit hof verzocht zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 van dat artikel uit te oefenen op de grond dat de kinderen en de ouders inmiddels hun hoofdverblijf in Nederland hebben en de Nederlandse rechter beter geplaatst is om de wellicht noodzakelijke onderzoeksmaatregelen te bevelen en op te volgen, mede gezien de specifieke medische toestand van de beide kinderen.

3.2

Volgens artikel 15 lid 1, aanhef en sub b, Verordening Brussel II-bis kunnen de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen. Ingevolge lid 3 van datzelfde artikel wordt het kind geacht in de zin van lid 1 een bijzondere band met een lidstaat te hebben onder meer wanneer het kind na het aanhangig maken van de zaak zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft gekregen. Lid 2 van voornoemd artikel verklaart lid 1 onder meer van toepassing indien op initiatief van het gerecht daarom wordt verzocht. Ingevolge hetzelfde lid 2 kan verwijzing op initiatief van het gerecht slechts plaatsvinden indien dit door ten minste één van de partijen wordt aanvaard.

3.3

Dit hof heeft na ontvangst van het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen ambtshalve onderzoek gedaan naar de huidige adresgegevens van de ouders en de kinderen. Blijkens informatie uit het bevolkingsregister staan de ouders inmiddels met ingang van 28 mei 2015 en de kinderen met ingang van 22 juni 2015 ingeschreven in de gemeente [plaatsnaam]. De moeder heeft bij e-mailbericht van 9 juli 2015 aan de griffier van dit hof ook bericht gedaan van het nieuwe adres van het gezin in de gemeente [plaatsnaam]. Gelet op het voorgaande gaat dit hof ervan uit dat de woon- en de gewone verblijfplaats van de kinderen reeds vóór binnenkomst van het verzoek tot overname op 25/26 juni 2015 ter griffie van dit hof, is verlegd van de gemeente [plaatsnaam] naar de gemeente [plaatsnaam]. Laatstgenoemde gemeente ligt in het ressort van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Gelet op artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 12 lid 2 Uitvoeringswet internationale kinderbescherming is dan ook inmiddels het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de in aanmerking komende rechter om te beslissen op het verzoek tot overname van de zaak.

3.4

Gelet op het voorgaande en gezien het bepaalde in artikel 270 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal dit hof de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het is daarmee aan dat hof om te beslissen op het verzoek van het Hof van beroep te Antwerpen om de zaak over te nemen.

3.5

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde te beslissen op het verzoek van het Hof van beroep te Antwerpen om op grond van artikel 15 lid 1 sub b Verordening Brussel II-bis zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 van dit artikel uit te oefenen;

gelast de griffier het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 16 juni 2015 onder bijvoeging van het daarbij behorende rechtsplegingsdossier door te leiden naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Dozy, R. Prakke-Nieuwenhuizen en P.M.M. Mostermans en is op 28 juli 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.